Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-10
ECLI:NL:GHARL:2024:7603
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,614 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.341.889/01
CJIB-nummer
: 251012270
Uitspraak d.d.
: 10 december 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder met een bromfiets rijden terwijl de bromfiets de maximum constructiesnelheid overschrijdt”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 juli 2022 om 9:24 uur op de Dirk van den Burgweg in Hoek van Holland met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld omdat uit de verklaring van de ambtenaar niet blijkt dat de motor voldoende is gekoeld, dat de ambtenaar de meting heeft verricht door de bromfiets met lichaamsgewicht of tegendruk te belasten en welke invloed de bandenspanning heeft gehad op de meting. De kantonrechter heeft ten onrechte geen reden gezien van het uitgangspunt, dat aan de vereisten van artikel 29 van bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen is voldaan, af te wijken. Al in administratief beroep is gesteld dat niet aan genoemde vereisten is voldaan. De gemachtigde verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 januari 2016 (ECLI:NL:RBNHO:2016:4426).
3. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter terecht en op goede gronden overwogen dat het uitgangspunt is dat een ambtenaar de meting op een bromfietsrollentestbank uitvoert in overeenstemming met de daarvoor geldende vereisten en dat wat de gemachtigde heeft aangevoerd, geen reden geeft af te wijken van dit uitgangspunt en dat de gedraging dus kan worden vastgesteld. De gemachtigde heeft in beroep bij de kantonrechter – net als in hoger beroep – slechts de gedraging ontkend en aangevoerd dat bij de meting niet aan de vereisten is voldaan. Dat ook in dit geval de meting is overeenstemming met de daardoor geldende vereisten is uitgevoerd blijkt bovendien uit het door de advocaat-generaal overgelegde aanvullend proces-verbaal van 17 augustus 2024. Hierin verklaart de ambtenaar dat de meting op de juiste wijze is gedaan zoals beschreven in artikel 29 van bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen en tijdens de controle ook een visuele inspectie is uitgevoerd als omschreven in de handleiding van de gebruikte bromfietsrollentestbank, waarin – voor zover belang – het volgende in is opgenomen: “De bandenspanning van het aandrijvende wiel moet zodanig zijn dat hiermee op een normale verantwoorde wijze kan worden gereden op de openbare weg. Een te hoge of te lage bandenspanning heeft met uitzondering van een nagenoeg lege band (minder dan 0,5 Bar) een te verwaarlozen invloed op het meetresultaat. Een visuele inspectie van de bandenspanning is daarom voldoende. (…) Neem niet plaats op het voertuig daar anders de belasting van het aandrijvende wiel toeneemt. De belasting wordt al gesimuleerd door de software van de meetopstelling. Een extra belasting zou resulteren in een lagere snelheid dan dat deze in werkelijk is tijdens rijden op de weg.”
4. De kantonrechter heeft het beroep, gelet op het voorgaande, terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Het hof komt daarom niet toe aan een beoordeling van de gronden ten aanzien van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv zoals die bepaling per 1 januari 2024 luidt.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.341.889/01
CJIB-nummer
: 251012270
Uitspraak d.d.
: 10 december 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder met een bromfiets rijden terwijl de bromfiets de maximum constructiesnelheid overschrijdt”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 juli 2022 om 9:24 uur op de Dirk van den Burgweg in Hoek van Holland met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld omdat uit de verklaring van de ambtenaar niet blijkt dat de motor voldoende is gekoeld, dat de ambtenaar de meting heeft verricht door de bromfiets met lichaamsgewicht of tegendruk te belasten en welke invloed de bandenspanning heeft gehad op de meting. De kantonrechter heeft ten onrechte geen reden gezien van het uitgangspunt, dat aan de vereisten van artikel 29 van bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen is voldaan, af te wijken. Al in administratief beroep is gesteld dat niet aan genoemde vereisten is voldaan. De gemachtigde verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 19 januari 2016 (ECLI:NL:RBNHO:2016:4426).
3. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter terecht en op goede gronden overwogen dat het uitgangspunt is dat een ambtenaar de meting op een bromfietsrollentestbank uitvoert in overeenstemming met de daarvoor geldende vereisten en dat wat de gemachtigde heeft aangevoerd, geen reden geeft af te wijken van dit uitgangspunt en dat de gedraging dus kan worden vastgesteld. De gemachtigde heeft in beroep bij de kantonrechter – net als in hoger beroep – slechts de gedraging ontkend en aangevoerd dat bij de meting niet aan de vereisten is voldaan. Dat ook in dit geval de meting is overeenstemming met de daardoor geldende vereisten is uitgevoerd blijkt bovendien uit het door de advocaat-generaal overgelegde aanvullend proces-verbaal van 17 augustus 2024. Hierin verklaart de ambtenaar dat de meting op de juiste wijze is gedaan zoals beschreven in artikel 29 van bijlage VIII behorende bij hoofdstuk 5 van de Regeling voertuigen en tijdens de controle ook een visuele inspectie is uitgevoerd als omschreven in de handleiding van de gebruikte bromfietsrollentestbank, waarin – voor zover belang – het volgende in is opgenomen: “De bandenspanning van het aandrijvende wiel moet zodanig zijn dat hiermee op een normale verantwoorde wijze kan worden gereden op de openbare weg. Een te hoge of te lage bandenspanning heeft met uitzondering van een nagenoeg lege band (minder dan 0,5 Bar) een te verwaarlozen invloed op het meetresultaat. Een visuele inspectie van de bandenspanning is daarom voldoende. (…) Neem niet plaats op het voertuig daar anders de belasting van het aandrijvende wiel toeneemt. De belasting wordt al gesimuleerd door de software van de meetopstelling. Een extra belasting zou resulteren in een lagere snelheid dan dat deze in werkelijk is tijdens rijden op de weg.”
4. De kantonrechter heeft het beroep, gelet op het voorgaande, terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen. Er is geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding. Het hof komt daarom niet toe aan een beoordeling van de gronden ten aanzien van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv zoals die bepaling per 1 januari 2024 luidt.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.