Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-16
ECLI:NL:GHARL:2024:7743
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,426 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: GEMW 200.346.259/01
Kenmerk
: 3631937
Uitspraak d.d.
: 16 december 2024
Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 26 maart 2024, betreffende
[eiseres] (hierna: eiseres),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van eiseres is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Dat beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete op grond van artikel 154b van de Gemeentewet.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van eiseres heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Verweerder de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. In artikel 154k, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat onder meer artikel 14 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) van overeenkomstige toepassing is in een procedure als hier aan de orde.
2. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de juistheid van die beslissing in hoger beroep niet wordt betwist.
3. Van geen van deze situaties is hier sprake. De bestuurlijke boete bedraagt € 70,- en de kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden. In beginsel is het appelverbod dan ook van toepassing.
4. De gemachtigde van eiseres stelt zich op het standpunt dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten. Daartoe voert hij aan dat de kantonrechter gelet op de motivering van diens beslissing het beroep ongegrond had moeten verklaren in plaats van niet-ontvankelijk. Ook die beslissing zou echter onjuist zijn geweest. De gemachtigde heeft namelijk wel degelijk gronden tegen de boetebeschikking ingediend, te weten bij brief van 12 september 2023. Verweerder heeft het bezwaar dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden. De kantonrechter had de beslissing van verweerder dus moeten vernietigen en de gronden moeten beoordelen. Ook heeft de kantonrechter ten onrechte niet beslist op het verzoek tot vaststelling van een dwangsom. Gelet op het voorgaande dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd. Het zou gek zijn als er geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen zo’n zeer onterechte beslissing van de kantonrechter, alleen omdat de boete te laag is.
5. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
6. De klachten van de gemachtigde komen er in de kern op neer dat kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen. Dit zijn geen klachten die betrekking hebben op het recht op toegang tot de rechter. Er is dus geen reden om het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
7. Nu eiseres niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: GEMW 200.346.259/01
Kenmerk
: 3631937
Uitspraak d.d.
: 16 december 2024
Arrest op het hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 26 maart 2024, betreffende
[eiseres] (hierna: eiseres),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van eiseres is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Dat beroep was ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (hierna: verweerder) naar aanleiding van de oplegging van een bestuurlijke boete op grond van artikel 154b van de Gemeentewet.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van eiseres heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Verweerder de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. In artikel 154k, tweede lid, van de Gemeentewet is bepaald dat onder meer artikel 14 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) van overeenkomstige toepassing is in een procedure als hier aan de orde.
2. Artikel 14 van de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de juistheid van die beslissing in hoger beroep niet wordt betwist.
3. Van geen van deze situaties is hier sprake. De bestuurlijke boete bedraagt € 70,- en de kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden. In beginsel is het appelverbod dan ook van toepassing.
4. De gemachtigde van eiseres stelt zich op het standpunt dat het appelverbod buiten toepassing moet worden gelaten. Daartoe voert hij aan dat de kantonrechter gelet op de motivering van diens beslissing het beroep ongegrond had moeten verklaren in plaats van niet-ontvankelijk. Ook die beslissing zou echter onjuist zijn geweest. De gemachtigde heeft namelijk wel degelijk gronden tegen de boetebeschikking ingediend, te weten bij brief van 12 september 2023. Verweerder heeft het bezwaar dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden. De kantonrechter had de beslissing van verweerder dus moeten vernietigen en de gronden moeten beoordelen. Ook heeft de kantonrechter ten onrechte niet beslist op het verzoek tot vaststelling van een dwangsom. Gelet op het voorgaande dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd. Het zou gek zijn als er geen hoger beroep kan worden ingesteld tegen zo’n zeer onterechte beslissing van de kantonrechter, alleen omdat de boete te laag is.
5. In artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ligt het recht op toegang tot de rechter besloten. Wanneer een beroep wordt gedaan op schending van dit recht en dit beroep wordt gegrond bevonden, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:6402).
6. De klachten van de gemachtigde komen er in de kern op neer dat kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen. Dit zijn geen klachten die betrekking hebben op het recht op toegang tot de rechter. Er is dus geen reden om het appelverbod buiten toepassing te laten. Het hoger beroep zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
7. Nu eiseres niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
Dictum
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.