Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-12
ECLI:NL:GHARL:2024:7700
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,788 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.346.292
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 573573)
beschikking van 12 december 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool (onttrokken),
en
de gecertificeerde instelling stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: voorheen mr. M.V. Scheffer thans mr. C.D.L. Janssen.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juni 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 september 2024;
een brief van de moeder van 11 oktober 2024 met producties;
een journaalbericht van mr. Pool van 15 oktober 2024 met daarin de mededeling dat hij zich onttrekt als advocaat;
het verweerschrift van de vader met het procesdossier eerste aanleg;
twee brieven van de moeder, beide van 28 oktober 2024 met als productie een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 15 maart 2024, en
een journaalbericht van mr. Janssen van 29 oktober 2024 met productie.
2.2
Op 4 november 2024 is [de minderjarige] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof is gehoord.
2.3
De zitting was op 8 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
twee vertegenwoordigers van de GI en
de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is met bericht vooraf niemand verschenen.
Feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren te [woonplaats1] [in] 2014, over wie zij samen het gezag uitoefenen. De vader heeft [de minderjarige] erkend.
3.2
Bij beschikking van 25 juni 2021 heeft de rechtbank bepaald dat onder de regie van de GI een traject van begeleide omgang tussen [de minderjarige] en haar vader moet worden opgestart. Bij beschikking van 5 april 2022 heeft dit hof die beschikking bekrachtigd.
3.3
Bij beschikking van 25 juni 2021 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 juni 2021 tot 25 juni 2022. Die beschikking is door dit hof bekrachtigd bij beschikking van 5 april 2022.
De termijn van de ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 19 juni 2023 tot 25 juni 2024.
3.4
Bij beschikking van 15 maart 2024 heeft de kinderrechter machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 25 juni 2024.
3.5
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
de termijn van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd met 1 jaar, dus tot 25 juni 2025;
de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verlengd met zes maanden, dus tot 25 december 2024;
het verzoek van de GI voor het overige aangehouden.
3.6
[de minderjarige] woonde tot 6 mei 2024 bij de moeder. Zij verblijft sinds 6 mei 2024 in een gezinshuis op een geheim adres.
4De omvang van het geschil
4.1
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:
I. het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar, af te wijzen, en
II. het verzoek van de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van een jaar, af te wijzen.
4.2
De vader voert verweer en hij vraagt het door de moeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Motivering
Procedureel
5.1
De moeder heeft zelf bij haar brief van 11 oktober 2024 een omvangrijke hoeveelheid stukken ingediend (productie 1 t/m 68), zonder deze stukken nader toe te lichten. Volgens de moeder betreffen het stukken uit eerste aanleg. Kort daarop heeft de advocaat van de moeder zich onttrokken. De advocaat van de vader heeft (telefonisch) bezwaar gemaakt tegen indiening van die stukken.
Het hof overweegt dat bij het beroepschrift alle stukken uit de eerste aanleg in chronologische volgorde gevoegd dienen te worden (artikel 1.2.5 van het Procesreglement Verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven). Het hof gaat ervan uit dat mr. Pool dat bij het indienen van zijn verzoekschrift met producties heeft gedaan. Voor het hof was niet vast te stellen in hoeverre de door de moeder ingediende producties daadwerkelijk stukken uit eerste aanleg betroffen, mede doordat de moeder kort na het indienen geen advocaat meer had die dat had kunnen bevestigen of ontkennen. Ook de bestreden beschikking gaf daarover geen duidelijkheid.
Daarop heeft het hof de advocaat van de vader in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken welke van de door de moeder ingediende producties 1 t/m 68 stukken uit eerste aanleg betreffen. Dat heeft de advocaat van de vader gedaan bij haar journaalbericht van 29 oktober 2024, waaruit bleek dat lang niet alle door de moeder ingediende producties stukken uit eerste aanleg betroffen.
Hoewel de moeder bij haar standpunt blijft en stelt dat de productie 1 t/m 68 stukken eerste aanleg betreffen, ziet het hof, gelet op het voorgaande, aanleiding om slechts kennis te nemen van de producties genoemd bij het journaalbericht van mr. Janssen van 29 oktober 2024.
Inhoudelijk
5.2
Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 lid 1, in verband met artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.3
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
5.4
De moeder kan zich met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing niet verenigen. Volgens haar is niet voldaan aan de wettelijke criteria en is geen sprake van een concrete ontwikkelingsbedreiging. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing ontwikkelde [de minderjarige] zich goed. Zij behaalde goede resultaten op school en zij had veel sociale contacten. De moeder zag zich genoodzaakt om over te gaan op thuisonderwijs door de ondertoezichtstelling en doordat de GI ook op school kwam. [de minderjarige] voelde zich daardoor niet veilig op school. Daarnaast werd [de minderjarige] op school gediscrimineerd.
De noodzaak voor een uithuisplaatsing ontbreekt. Dat de omgang onvoldoende op gang is gekomen komt doordat de vader afspraken niet nakwam en omdat [de minderjarige] geen omgang meer wilde met de vader. De dreiging van een uithuisplaatsing maakte het voor de moeder heel moeilijk het contact aan te gaan met de GI, aldus de moeder.
5.4
De vader betwist dat. Er is wel degelijk sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige] . Zij ging al acht maanden niet naar school, zij had geen contact met leeftijdsgenootjes en zij leefde geïsoleerd. Er was al jaren geen contact met de vader. Sinds de plaatsing in het gezinshuis, heeft [de minderjarige] weer contact met de vader. Dat contact wordt langzaam opgebouwd. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. De moeder weigert in gesprek te gaan met de GI waardoor [de minderjarige] haar sinds de uithuisplaatsing niet heeft gezien of gesproken. Gelet op alles wat er tot nu toe is gebeurd, is een verlenging van de uithuisplaatsing gerechtvaardigd. Door de nog onveranderde visie en houding van de moeder kan thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder thans absoluut niet aan de orde zijn, aldus de vader.
5.5
De GI heeft op de zitting mondeling verweer gevoerd.
5.6
Het hof is, met de kinderrechter, van oordeel dat gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Uit de stukken en hetgeen op de zitting naar voren is gekomen, blijkt dat [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Deze ontwikkelings-bedreiging vloeit voort uit de zorgen over de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder. [de minderjarige] heeft jaren geen contact gehad met de vader, omdat de moeder dat tegenhield. Ondanks schriftelijke aanwijzingen van de GI en daaraan gekoppelde dwangsommen kwam geen contact tot stand. De door de moeder gestelde zorgen ten aanzien van het contact met de vader worden door de GI niet herkend. Doordat de moeder niet wilde samenwerken met de GI was er bovendien weinig zicht op [de minderjarige] en kon niet worden gewerkt aan de doelen van de ondertoezichtstelling. Die doelen zijn dan ook niet behaald.
Sinds de zomervakantie van 2023 hield de moeder [de minderjarige] thuis van school en was er geen enkel zicht meer op haar. Voor de vader en de GI was onbekend hoe het met [de minderjarige] ging. Volgens de GI hebben zich, in ieder geval op het moment van de uithuisplaatsing, traumatische gebeurtenissen voorgedaan waarvoor [de minderjarige] mogelijk hulpverlening nodig heeft. Dat moet eerst worden onderzocht, aldus de GI.
Een ondertoezichtstelling is noodzakelijk omdat de moeder de zorg die nodig is voor het wegnemen van de bedreiging onvoldoende accepteert. De samenwerking met de GI is, ondanks een jarenlange ondertoezichtstelling, niet van de grond gekomen. Vanuit de moeder bestaat veel wantrouwen richting de hulpverlening. De zorgen die de GI heeft ten aanzien van [de minderjarige] worden door de moeder niet herkend. Zij lijkt de noodzaak van contact tussen [de minderjarige] en de vader niet te erkennen. Dat is zorgelijk. In het algemeen is het wenselijk dat een kind contact heeft met beide ouders, dus ook met de vader. [de minderjarige] , zo is tijdens het kindgesprek met het hof gebleken, heeft die behoefte ook. Er is in dat opzicht echter geen vooruitgang geboekt ten opzichte van het begin van de ondertoezichtstelling.
Het hof acht de kans zeer klein dat er, zonder hulp van professionals, op korte termijn verandering in de situatie bij de moeder komt. Het is van belang dat de moeder de samenwerking met de GI aangaat en blijft aangaan en de benodigde hulp accepteert, hetgeen zij tot op heden niet tot nauwelijks heeft gedaan.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juni 2024 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover het betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin met zes maanden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, K.A.M. van Os-ten Have en E.H. Schijven-Bours en is op 12 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.346.292
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 573573)
beschikking van 12 december 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool (onttrokken),
en
de gecertificeerde instelling stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: voorheen mr. M.V. Scheffer thans mr. C.D.L. Janssen.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juni 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer (verder ook te noemen: de bestreden beschikking).
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 september 2024;
een brief van de moeder van 11 oktober 2024 met producties;
een journaalbericht van mr. Pool van 15 oktober 2024 met daarin de mededeling dat hij zich onttrekt als advocaat;
het verweerschrift van de vader met het procesdossier eerste aanleg;
twee brieven van de moeder, beide van 28 oktober 2024 met als productie een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 15 maart 2024, en
een journaalbericht van mr. Janssen van 29 oktober 2024 met productie.
2.2
Op 4 november 2024 is [de minderjarige] verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof is gehoord.
2.3
De zitting was op 8 november 2024. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
twee vertegenwoordigers van de GI en
de vader, bijgestaan door zijn advocaat.
Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is met bericht vooraf niemand verschenen.
Feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] ( [de minderjarige] ), geboren te [woonplaats1] [in] 2014, over wie zij samen het gezag uitoefenen. De vader heeft [de minderjarige] erkend.
3.2
Bij beschikking van 25 juni 2021 heeft de rechtbank bepaald dat onder de regie van de GI een traject van begeleide omgang tussen [de minderjarige] en haar vader moet worden opgestart. Bij beschikking van 5 april 2022 heeft dit hof die beschikking bekrachtigd.
3.3
Bij beschikking van 25 juni 2021 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 25 juni 2021 tot 25 juni 2022. Die beschikking is door dit hof bekrachtigd bij beschikking van 5 april 2022.
De termijn van de ondertoezichtstelling is nadien steeds verlengd, laatstelijk bij beschikking van 19 juni 2023 tot 25 juni 2024.
3.4
Bij beschikking van 15 maart 2024 heeft de kinderrechter machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 25 juni 2024.
3.5
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
de termijn van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd met 1 jaar, dus tot 25 juni 2025;
de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verlengd met zes maanden, dus tot 25 december 2024;
het verzoek van de GI voor het overige aangehouden.
3.6
[de minderjarige] woonde tot 6 mei 2024 bij de moeder. Zij verblijft sinds 6 mei 2024 in een gezinshuis op een geheim adres.
4De omvang van het geschil
4.1
De moeder is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De moeder verzoekt die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:
I. het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar, af te wijzen, en
II. het verzoek van de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin voor de duur van een jaar, af te wijzen.
4.2
De vader voert verweer en hij vraagt het door de moeder ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Motivering
Procedureel
5.1
De moeder heeft zelf bij haar brief van 11 oktober 2024 een omvangrijke hoeveelheid stukken ingediend (productie 1 t/m 68), zonder deze stukken nader toe te lichten. Volgens de moeder betreffen het stukken uit eerste aanleg. Kort daarop heeft de advocaat van de moeder zich onttrokken. De advocaat van de vader heeft (telefonisch) bezwaar gemaakt tegen indiening van die stukken.
Het hof overweegt dat bij het beroepschrift alle stukken uit de eerste aanleg in chronologische volgorde gevoegd dienen te worden (artikel 1.2.5 van het Procesreglement Verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven). Het hof gaat ervan uit dat mr. Pool dat bij het indienen van zijn verzoekschrift met producties heeft gedaan. Voor het hof was niet vast te stellen in hoeverre de door de moeder ingediende producties daadwerkelijk stukken uit eerste aanleg betroffen, mede doordat de moeder kort na het indienen geen advocaat meer had die dat had kunnen bevestigen of ontkennen. Ook de bestreden beschikking gaf daarover geen duidelijkheid.
Daarop heeft het hof de advocaat van de vader in de gelegenheid gesteld om kenbaar te maken welke van de door de moeder ingediende producties 1 t/m 68 stukken uit eerste aanleg betreffen. Dat heeft de advocaat van de vader gedaan bij haar journaalbericht van 29 oktober 2024, waaruit bleek dat lang niet alle door de moeder ingediende producties stukken uit eerste aanleg betroffen.
Hoewel de moeder bij haar standpunt blijft en stelt dat de productie 1 t/m 68 stukken eerste aanleg betreffen, ziet het hof, gelet op het voorgaande, aanleiding om slechts kennis te nemen van de producties genoemd bij het journaalbericht van mr. Janssen van 29 oktober 2024.
Inhoudelijk
5.2
Op grond van het bepaalde in artikel 1:260 lid 1, in verband met artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.3
Op grond van artikel 1:265b, eerste lid, BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling, de raad of het openbaar ministerie de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.
5.4
De moeder kan zich met de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing niet verenigen. Volgens haar is niet voldaan aan de wettelijke criteria en is geen sprake van een concrete ontwikkelingsbedreiging. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing ontwikkelde [de minderjarige] zich goed. Zij behaalde goede resultaten op school en zij had veel sociale contacten. De moeder zag zich genoodzaakt om over te gaan op thuisonderwijs door de ondertoezichtstelling en doordat de GI ook op school kwam. [de minderjarige] voelde zich daardoor niet veilig op school. Daarnaast werd [de minderjarige] op school gediscrimineerd.
De noodzaak voor een uithuisplaatsing ontbreekt. Dat de omgang onvoldoende op gang is gekomen komt doordat de vader afspraken niet nakwam en omdat [de minderjarige] geen omgang meer wilde met de vader. De dreiging van een uithuisplaatsing maakte het voor de moeder heel moeilijk het contact aan te gaan met de GI, aldus de moeder.
5.4
De vader betwist dat. Er is wel degelijk sprake van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van [de minderjarige] . Zij ging al acht maanden niet naar school, zij had geen contact met leeftijdsgenootjes en zij leefde geïsoleerd. Er was al jaren geen contact met de vader. Sinds de plaatsing in het gezinshuis, heeft [de minderjarige] weer contact met de vader. Dat contact wordt langzaam opgebouwd. De doelen van de ondertoezichtstelling zijn nog niet behaald. De moeder weigert in gesprek te gaan met de GI waardoor [de minderjarige] haar sinds de uithuisplaatsing niet heeft gezien of gesproken. Gelet op alles wat er tot nu toe is gebeurd, is een verlenging van de uithuisplaatsing gerechtvaardigd. Door de nog onveranderde visie en houding van de moeder kan thuisplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder thans absoluut niet aan de orde zijn, aldus de vader.
5.5
De GI heeft op de zitting mondeling verweer gevoerd.
5.6
Het hof is, met de kinderrechter, van oordeel dat gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Uit de stukken en hetgeen op de zitting naar voren is gekomen, blijkt dat [de minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Deze ontwikkelings-bedreiging vloeit voort uit de zorgen over de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij de moeder. [de minderjarige] heeft jaren geen contact gehad met de vader, omdat de moeder dat tegenhield. Ondanks schriftelijke aanwijzingen van de GI en daaraan gekoppelde dwangsommen kwam geen contact tot stand. De door de moeder gestelde zorgen ten aanzien van het contact met de vader worden door de GI niet herkend. Doordat de moeder niet wilde samenwerken met de GI was er bovendien weinig zicht op [de minderjarige] en kon niet worden gewerkt aan de doelen van de ondertoezichtstelling. Die doelen zijn dan ook niet behaald.
Sinds de zomervakantie van 2023 hield de moeder [de minderjarige] thuis van school en was er geen enkel zicht meer op haar. Voor de vader en de GI was onbekend hoe het met [de minderjarige] ging. Volgens de GI hebben zich, in ieder geval op het moment van de uithuisplaatsing, traumatische gebeurtenissen voorgedaan waarvoor [de minderjarige] mogelijk hulpverlening nodig heeft. Dat moet eerst worden onderzocht, aldus de GI.
Een ondertoezichtstelling is noodzakelijk omdat de moeder de zorg die nodig is voor het wegnemen van de bedreiging onvoldoende accepteert. De samenwerking met de GI is, ondanks een jarenlange ondertoezichtstelling, niet van de grond gekomen. Vanuit de moeder bestaat veel wantrouwen richting de hulpverlening. De zorgen die de GI heeft ten aanzien van [de minderjarige] worden door de moeder niet herkend. Zij lijkt de noodzaak van contact tussen [de minderjarige] en de vader niet te erkennen. Dat is zorgelijk. In het algemeen is het wenselijk dat een kind contact heeft met beide ouders, dus ook met de vader. [de minderjarige] , zo is tijdens het kindgesprek met het hof gebleken, heeft die behoefte ook. Er is in dat opzicht echter geen vooruitgang geboekt ten opzichte van het begin van de ondertoezichtstelling.
Het hof acht de kans zeer klein dat er, zonder hulp van professionals, op korte termijn verandering in de situatie bij de moeder komt. Het is van belang dat de moeder de samenwerking met de GI aangaat en blijft aangaan en de benodigde hulp accepteert, hetgeen zij tot op heden niet tot nauwelijks heeft gedaan.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 juni 2024 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover het betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin met zes maanden.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, K.A.M. van Os-ten Have en E.H. Schijven-Bours en is op 12 december 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.