Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-17
ECLI:NL:GHARL:2024:7816
Civiel recht
Hoger beroep
1,890 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.333.310/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 290682)
arrest van 17 december 2024
in de zaak van
[appellant]
,
die woont in [plaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters te Deventer,
tegen
[geïntimeerde]
,
die woont in [plaats1] ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. A. Oosterhuis-Boeve te Arnhem.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel op 5 juli 2023 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met bijlage(n);
de memorie van antwoord met een incidentele vordering, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
de memorie van antwoord in het incident;
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;
een journaalbericht namens [geïntimeerde] van 12 november 2024 met bijlage(n);
een journaalbericht namens [geïntimeerde] , mede namens [appellant] van 20 november 2024.
Beoordeling
2.1
Partijen zijn voormalige samenlevers. Zij verschilden in eerste aanleg van mening over de financiële afwikkeling van het beëindigen van hun relatie. Daarover heeft de rechtbank in het bestreden vonnis beslist. Partijen zijn daarvan in hoger beroep gekomen.
2.2
Bij journaalbericht van 20 november 2024 is namens [geïntimeerde] een door de advocaten van beide partijen ondertekende brief overgelegd. Uit die brief blijkt dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen en dat zij het hof verzoeken de in die brief vastgelegde afspraken op te nemen in een door het hof te wijzen arrest. Partijen hebben daarbij laten weten dat zij hun grieven over en weer intrekken en dat de geplande mondelinge behandeling geen doorgang hoeft te vinden.
2.3
Het hof zal conform de door partijen gemaakte afspraken beslissen. Gelet op de inhoud van de afspraken van partijen over de toedeling van de woning aan de [adres] te [plaats1] en over de inboedel van die woning, kunnen onderdelen 5.3, 5.7 en 5.8 van het bestreden vonnis niet in stand blijven. Omdat voor de overige onderdelen van de afspraken aanpassing of vernietiging van het bestreden vonnis niet nodig is, zal het hof zich beperken tot vernietiging van onderdelen 5.3, 5.7 en 5.8 van het bestreden vonnis.
Dictum
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
3.1
stelt vast dat partijen hun geschil in deze procedure beëindigen door hun afspraken die vastgelegd zijn in de door de advocaten van partijen ondertekende brief van 20 november 2024, die aan dit arrest is gehecht;
3.2
vernietigt daartoe het vonnis van de rechtbank Overijssel van 5 juli 2023 voor zover dat betreft de onderdelen 5.3, 5.7 en 5.8;
3.3
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door C. Coster, L. van Dijk en A.K. Oostlander-Vos, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 december 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.333.310/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 290682)
arrest van 17 december 2024
in de zaak van
[appellant]
,
die woont in [plaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters te Deventer,
tegen
[geïntimeerde]
,
die woont in [plaats1] ,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. A. Oosterhuis-Boeve te Arnhem.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel op 5 juli 2023 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep;
de memorie van grieven met bijlage(n);
de memorie van antwoord met een incidentele vordering, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;
de memorie van antwoord in het incident;
de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;
een journaalbericht namens [geïntimeerde] van 12 november 2024 met bijlage(n);
een journaalbericht namens [geïntimeerde] , mede namens [appellant] van 20 november 2024.
Beoordeling
2.1
Partijen zijn voormalige samenlevers. Zij verschilden in eerste aanleg van mening over de financiële afwikkeling van het beëindigen van hun relatie. Daarover heeft de rechtbank in het bestreden vonnis beslist. Partijen zijn daarvan in hoger beroep gekomen.
2.2
Bij journaalbericht van 20 november 2024 is namens [geïntimeerde] een door de advocaten van beide partijen ondertekende brief overgelegd. Uit die brief blijkt dat partijen tot overeenstemming zijn gekomen en dat zij het hof verzoeken de in die brief vastgelegde afspraken op te nemen in een door het hof te wijzen arrest. Partijen hebben daarbij laten weten dat zij hun grieven over en weer intrekken en dat de geplande mondelinge behandeling geen doorgang hoeft te vinden.
2.3
Het hof zal conform de door partijen gemaakte afspraken beslissen. Gelet op de inhoud van de afspraken van partijen over de toedeling van de woning aan de [adres] te [plaats1] en over de inboedel van die woning, kunnen onderdelen 5.3, 5.7 en 5.8 van het bestreden vonnis niet in stand blijven. Omdat voor de overige onderdelen van de afspraken aanpassing of vernietiging van het bestreden vonnis niet nodig is, zal het hof zich beperken tot vernietiging van onderdelen 5.3, 5.7 en 5.8 van het bestreden vonnis.
Dictum
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
3.1
stelt vast dat partijen hun geschil in deze procedure beëindigen door hun afspraken die vastgelegd zijn in de door de advocaten van partijen ondertekende brief van 20 november 2024, die aan dit arrest is gehecht;
3.2
vernietigt daartoe het vonnis van de rechtbank Overijssel van 5 juli 2023 voor zover dat betreft de onderdelen 5.3, 5.7 en 5.8;
3.3
wijst af wat meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door C. Coster, L. van Dijk en A.K. Oostlander-Vos, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 december 2024.