Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-18
ECLI:NL:GHARL:2024:7820
Strafrecht
Hoger beroep
16,524 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000155-21
Uitspraak d.d.: 18 december 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 30 december 2020 met het parketnummer 16-052318-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 december 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. P.P.J. van der Meij, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is, ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2008 tot en met 24 oktober 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 lid 1 van de Wet Werk en Bijstand en/of Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand en/of Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk geen opgave gedaan van en/of verzwegen dat hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding had gevoerd met [medeverdachte] en/of (aldus uit dien hoofde) inkomsten had en/of te goed had;
2.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2008 tot en met 24 oktober 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van (een) door [medeverdachte] , (met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand en/of Participatiewet) door middel van het opzettelijk niet voldoen (door die [medeverdachte] ) aan de inlichtingenverplichting(en), uit hoofde van de Wet Werk en Bijstand en/of Participatiewet verkregen uitkering, welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is tenlastegelegd. Hiertoe heeft hij – kort samengevat – het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde wordt verzocht om verdachte vrij te spreken omdat er geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Subsidiair wordt verzocht om verdachte vrij te spreken vanwege een gebrek aan opzet op het tenlastegelegde. Meer subsidiair verzoekt de raadsman een kortere periode bewezen te verklaren.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde wordt verzocht om verdachte vrij te spreken omdat er geen sprake is van uit misdrijf verkregen gelden, aangezien verdachte nooit zijn hoofdverblijf heeft gehad op de [straat 1] . Subsidiair wordt verzocht om verdachte vrij te spreken omdat het op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat verdachte daadwerkelijk enig voordeel heeft genoten.
Feiten
Het hof verenigt zich wat betreft de vaststelling van de feiten en omstandigheden met de – hieronder cursief weergegeven – overwegingen van de rechtbank. Waar de vaststelling van de feiten en omstandigheden van de rechtbank aanvulling of verbetering behoeven, heeft het hof dit aangegeven met niet-cursieve tekst.
Aan verdachte is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] vanaf 8 juli 2008 een uitkering toegekend ingevolge de Wet werk en bijstand, naar de norm van een alleenstaande. Vanaf 1 januari 2015 is door voornoemd college aan verdachte een uitkering toegekend ingevolge de Participatiewet, naar de norm van een alleenstaande.
Verdachte heeft tot 11 juli 2008 ingeschreven gestaan op het adres [straat 1] te [plaats] .
Hij heeft een woning toegewezen gekregen aan de [straat 2] te [plaats] ingaande 8 juli 2008
, op welk adres hij staat ingeschreven per 11 juli 2008.
Vast staat dat verdachte sedertdien op geen enkele wijze melding heeft gemaakt van een wijziging in zijn woonsituatie of van een gezamenlijke huishouding met medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen: [medeverdachte] ) op het adres [straat 1] te [plaats] .
Met betrekking tot de door verdachte ontvangen uitkering betreft de benadelingsperiode de periode van 11 juli 2008 tot en met 24 oktober 2019.
Het benadelingsbedrag bedraagt 151.285,90 euro.
Bij beslissing van burgemeester en wethouders van [plaats] van 16 juli 2008 is de aan [medeverdachte] , wonende aan de [straat 1] te [plaats] , toegekende uitkering op grond van de Wet werk en bijstand gewijzigd om reden dat haar persoonlijke situatie is veranderd, in die zin dat de heer [verdachte] (verdachte) per 8 juli 2008 zelfstandige woonruimte heeft. Vanaf 8 juli 2008 is de bijstandsnorm van [medeverdachte] gewijzigd in de norm alleenstaande ouder.
Vast staat dat [medeverdachte] sedertdien op geen enkele wijze melding heeft gemaakt van een gezamenlijke huishouding met verdachte op het adres [straat 1] te [plaats] .
Met betrekking tot de door [medeverdachte] ontvangen uitkering betreft de benadelingsperiode de periode van 11 juli 2008 tot en met 24 oktober 2019.
Het benadelingsbedrag bedraagt 62.264,84 euro.
Verdachte en [medeverdachte] zijn tot 8 november 2005 getrouwd geweest en hebben samen drie kinderen.
Getuige [getuige 1] verklaart dat zij op een haar getoonde foto
(het hof begrijpt dat verbalisanten de getuige een foto toonden waarop beide verdachten staan afgebeeld) de buren herkent die wonen op de [straat 1] in [plaats] . De achternaam van deze buren is [achternaam] en de man heet [voornaam] . Deze buren wonen al ruim 20/22 jaar op dit adres. Ze gaan wel eens op vakantie naar Dubai en ze zijn ook in Syrië geweest. De buurman was er altijd; hij is wel veel op pad maar hij is altijd thuis. De getuige ziet de man en vrouw dagelijks. Voor de periode dat de man er een paar maanden niet is geweest (het hof begrijpt: de periode dat verdachte in detentie verbleef), was hij er ook dagelijks.
Getuige [getuige 2] verklaart op 29 januari 2020 dat zij op een haar getoonde foto
(het hof begrijpt dat verbalisanten de getuige een foto toonden waarop beide verdachten stonden afgebeeld) de man en vrouw herkent als de bewoners van de [straat 1] te [plaats] . De man en vrouw heten [achternaam] en zijn hier ongeveer 20 jaar geleden samen komen wonen. De man is een poosje weggeweest (het hof begrijpt: de periode dat verdachte in detentie verbleef). Ongeveer anderhalf à twee maanden geleden is de man weer teruggekomen. Voor de periode dat hij weg was, was hij er altijd overdag. ’s Avonds was hij wel eens weg, maar dan kwam hij ’s nachts thuis.
Getuige [getuige 3] is sinds 2002 woonachtig in de [straat 1] te [plaats] . Op een haar getoonde foto
(het hof begrijpt dat verbalisanten de getuige een foto toonden waarop beide verdachten stonden afgebeeld) herkent zij de man en vrouw als de bewoners van [huisnummer] . Hun achternaam is [achternaam] . De getuige weet dit omdat zij ieder jaar met kerst een kerstkaartje in de brievenbus doen met daarop ‘Familie [achternaam] [huisnummer] ’. De man en vrouw woonden er al toen de getuige in de [straat 1] kwam wonen. In 2019 is het de getuige opgevallen dat zij de man opeens niet meer zag (het hof begrijpt: de periode dat verdachte in detentie verbleef); zij heeft hem eind 2019 weer zien lopen. Voor de periode dat hij weg was, heeft de getuige de man altijd dagelijks gezien.
[medeverdachte] verklaart dat verdachte een sleutel heeft van de woning aan de [straat 1] te [plaats] en dat hij af en toe op zolder slaapt.
Op 3 maart 2019 werd in de auto van verdachte een sleutelbos aangetroffen met daaraan een sleutel die paste op het voordeurslot van perceel [straat 1] te [plaats] .
Op 1 maart 2019 is onder verdachte een mobiele telefoon, voorzien van [telefoonnummer] , inbeslaggenomen.
Dit nummer stond op naam van [verdachte] , [straat 1] te [plaats] .
In de telefoon is een app zichtbaar genaamd ‘Maps’. Onder het kopje ‘mijn plaatsen’ stond als thuisadres: [straat 1] [plaats] .
De woning aan de [straat 1] te [plaats] ligt het dichtst bij de zendmast aan de [locatie 1] te [plaats] . In de periode 1 september 2018 tot en met 7 maart 2019 werd deze zendmast door de mobiele telefoon van verdachte 2033 keer aangestraald. De woning aan de [straat 2] te [plaats] ligt het dichtst bij de zendmasten aan het [locatie 2] te [plaats] en de [locatie 3] te [plaats] , welke zendmasten in genoemde periode respectievelijk 138 keer en 76 keer door deze telefoon werden aangestraald.
Op 1 maart 2019 is door PostNL een pakketje bezorgd op het adres [straat 1] te [plaats] .
Verdachte verklaart dat dit de levering betrof van een door hem bestelde broek.
Op 4 maart 2019 werden bij een doorzoeking van de woning aan de [straat 1] te [plaats] waarnemingen gedaan dat er mogelijk sprake was van bewoning door een mannelijke bewoner. Zo werden er bijvoorbeeld op verschillende plaatsen herenschoenen aangetroffen.
Verdachte heeft een op zijn naam gestelde ING-bankrekening met [rekeningnummer] op het adres [straat 1] te [plaats] . Dit adres is bij de opening van de rekening vastgelegd en tussentijds nooit veranderd. Gemachtigde van deze rekening is [medeverdachte] .
In de periode 11 januari 2013 tot en met 27 december 2019 hebben ten laste van voornoemde ING-bankrekening in totaal 258 pintransacties plaatsgevonden bij filialen van [supermarkt] in [plaats] , waarvan 254 transacties bij een filiaal gelegen op een afstand van 850 meter van het adres [straat 1] te [plaats] en 4 transacties bij een filiaal dat dichter in de buurt van de [straat 2] te [plaats] is gelegen.
In aanvulling op het voorgaande stelt het hof het volgende vast.
Op de aan verdachte en/of [medeverdachte] verstrekte of door hen ondertekende formulieren (bijvoorbeeld ook ter zake de bijzondere bijstand, de langdurigheidstoeslag en het continueringsonderzoek) zijn zij gewezen op de (informatie)verplichtingen die met het recht op uitkering gepaard gaan.
Beoordeling
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Geen vormverzuim
Vooropgesteld moet worden dat indien binnen de door artikel 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, de rechter moet beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.
De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.
Het hof overweegt voorts dat de officier van justitie aanhouding buiten heterdaad van de verdachte kan bevelen in het geval een verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Binnen de kaders van artikel 54 Sv staat het de officier van justitie in beginsel vrij te beoordelen of en op welk moment hij van deze bevoegdheid gebruik maakt.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, met name op basis van de bijlage gevoegd bij de door de raadsman overgelegde pleitnota, leidt het hof, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, het navolgende af.
Naar aanleiding van het onderzoek met de naam ‘14Vaart’ in de periode 1 maart 2019 tot en met 17 augustus 2019 is informatie verzameld waaruit onder andere het vermoeden is ontstaan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan sociale zekerheidsfraude. Vervolgens is verdachte op bevel van de officier van justitie op 29 januari 2020 te [plaats] aangehouden ter zake van de vermoedelijke overtreding van de artikelen 225, 227b, 416 en 417bis Sr, oftewel: sociale zekerheidsfraude. Verdachte is op voornoemde dag verhoord door de sociale recherche en diezelfde dag heengezonden.
Verdachte liep op het moment van de aanhouding in een schorsing van zijn voorlopige hechtenis in het kader van het onderzoek ‘14Vaart’.
Verdachte werd na zijn aanhouding naar het politiebureau te [plaats] gebracht. Op dat moment bevond zich een andere verdachte, te weten [persoon] , in het onderzoek ‘14Vaart’ ook op het politiebureau. Hij is op dezelfde dag als verdachte aangehouden. Kort na de insluiting van verdachte werd verdachte naar een Progris-ruimte in de cellengang overgebracht. Tijdens deze Progris-controle werd verdachte [persoon] door enkele leden van het arrestatieteam, de cellengang binnen gebracht, ter insluiting in een dagcel. [persoon] was op dat moment geboeid. Door de arrestantenbewaker werd aan [verbalisant] gevraagd om de Progris-controle van verdachte af te breken en hem terug te plaatsen in zijn dagcel, zodat de leden van het arrestatieteam de insluiting van [persoon] veilig konden afronden. In de cellengang ontstond volgens verbalisant een ‘schrikreactie’ bij verdachte toen hij [persoon] zag.
Op de terechtzitting van het hof van 28 februari 2023 – waarop de zaak ‘14Vaart’ werd behandeld – heeft [verbalisant] als getuige verklaard dat het afbreken van het Progrisproces een onderdeel is geweest van een opzetje dat verdachte en [persoon] elkaar zouden zien en dat verdachte zou zien dat [persoon] was aangehouden. Reden hiervoor was omdat er een actie was voorbereid waarbij het opnemen van vertrouwelijke communicatie aan de orde was. De schrikreactie was volgens [verbalisant] een extra waarneming die hij op verzoek van de coördinator van het onderzoek heeft geverbaliseerd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden vast dat ten tijde van de aanhouding van verdachte op 29 januari 2020 een redelijk vermoeden van schuld, als bedoeld in artikel 27 Sv, voor voornoemde strafbare feiten bestond. Dit betreffen feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Dat verdachte in een schorsing van een voorlopige hechtenis liep en er ook de mogelijkheid bestond om hem uit te nodigen voor een verhoor laat in dit geval onverlet dat de officier van justitie een bevel kon afgeven tot aanhouding buiten heterdaad van verdachte.
Het hof is om voornoemde redenen van oordeel dat de officier van justitie rechtmatig gebruik heeft gemaakt van de aanhoudingsbevoegdheid. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat sprake is van enig vormverzuim in de onderhavige zaak als bedoeld in artikel 359a Sv, zodat het verweer wordt verworpen.
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het plegen van uitkeringsfraude. Verdachte heeft in deze periode een groot aantal formulieren die dienden ter toetsing van de rechtmatigheid van (het verkrijgen van) de uitkering, onjuist ingevuld en ondertekend. Met dit handelen, dat gericht was op eigen financieel gewin, heeft verdachte misbruik gemaakt van het stelsel van sociale zekerheid, hetgeen niet alleen heeft geleid tot financiële benadeling van de Nederlandse samenleving maar ook tot ondermijning van dit stelsel door afbreuk te doen aan het daaraan ten grondslag liggende beginsel van solidariteit.
De persoon van verdachte en zijn omstandigheden
Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende uittreksel van de Justitiële Documentatie van 30 oktober 2024, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Verder volgt daaruit dat artikel 63 Sr wel van toepassing is.
Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden, zoals door zijn raadsman naar voren is gebracht op de terechtzitting van het hof. Ondanks dat de gezondheid van verdachte precair is, gaat het goed met hem. Hij wil zijn verleden achter zich laten en zich focussen op zijn toekomst. Hij heeft een goede band met [medeverdachte] en zijn dochters. Verder heeft verdachte een baan. Nu verdachte zijn leven op de rit heeft, heeft hij daarom veel te verliezen, met name bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De op te leggen straf
Het hof acht gelet op de aard en ernst van het feit, met name het benadelingsbedrag, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals de rechtbank die heeft opgelegd in beginsel passend en geboden. Echter, sinds het plegen van het feit en de terechtzitting in eerste aanleg is een aanzienlijke tijd verstreken en zijn de persoonlijke omstandigheden van verdachte substantieel gewijzigd. Verdachte heeft zich daar daadwerkelijk voor ingezet. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal ontegenzeggelijk leiden tot een negatieve doorkruising van de positieve ontwikkelingen die verdachte doormaakt.
Voorts houdt het hof bij het bepalen van de straf rekening met het tijdsverloop tussen het plegen van het bewezenverklaarde feit en de einduitspraak in hoger beroep. Voorst stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM fors is overschreden. Bij het wijzen van dit arrest op 18 december 2024, sinds het instellen van het hoger beroep op 11 januari 2021, zijn drie jaren, elf maanden en acht dagen verstreken.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. J. Hielkema, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. L. Pieters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,
en op 18 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal uitkeringsfraude van 4 maart 2020, genummerd 190018 – 190019, opgemaakt door Sociale Recherche [locatie 4] , (in het digitale dossier) doorgenummerd 1 tot en met 441. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De paginanummering verwijst naar pagina’s zoals deze zijn genummerd in het digitale dossier.
Pagina 9.
Pagina 8.
Pagina 9.
Pagina 8.
Pagina’s 9, 10 en 11.
Pagina 3.
Een geschrift: beslissing Gemeente [gemeente] van 27 juli 2020 (nummer 3SRRC01260786), pagina 2.
Pagina 153.
Pagina’s 12 en 13.
Pagina 4.
Een geschrift: beslissing Gemeente [gemeente] van 27 juli 2020 (nummer 3SRRC01260785), pagina 2.
Pagina 9.
Pagina 419.
Pagina 416.
Pagina 417.
Pagina 423.
Pagina 420.
Pagina 421.
Pagina 415.
Pagina 412.
Pagina 413.
Pagina 99.
Pagina 289 en 290.
Pagina 301, 304 en 347.
Pagina 347.
Pagina 308.
Pagina 347 en 348.
Pagina 69.
Pagina 71.
Pagina’s 277 tot en met 287.
Pagina’s 22 en 23.
Pagina 24.
Pagina’s 7 tot en met 11 en 121 tot en met 165 van het papieren dossier.
Pagina’s 14 en 15 van het papieren dossier.
Pagina 7 van het papieren dossier.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam] bij de raadsheer-commissaris van 25 oktober 2022, pagina 2.
Pagina 101 van het papieren dossier.
Pagina 358 van het papieren dossier.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000155-21
Uitspraak d.d.: 18 december 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 30 december 2020 met het parketnummer 16-052318-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 december 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. P.P.J. van der Meij, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is, ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2008 tot en met 24 oktober 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 lid 1 van de Wet Werk en Bijstand en/of Participatiewet, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand en/of Participatiewet, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, (telkens) opzettelijk geen opgave gedaan van en/of verzwegen dat hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding had gevoerd met [medeverdachte] en/of (aldus uit dien hoofde) inkomsten had en/of te goed had;
2.hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juli 2008 tot en met 24 oktober 2019 te [plaats] , in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit hetgeen werd aangeschaft met door misdrijf verkregen geld, te weten geld van (een) door [medeverdachte] , (met wie hij, verdachte, duurzaam een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in de Wet Werk en Bijstand en/of Participatiewet) door middel van het opzettelijk niet voldoen (door die [medeverdachte] ) aan de inlichtingenverplichting(en), uit hoofde van de Wet Werk en Bijstand en/of Participatiewet verkregen uitkering, welk geld geheel of gedeeltelijk werd besteed aan het huishouden waarvan hij, verdachte, deel uitmaakte.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overweging met betrekking tot het bewijs
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem is tenlastegelegd. Hiertoe heeft hij – kort samengevat – het volgende aangevoerd.
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde wordt verzocht om verdachte vrij te spreken omdat er geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding met [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Subsidiair wordt verzocht om verdachte vrij te spreken vanwege een gebrek aan opzet op het tenlastegelegde. Meer subsidiair verzoekt de raadsman een kortere periode bewezen te verklaren.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde wordt verzocht om verdachte vrij te spreken omdat er geen sprake is van uit misdrijf verkregen gelden, aangezien verdachte nooit zijn hoofdverblijf heeft gehad op de [straat 1] . Subsidiair wordt verzocht om verdachte vrij te spreken omdat het op basis van het dossier niet bewezen kan worden dat verdachte daadwerkelijk enig voordeel heeft genoten.
Feiten
Het hof verenigt zich wat betreft de vaststelling van de feiten en omstandigheden met de – hieronder cursief weergegeven – overwegingen van de rechtbank. Waar de vaststelling van de feiten en omstandigheden van de rechtbank aanvulling of verbetering behoeven, heeft het hof dit aangegeven met niet-cursieve tekst.
Aan verdachte is door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [gemeente] vanaf 8 juli 2008 een uitkering toegekend ingevolge de Wet werk en bijstand, naar de norm van een alleenstaande. Vanaf 1 januari 2015 is door voornoemd college aan verdachte een uitkering toegekend ingevolge de Participatiewet, naar de norm van een alleenstaande.
Verdachte heeft tot 11 juli 2008 ingeschreven gestaan op het adres [straat 1] te [plaats] .
Hij heeft een woning toegewezen gekregen aan de [straat 2] te [plaats] ingaande 8 juli 2008
, op welk adres hij staat ingeschreven per 11 juli 2008.
Vast staat dat verdachte sedertdien op geen enkele wijze melding heeft gemaakt van een wijziging in zijn woonsituatie of van een gezamenlijke huishouding met medeverdachte [medeverdachte] (hierna te noemen: [medeverdachte] ) op het adres [straat 1] te [plaats] .
Met betrekking tot de door verdachte ontvangen uitkering betreft de benadelingsperiode de periode van 11 juli 2008 tot en met 24 oktober 2019.
Het benadelingsbedrag bedraagt 151.285,90 euro.
Bij beslissing van burgemeester en wethouders van [plaats] van 16 juli 2008 is de aan [medeverdachte] , wonende aan de [straat 1] te [plaats] , toegekende uitkering op grond van de Wet werk en bijstand gewijzigd om reden dat haar persoonlijke situatie is veranderd, in die zin dat de heer [verdachte] (verdachte) per 8 juli 2008 zelfstandige woonruimte heeft. Vanaf 8 juli 2008 is de bijstandsnorm van [medeverdachte] gewijzigd in de norm alleenstaande ouder.
Vast staat dat [medeverdachte] sedertdien op geen enkele wijze melding heeft gemaakt van een gezamenlijke huishouding met verdachte op het adres [straat 1] te [plaats] .
Met betrekking tot de door [medeverdachte] ontvangen uitkering betreft de benadelingsperiode de periode van 11 juli 2008 tot en met 24 oktober 2019.
Het benadelingsbedrag bedraagt 62.264,84 euro.
Verdachte en [medeverdachte] zijn tot 8 november 2005 getrouwd geweest en hebben samen drie kinderen.
Getuige [getuige 1] verklaart dat zij op een haar getoonde foto
(het hof begrijpt dat verbalisanten de getuige een foto toonden waarop beide verdachten staan afgebeeld) de buren herkent die wonen op de [straat 1] in [plaats] . De achternaam van deze buren is [achternaam] en de man heet [voornaam] . Deze buren wonen al ruim 20/22 jaar op dit adres. Ze gaan wel eens op vakantie naar Dubai en ze zijn ook in Syrië geweest. De buurman was er altijd; hij is wel veel op pad maar hij is altijd thuis. De getuige ziet de man en vrouw dagelijks. Voor de periode dat de man er een paar maanden niet is geweest (het hof begrijpt: de periode dat verdachte in detentie verbleef), was hij er ook dagelijks.
Getuige [getuige 2] verklaart op 29 januari 2020 dat zij op een haar getoonde foto
(het hof begrijpt dat verbalisanten de getuige een foto toonden waarop beide verdachten stonden afgebeeld) de man en vrouw herkent als de bewoners van de [straat 1] te [plaats] . De man en vrouw heten [achternaam] en zijn hier ongeveer 20 jaar geleden samen komen wonen. De man is een poosje weggeweest (het hof begrijpt: de periode dat verdachte in detentie verbleef). Ongeveer anderhalf à twee maanden geleden is de man weer teruggekomen. Voor de periode dat hij weg was, was hij er altijd overdag. ’s Avonds was hij wel eens weg, maar dan kwam hij ’s nachts thuis.
Getuige [getuige 3] is sinds 2002 woonachtig in de [straat 1] te [plaats] . Op een haar getoonde foto
(het hof begrijpt dat verbalisanten de getuige een foto toonden waarop beide verdachten stonden afgebeeld) herkent zij de man en vrouw als de bewoners van [huisnummer] . Hun achternaam is [achternaam] . De getuige weet dit omdat zij ieder jaar met kerst een kerstkaartje in de brievenbus doen met daarop ‘Familie [achternaam] [huisnummer] ’. De man en vrouw woonden er al toen de getuige in de [straat 1] kwam wonen. In 2019 is het de getuige opgevallen dat zij de man opeens niet meer zag (het hof begrijpt: de periode dat verdachte in detentie verbleef); zij heeft hem eind 2019 weer zien lopen. Voor de periode dat hij weg was, heeft de getuige de man altijd dagelijks gezien.
[medeverdachte] verklaart dat verdachte een sleutel heeft van de woning aan de [straat 1] te [plaats] en dat hij af en toe op zolder slaapt.
Op 3 maart 2019 werd in de auto van verdachte een sleutelbos aangetroffen met daaraan een sleutel die paste op het voordeurslot van perceel [straat 1] te [plaats] .
Op 1 maart 2019 is onder verdachte een mobiele telefoon, voorzien van [telefoonnummer] , inbeslaggenomen.
Dit nummer stond op naam van [verdachte] , [straat 1] te [plaats] .
In de telefoon is een app zichtbaar genaamd ‘Maps’. Onder het kopje ‘mijn plaatsen’ stond als thuisadres: [straat 1] [plaats] .
De woning aan de [straat 1] te [plaats] ligt het dichtst bij de zendmast aan de [locatie 1] te [plaats] . In de periode 1 september 2018 tot en met 7 maart 2019 werd deze zendmast door de mobiele telefoon van verdachte 2033 keer aangestraald. De woning aan de [straat 2] te [plaats] ligt het dichtst bij de zendmasten aan het [locatie 2] te [plaats] en de [locatie 3] te [plaats] , welke zendmasten in genoemde periode respectievelijk 138 keer en 76 keer door deze telefoon werden aangestraald.
Op 1 maart 2019 is door PostNL een pakketje bezorgd op het adres [straat 1] te [plaats] .
Verdachte verklaart dat dit de levering betrof van een door hem bestelde broek.
Op 4 maart 2019 werden bij een doorzoeking van de woning aan de [straat 1] te [plaats] waarnemingen gedaan dat er mogelijk sprake was van bewoning door een mannelijke bewoner. Zo werden er bijvoorbeeld op verschillende plaatsen herenschoenen aangetroffen.
Verdachte heeft een op zijn naam gestelde ING-bankrekening met [rekeningnummer] op het adres [straat 1] te [plaats] . Dit adres is bij de opening van de rekening vastgelegd en tussentijds nooit veranderd. Gemachtigde van deze rekening is [medeverdachte] .
In de periode 11 januari 2013 tot en met 27 december 2019 hebben ten laste van voornoemde ING-bankrekening in totaal 258 pintransacties plaatsgevonden bij filialen van [supermarkt] in [plaats] , waarvan 254 transacties bij een filiaal gelegen op een afstand van 850 meter van het adres [straat 1] te [plaats] en 4 transacties bij een filiaal dat dichter in de buurt van de [straat 2] te [plaats] is gelegen.
In aanvulling op het voorgaande stelt het hof het volgende vast.
Op de aan verdachte en/of [medeverdachte] verstrekte of door hen ondertekende formulieren (bijvoorbeeld ook ter zake de bijzondere bijstand, de langdurigheidstoeslag en het continueringsonderzoek) zijn zij gewezen op de (informatie)verplichtingen die met het recht op uitkering gepaard gaan.
Beoordeling
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Geen vormverzuim
Vooropgesteld moet worden dat indien binnen de door artikel 359a Sv bepaalde grenzen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in deze bepaling, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, de rechter moet beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd.
De eerste factor is ‘het belang dat het geschonden voorschrift dient’. De tweede factor is ‘de ernst van het verzuim’. De derde factor is ‘het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt’. Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.
Het hof overweegt voorts dat de officier van justitie aanhouding buiten heterdaad van de verdachte kan bevelen in het geval een verdenking van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Binnen de kaders van artikel 54 Sv staat het de officier van justitie in beginsel vrij te beoordelen of en op welk moment hij van deze bevoegdheid gebruik maakt.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, met name op basis van de bijlage gevoegd bij de door de raadsman overgelegde pleitnota, leidt het hof, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, het navolgende af.
Naar aanleiding van het onderzoek met de naam ‘14Vaart’ in de periode 1 maart 2019 tot en met 17 augustus 2019 is informatie verzameld waaruit onder andere het vermoeden is ontstaan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan sociale zekerheidsfraude. Vervolgens is verdachte op bevel van de officier van justitie op 29 januari 2020 te [plaats] aangehouden ter zake van de vermoedelijke overtreding van de artikelen 225, 227b, 416 en 417bis Sr, oftewel: sociale zekerheidsfraude. Verdachte is op voornoemde dag verhoord door de sociale recherche en diezelfde dag heengezonden.
Verdachte liep op het moment van de aanhouding in een schorsing van zijn voorlopige hechtenis in het kader van het onderzoek ‘14Vaart’.
Verdachte werd na zijn aanhouding naar het politiebureau te [plaats] gebracht. Op dat moment bevond zich een andere verdachte, te weten [persoon] , in het onderzoek ‘14Vaart’ ook op het politiebureau. Hij is op dezelfde dag als verdachte aangehouden. Kort na de insluiting van verdachte werd verdachte naar een Progris-ruimte in de cellengang overgebracht. Tijdens deze Progris-controle werd verdachte [persoon] door enkele leden van het arrestatieteam, de cellengang binnen gebracht, ter insluiting in een dagcel. [persoon] was op dat moment geboeid. Door de arrestantenbewaker werd aan [verbalisant] gevraagd om de Progris-controle van verdachte af te breken en hem terug te plaatsen in zijn dagcel, zodat de leden van het arrestatieteam de insluiting van [persoon] veilig konden afronden. In de cellengang ontstond volgens verbalisant een ‘schrikreactie’ bij verdachte toen hij [persoon] zag.
Op de terechtzitting van het hof van 28 februari 2023 – waarop de zaak ‘14Vaart’ werd behandeld – heeft [verbalisant] als getuige verklaard dat het afbreken van het Progrisproces een onderdeel is geweest van een opzetje dat verdachte en [persoon] elkaar zouden zien en dat verdachte zou zien dat [persoon] was aangehouden. Reden hiervoor was omdat er een actie was voorbereid waarbij het opnemen van vertrouwelijke communicatie aan de orde was. De schrikreactie was volgens [verbalisant] een extra waarneming die hij op verzoek van de coördinator van het onderzoek heeft geverbaliseerd.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof stelt op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden vast dat ten tijde van de aanhouding van verdachte op 29 januari 2020 een redelijk vermoeden van schuld, als bedoeld in artikel 27 Sv, voor voornoemde strafbare feiten bestond. Dit betreffen feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Dat verdachte in een schorsing van een voorlopige hechtenis liep en er ook de mogelijkheid bestond om hem uit te nodigen voor een verhoor laat in dit geval onverlet dat de officier van justitie een bevel kon afgeven tot aanhouding buiten heterdaad van verdachte.
Het hof is om voornoemde redenen van oordeel dat de officier van justitie rechtmatig gebruik heeft gemaakt van de aanhoudingsbevoegdheid. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat sprake is van enig vormverzuim in de onderhavige zaak als bedoeld in artikel 359a Sv, zodat het verweer wordt verworpen.
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het plegen van uitkeringsfraude. Verdachte heeft in deze periode een groot aantal formulieren die dienden ter toetsing van de rechtmatigheid van (het verkrijgen van) de uitkering, onjuist ingevuld en ondertekend. Met dit handelen, dat gericht was op eigen financieel gewin, heeft verdachte misbruik gemaakt van het stelsel van sociale zekerheid, hetgeen niet alleen heeft geleid tot financiële benadeling van de Nederlandse samenleving maar ook tot ondermijning van dit stelsel door afbreuk te doen aan het daaraan ten grondslag liggende beginsel van solidariteit.
De persoon van verdachte en zijn omstandigheden
Het hof heeft gelet op het de verdachte betreffende uittreksel van de Justitiële Documentatie van 30 oktober 2024, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Verder volgt daaruit dat artikel 63 Sr wel van toepassing is.
Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden, zoals door zijn raadsman naar voren is gebracht op de terechtzitting van het hof. Ondanks dat de gezondheid van verdachte precair is, gaat het goed met hem. Hij wil zijn verleden achter zich laten en zich focussen op zijn toekomst. Hij heeft een goede band met [medeverdachte] en zijn dochters. Verder heeft verdachte een baan. Nu verdachte zijn leven op de rit heeft, heeft hij daarom veel te verliezen, met name bij oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De op te leggen straf
Het hof acht gelet op de aard en ernst van het feit, met name het benadelingsbedrag, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zoals de rechtbank die heeft opgelegd in beginsel passend en geboden. Echter, sinds het plegen van het feit en de terechtzitting in eerste aanleg is een aanzienlijke tijd verstreken en zijn de persoonlijke omstandigheden van verdachte substantieel gewijzigd. Verdachte heeft zich daar daadwerkelijk voor ingezet. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal ontegenzeggelijk leiden tot een negatieve doorkruising van de positieve ontwikkelingen die verdachte doormaakt.
Voorts houdt het hof bij het bepalen van de straf rekening met het tijdsverloop tussen het plegen van het bewezenverklaarde feit en de einduitspraak in hoger beroep. Voorst stelt het hof vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM fors is overschreden. Bij het wijzen van dit arrest op 18 december 2024, sinds het instellen van het hoger beroep op 11 januari 2021, zijn drie jaren, elf maanden en acht dagen verstreken.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. J. Hielkema, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. L. Pieters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,
en op 18 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte Proces-verbaal uitkeringsfraude van 4 maart 2020, genummerd 190018 – 190019, opgemaakt door Sociale Recherche [locatie 4] , (in het digitale dossier) doorgenummerd 1 tot en met 441. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De paginanummering verwijst naar pagina’s zoals deze zijn genummerd in het digitale dossier.
Pagina 9.
Pagina 8.
Pagina 9.
Pagina 8.
Pagina’s 9, 10 en 11.
Pagina 3.
Een geschrift: beslissing Gemeente [gemeente] van 27 juli 2020 (nummer 3SRRC01260786), pagina 2.
Pagina 153.
Pagina’s 12 en 13.
Pagina 4.
Een geschrift: beslissing Gemeente [gemeente] van 27 juli 2020 (nummer 3SRRC01260785), pagina 2.
Pagina 9.
Pagina 419.
Pagina 416.
Pagina 417.
Pagina 423.
Pagina 420.
Pagina 421.
Pagina 415.
Pagina 412.
Pagina 413.
Pagina 99.
Pagina 289 en 290.
Pagina 301, 304 en 347.
Pagina 347.
Pagina 308.
Pagina 347 en 348.
Pagina 69.
Pagina 71.
Pagina’s 277 tot en met 287.
Pagina’s 22 en 23.
Pagina 24.
Pagina’s 7 tot en met 11 en 121 tot en met 165 van het papieren dossier.
Pagina’s 14 en 15 van het papieren dossier.
Pagina 7 van het papieren dossier.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam] bij de raadsheer-commissaris van 25 oktober 2022, pagina 2.
Pagina 101 van het papieren dossier.
Pagina 358 van het papieren dossier.
Feiten
Op de formulieren werd door hen bij de vraag over een gewijzigd inkomen en/of woon- gezinssituatie met ‘nee’ beantwoord dan wel niet beantwoord.
Uit het elektriciteitsverbruik van de woning aan de [straat 2] te [plaats] volgt het volgende:
‘Februari 2009 tot februari 2010: 309 kWh
Februari 2010 tot februari 2012: 483,5 kWh gemiddeld per jaar
Februari 2012 tot februari 2013: 798 kWh
Februari 2013 tot februari 2014: 507 kWh
Februari 2014 tot februari 2015: 519 kWh
Februari 2015 tot februari 2016: 340 kWh
Februari 2016 tot februari 2017: 326 kWh
Februari 2017 tot februari 2018: 439 kWh
Februari 2018 tot maart 2019: 97 kWh in 13 maanden is ongeveer 90 kwh voor het jaar 2018.
Volgens de landelijke normering van het Nibud is het jaarverbruik van éénpersoonshuishouden gemiddeld 1925 kWh aan elektriciteit. (bron: www.nibud.nl)
De conclusie is dat in de jaren 2009 tot en met 2019, beduidend minder elektra is afgenomen, dan landelijk gemiddeld gebruikelijk is voor een éénpersoonshuishouden. (conform BRP inschrijving) Uit de gegevens van [energieleverancier] blijkt dat het verbruik van [achternaam] op het adres aan de [straat 2] nog niet de helft betreft van het elektriciteitsverbruik dat gemiddeld voor een éénpersoonshuishouden is vastgesteld.’
Dochter [naam] heeft vanaf 18 juli 2011 tot 23 mei 2012 met haar vader ingeschreven gestaan op de [straat 2] te [plaats] . Bij de raadsheer-commissaris heeft [naam] verklaard dat zij in 2011 naar de woning aan de [straat 2] is verhuisd, hetgeen het hogere elektriciteitsverbruik rond die periode kan verklaren.
Uit onderzoek van de verbalisanten is gebleken dat de woning aan de [straat 2] te [plaats] minimaal was gemeubileerd en niet de indruk gaf van een normale bewoning.
Het hof overweegt als volgt.
Veroordeling ten aanzien van feit 1
Het hof verenigt zich wat betreft de vaststaande feiten en omstandigheden met de – hieronder cursief weergegeven – overwegingen van de rechtbank. Waar de overwegingen van de rechtbank aanvulling of verbetering behoeven, heeft het hof dit aangegeven met niet-cursieve tekst.
Gezamenlijke huishouding
Voor de vraag of verdachte en [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, dient allereerst te worden vastgesteld of zij beiden hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning.
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte en [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode gezamenlijk hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning aan de [straat 1] te [plaats] . De rechtbank wordt gesterkt in deze overtuiging door onderzoeksbevindingen van een tweetal verbalisanten van politie Midden-Nederland in de woning aan de [straat 2] te [plaats] op 1 maart 2019, waaruit volgt dat deze woning minimaal was gemeubileerd en niet de indruk gaf van een normale bewoning.
Blijkens artikel 3, vierde lid, van de Wet werk en bijstand / Participatiewet (zoals dit artikel luidde in de periode van het ten laste gelegde) wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden, zijnde verdachte en [medeverdachte] , hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij gehuwd zijn geweest of uit hun relatie een kind is geboren. Onder die omstandigheden volgt uit de wet een onweerlegbaar rechtsvermoeden dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen en -overwegingen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.
Opzetverweer
Door de verdediging is betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de benodigde gegevens te verstrekken die van belang waren voor zijn uitkering. Omdat verdachte niet wist dat hij iets deed wat door instanties wordt gezien als samenwonen of als het voeren van een gezamenlijke huishouding, wist hij ook niet dat hij dit moest melden. Daarbij speelde ook de taalbarrière een rol. Er was geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin.
De rechtbank overweegt het volgende.
Verdachte heeft met ingang van 8 juli 2008 een uitkering toegekend gekregen ingevolge de Wet werk en bijstand, naar de norm van een alleenstaande. Deze toekenning heeft plaatsgevonden nadat verdachte zich heeft laten uitschrijven van het adres aan de [straat 1] te [plaats] en hij een woning toegewezen heeft gekregen aan de [straat 2] te [plaats] . Vanaf dat moment heeft tevens een wijziging plaatsgevonden van de door [medeverdachte] ontvangen uitkering, in die zin dat de bijstandsnorm is gewijzigd in de norm voor een alleenstaande ouder.
Uit het voorgaande volgt dat het verdachte bekend is geweest dat een wijziging in de persoonlijke situatie, inhoudende dat niet langer sprake is van samenwoning maar van een gescheiden leven op twee adressen, tot wijziging van de uitkeringssituatie leidt.
Reeds op grond van het voorgaande kan niet worden gesteld dat verdachte niet heeft geweten dat een wijziging van de persoonlijke situatie tot wijziging van de uitkeringssituatie leidt en dat hij gegevens betreffende dergelijke wijzigingen niet behoefde te melden. Ook is het zo dat bij toekenning van een uitkering, in contacten tussen uitkeringsgerechtigde en uitkeringsverstrekker en bijvoorbeeld op aan verdachte verstrekte of door hem ondertekende formulieren (bijvoorbeeld ook ter zake bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag) gewezen wordt op (informatie)verplichtingen welke met het recht op uitkering gepaard gaan. Daar komt bij dat, voor zover bij verdachte - al dan niet ten gevolge van een taalbarrière - sprake zou zijn geweest van onduidelijkheid betreffende de door hem in te vullen formulieren, op hem de verplichting rustte informatie hieromtrent in te winnen bij bijvoorbeeld de gemeente of een juridisch loket.
Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen.
In aanvulling op het voorgaande overweegt het hof als volgt.
Uit het onderzoek van de sociale recherche volgt dat het elektriciteitsverbruik van de woning aan de [straat 2] in de jaren 2009 tot en met 2019 aanzienlijk veel lager is geweest dan gebruikelijk voor een éénpersoonshouden. Uitgaande van het gemiddelde voor een éénpersoonshuishouden stelt het hof vast dat het verbruik aan de [straat 2] nog minder dan de helft van dat gemiddelde besloeg. Enkel in de periode februari 2012 tot februari 2013 is een verhoging van het elektriciteitsverbruik te zien. Het hof acht deze verhoging verklaarbaar, nu uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen volgt dat onder meer in die periode de dochter van verdachte in de woning aan de [straat 2] woonde.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat verdachte en [medeverdachte] opzettelijk over en weer van elkaars uitkeringsfraude hebben geprofiteerd.
Feiten
Op de formulieren werd door hen bij de vraag over een gewijzigd inkomen en/of woon- gezinssituatie met ‘nee’ beantwoord dan wel niet beantwoord.
Uit het elektriciteitsverbruik van de woning aan de [straat 2] te [plaats] volgt het volgende:
‘Februari 2009 tot februari 2010: 309 kWh
Februari 2010 tot februari 2012: 483,5 kWh gemiddeld per jaar
Februari 2012 tot februari 2013: 798 kWh
Februari 2013 tot februari 2014: 507 kWh
Februari 2014 tot februari 2015: 519 kWh
Februari 2015 tot februari 2016: 340 kWh
Februari 2016 tot februari 2017: 326 kWh
Februari 2017 tot februari 2018: 439 kWh
Februari 2018 tot maart 2019: 97 kWh in 13 maanden is ongeveer 90 kwh voor het jaar 2018.
Volgens de landelijke normering van het Nibud is het jaarverbruik van éénpersoonshuishouden gemiddeld 1925 kWh aan elektriciteit. (bron: www.nibud.nl)
De conclusie is dat in de jaren 2009 tot en met 2019, beduidend minder elektra is afgenomen, dan landelijk gemiddeld gebruikelijk is voor een éénpersoonshuishouden. (conform BRP inschrijving) Uit de gegevens van [energieleverancier] blijkt dat het verbruik van [achternaam] op het adres aan de [straat 2] nog niet de helft betreft van het elektriciteitsverbruik dat gemiddeld voor een éénpersoonshuishouden is vastgesteld.’
Dochter [naam] heeft vanaf 18 juli 2011 tot 23 mei 2012 met haar vader ingeschreven gestaan op de [straat 2] te [plaats] . Bij de raadsheer-commissaris heeft [naam] verklaard dat zij in 2011 naar de woning aan de [straat 2] is verhuisd, hetgeen het hogere elektriciteitsverbruik rond die periode kan verklaren.
Uit onderzoek van de verbalisanten is gebleken dat de woning aan de [straat 2] te [plaats] minimaal was gemeubileerd en niet de indruk gaf van een normale bewoning.
Het hof overweegt als volgt.
Veroordeling ten aanzien van feit 1
Het hof verenigt zich wat betreft de vaststaande feiten en omstandigheden met de – hieronder cursief weergegeven – overwegingen van de rechtbank. Waar de overwegingen van de rechtbank aanvulling of verbetering behoeven, heeft het hof dit aangegeven met niet-cursieve tekst.
Gezamenlijke huishouding
Voor de vraag of verdachte en [medeverdachte] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, dient allereerst te worden vastgesteld of zij beiden hun hoofdverblijf hebben gehad in dezelfde woning.
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte en [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode gezamenlijk hun hoofdverblijf hebben gehad in de woning aan de [straat 1] te [plaats] . De rechtbank wordt gesterkt in deze overtuiging door onderzoeksbevindingen van een tweetal verbalisanten van politie Midden-Nederland in de woning aan de [straat 2] te [plaats] op 1 maart 2019, waaruit volgt dat deze woning minimaal was gemeubileerd en niet de indruk gaf van een normale bewoning.
Blijkens artikel 3, vierde lid, van de Wet werk en bijstand / Participatiewet (zoals dit artikel luidde in de periode van het ten laste gelegde) wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden, zijnde verdachte en [medeverdachte] , hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij gehuwd zijn geweest of uit hun relatie een kind is geboren. Onder die omstandigheden volgt uit de wet een onweerlegbaar rechtsvermoeden dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen en -overwegingen is naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en [medeverdachte] in de ten laste gelegde periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.
Opzetverweer
Door de verdediging is betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de benodigde gegevens te verstrekken die van belang waren voor zijn uitkering. Omdat verdachte niet wist dat hij iets deed wat door instanties wordt gezien als samenwonen of als het voeren van een gezamenlijke huishouding, wist hij ook niet dat hij dit moest melden. Daarbij speelde ook de taalbarrière een rol. Er was geen sprake van opzet, ook niet in voorwaardelijke zin.
De rechtbank overweegt het volgende.
Verdachte heeft met ingang van 8 juli 2008 een uitkering toegekend gekregen ingevolge de Wet werk en bijstand, naar de norm van een alleenstaande. Deze toekenning heeft plaatsgevonden nadat verdachte zich heeft laten uitschrijven van het adres aan de [straat 1] te [plaats] en hij een woning toegewezen heeft gekregen aan de [straat 2] te [plaats] . Vanaf dat moment heeft tevens een wijziging plaatsgevonden van de door [medeverdachte] ontvangen uitkering, in die zin dat de bijstandsnorm is gewijzigd in de norm voor een alleenstaande ouder.
Uit het voorgaande volgt dat het verdachte bekend is geweest dat een wijziging in de persoonlijke situatie, inhoudende dat niet langer sprake is van samenwoning maar van een gescheiden leven op twee adressen, tot wijziging van de uitkeringssituatie leidt.
Reeds op grond van het voorgaande kan niet worden gesteld dat verdachte niet heeft geweten dat een wijziging van de persoonlijke situatie tot wijziging van de uitkeringssituatie leidt en dat hij gegevens betreffende dergelijke wijzigingen niet behoefde te melden. Ook is het zo dat bij toekenning van een uitkering, in contacten tussen uitkeringsgerechtigde en uitkeringsverstrekker en bijvoorbeeld op aan verdachte verstrekte of door hem ondertekende formulieren (bijvoorbeeld ook ter zake bijzondere bijstand en langdurigheidstoeslag) gewezen wordt op (informatie)verplichtingen welke met het recht op uitkering gepaard gaan. Daar komt bij dat, voor zover bij verdachte - al dan niet ten gevolge van een taalbarrière - sprake zou zijn geweest van onduidelijkheid betreffende de door hem in te vullen formulieren, op hem de verplichting rustte informatie hieromtrent in te winnen bij bijvoorbeeld de gemeente of een juridisch loket.
Gelet op het voorgaande wordt het verweer verworpen.
In aanvulling op het voorgaande overweegt het hof als volgt.
Uit het onderzoek van de sociale recherche volgt dat het elektriciteitsverbruik van de woning aan de [straat 2] in de jaren 2009 tot en met 2019 aanzienlijk veel lager is geweest dan gebruikelijk voor een éénpersoonshouden. Uitgaande van het gemiddelde voor een éénpersoonshuishouden stelt het hof vast dat het verbruik aan de [straat 2] nog minder dan de helft van dat gemiddelde besloeg. Enkel in de periode februari 2012 tot februari 2013 is een verhoging van het elektriciteitsverbruik te zien. Het hof acht deze verhoging verklaarbaar, nu uit de hierboven genoemde bewijsmiddelen volgt dat onder meer in die periode de dochter van verdachte in de woning aan de [straat 2] woonde.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, is het hof van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend is bewezen.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat dat verdachte en [medeverdachte] opzettelijk over en weer van elkaars uitkeringsfraude hebben geprofiteerd.