Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-13
ECLI:NL:GHARL:2024:7712
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,650 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003617-21
Uitspraak d.d.: 13 december 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juli 2021 met parketnummer 18-226997-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
wonende te [postcode] [plaats] , [adres] .
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte terzake van het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. R.J.H. Titahena, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 27 juli 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het primair (medeplegen van diefstal met geweld) en subsidiair (medeplichtigheid aan diefstal met geweld) ten laste gelegde vrijgesproken.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist.
Het hof zal het vonnis daarom bevestigen, zij het met aanvulling van de gronden.
Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank heeft verdachte integraal vrijgesproken en heeft – kort gezegd – overwogen dat zij in het dossier aanknopingspunten ziet voor het scenario dat verdachte die nacht in de bewuste woning is geweest, máár dat zij ook aanknopingspunten ziet voor het scenario dat verdachte buiten de auto op de uitkijk heeft gestaan en niet in de bewuste woning is geweest.
Bewijsmiddelen waaruit dwingend volgt dat een van deze scenario's de juiste is, heeft de rechtbank niet aangetroffen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de personen die in meer of mindere mate bij de gepleegde woningoverval betrokken zijn geweest heel verschillend verklaren over de rol die zijzelf of een van de anderen heeft gehad. Volgens de rechtbank leveren de tapgesprekken daarbij sterke aanwijzingen op dat deze betrokkenen in verschillende combinaties hebben getracht de afgelegde verklaringen van medeverdachten en van getuigen te manipuleren.
Tot slot heeft de rechtbank vastgesteld dat de gehoorde getuigen in een nauwe (familie)relatie staan tot de verdachten dan wel slechts verklaren over hetgeen zij van de verdachten hebben vernomen en niet uit eigen waarneming. Voor zover verdachten in hun verklaringen zichzelf ontlasten dan wel anderen belasten kan daaraan op zichzelf, aldus de rechtbank, dan ook geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.
De rechtbank kan daarom op grond van het gehouden onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de stukken geen doorslaggevende betekenis toekennen aan een van de twee voorliggende scenario's. Nu de rol van verdachte bij het ten laste gelegde niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld, is naar het oordeel van rechtbank, de consequentie hiervan dat verdachte zowel van het primair ten laste gelegde als van het subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal stukken aan het dossier toegevoegd, waaronder processen-verbaal van verhoor van medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris. Het hof is van oordeel dat ook uit voornoemde stukken geen dwingend bewijs volgt dat het ene scenario – dat verdachte bij de overval betrokken is geweest - veel aannemelijker is dan het andere – dat verdachte daar niet bij betrokken is geweest - nu deze verhoren geen ander licht werpen op hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld.
Het hof is van oordeel dat ook uit voornoemde stukken dus geen overtuigend bewijs volgt dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan.
De consequentie hiervan is dat verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegd moet worden vrijgesproken.
Daarom dient het vonnis met aanvulling van de gronden te worden bevestigd.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. G.A. Versteeg, voorzitter,
mr. J. Hielkema en mr. B. Stapert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,
en op 13 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003617-21
Uitspraak d.d.: 13 december 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juli 2021 met parketnummer 18-226997-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
wonende te [postcode] [plaats] , [adres] .
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 29 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte terzake van het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. R.J.H. Titahena, naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank heeft bij vonnis van 27 juli 2021, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het primair (medeplegen van diefstal met geweld) en subsidiair (medeplichtigheid aan diefstal met geweld) ten laste gelegde vrijgesproken.
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist.
Het hof zal het vonnis daarom bevestigen, zij het met aanvulling van de gronden.
Het hof overweegt als volgt.
De rechtbank heeft verdachte integraal vrijgesproken en heeft – kort gezegd – overwogen dat zij in het dossier aanknopingspunten ziet voor het scenario dat verdachte die nacht in de bewuste woning is geweest, máár dat zij ook aanknopingspunten ziet voor het scenario dat verdachte buiten de auto op de uitkijk heeft gestaan en niet in de bewuste woning is geweest.
Bewijsmiddelen waaruit dwingend volgt dat een van deze scenario's de juiste is, heeft de rechtbank niet aangetroffen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de personen die in meer of mindere mate bij de gepleegde woningoverval betrokken zijn geweest heel verschillend verklaren over de rol die zijzelf of een van de anderen heeft gehad. Volgens de rechtbank leveren de tapgesprekken daarbij sterke aanwijzingen op dat deze betrokkenen in verschillende combinaties hebben getracht de afgelegde verklaringen van medeverdachten en van getuigen te manipuleren.
Tot slot heeft de rechtbank vastgesteld dat de gehoorde getuigen in een nauwe (familie)relatie staan tot de verdachten dan wel slechts verklaren over hetgeen zij van de verdachten hebben vernomen en niet uit eigen waarneming. Voor zover verdachten in hun verklaringen zichzelf ontlasten dan wel anderen belasten kan daaraan op zichzelf, aldus de rechtbank, dan ook geen doorslaggevende betekenis worden toegekend.
De rechtbank kan daarom op grond van het gehouden onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van de stukken geen doorslaggevende betekenis toekennen aan een van de twee voorliggende scenario's. Nu de rol van verdachte bij het ten laste gelegde niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld, is naar het oordeel van rechtbank, de consequentie hiervan dat verdachte zowel van het primair ten laste gelegde als van het subsidiair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.
In hoger beroep heeft de advocaat-generaal stukken aan het dossier toegevoegd, waaronder processen-verbaal van verhoor van medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris. Het hof is van oordeel dat ook uit voornoemde stukken geen dwingend bewijs volgt dat het ene scenario – dat verdachte bij de overval betrokken is geweest - veel aannemelijker is dan het andere – dat verdachte daar niet bij betrokken is geweest - nu deze verhoren geen ander licht werpen op hetgeen de rechtbank heeft vastgesteld.
Het hof is van oordeel dat ook uit voornoemde stukken dus geen overtuigend bewijs volgt dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan.
De consequentie hiervan is dat verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegd moet worden vrijgesproken.
Daarom dient het vonnis met aanvulling van de gronden te worden bevestigd.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door
mr. G.A. Versteeg, voorzitter,
mr. J. Hielkema en mr. B. Stapert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,
en op 13 december 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.