Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-03
ECLI:NL:GHARL:2024:7531
Strafrecht; Strafprocesrecht
Beschikking
1,962 tokens
Dictum
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
woonplaats kiezende [adres] ,
hierna te noemen verzoeker.
Procesgang
Verzoeker vraagt vergoeding ten laste van de Staat voor schade die hij ten gevolge van ondergane detentie in een strafzaak heeft geleden ten bedrage van € 67.260,00, zoals nader in het verzoekschrift aangegeven. Daarnaast vraagt verzoeker een vergoeding voor de gemaakte kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.
Het hof heeft de verzoeken behandeld in openbare raadkamer van 19 november 2024, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en mr. S.PH.CHR. Wester, voornoemd.
Beoordeling
Bij onherroepelijk arrest van dit hof van 11 april 2024 is de strafzaak tegen verzoeker, met parketnummer 21-000644-23, geëindigd. Bij dit arrest is verzoeker ontslagen van alle rechtsvervolging voor doodslag omdat aan verzoeker een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Het hof heeft verder de onttrekking aan het verkeer bevolen van een (uitbeen)mes omdat het bewezenverklaarde feit daarmee is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Dit brengt mee dat de zaak niet is geëindigd als bedoeld in de artikelen 530 en 533 Sv.
Gelet op het bovenstaande ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de last tot onttrekking aan het verkeer van het mes aan ontvankelijkheid van de verzoeken tot vergoeding van kosten en schade in de weg staat. In de onderhavige zaak is weliswaar sprake van betrokkenheid van verzoeker bij het aan het verkeer onttrokken mes, maar naar het oordeel van het hof niet van verwijtbare betrokkenheid. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het arrest volgt dat het mes niet aan verzoeker toebehoorde, er sprake was van onverhoeds gewelddadig handelen van het slachtoffer tegenover verzoeker, waarbij kan worden aangenomen dat het slachtoffer tijdens de confrontatie het mes bij zich had en dat verzoeker dat mes in de loop van de confrontatie op de een of andere manier in handen heeft gekregen. Het hof acht verzoeker ontvankelijk in zijn verzoeken.
Uit de stukken volgt dat verzoeker op 28 mei 2022 in verzekering is gesteld en op 11 april 2024 is heengezonden. Verzoeker heeft daarmee 672 dagen in voorarrest doorgebracht, waarvan 2 dagen in een politiecel. Verzoeker heeft ten gevolge van deze detentie schade geleden. Het hof is van oordeel dat voor de periode die verzoeker in voorarrest heeft doorgebracht een vergoeding moet worden toegekend volgens de hiervoor gebruikelijk gehanteerde tarieven, te weten € 130,00 per dag in verzekering op een politiebureau doorgebracht en € 100,00 per dag in een huis van bewaring doorgebracht.
De kosten van indiening en behandeling van het verzoekschrift komen voor vergoeding in aanmerking overeenkomstig de hiervoor landelijk gehanteerde uitgangspunten, en wel tot een bedrag van € 680,00.
Met inachtneming van het bovenstaande zal het hof aan verzoeker de volgende vergoeding toekennen:
- immateriële schade voorarrest € 67.260,00
2 dagen politiecel ad € 130,00
670 dagen huis van bewaring ad € 100,00
- kosten indienen en behandeling verzoek € 680,00 +
Totaal € 67.940,00
Dictum
Het hof:
kent toe aan verzoeker [verzoeker] een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 67.940,00 (zevenenzestigduizend negenhonderdveertig euro);
beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [naam] , onder vermelding van [kenmerk] .
Aldus gegeven door
mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,
mr. P.W.J. Sekeris en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,
in tegenwoordigheid van E.J. Swart, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 3 december 2024 ter openbare zitting uitgesproken.
Dictum
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
woonplaats kiezende [adres] ,
hierna te noemen verzoeker.
Procesgang
Verzoeker vraagt vergoeding ten laste van de Staat voor schade die hij ten gevolge van ondergane detentie in een strafzaak heeft geleden ten bedrage van € 67.260,00, zoals nader in het verzoekschrift aangegeven. Daarnaast vraagt verzoeker een vergoeding voor de gemaakte kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.
Het hof heeft de verzoeken behandeld in openbare raadkamer van 19 november 2024, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en mr. S.PH.CHR. Wester, voornoemd.
Beoordeling
Bij onherroepelijk arrest van dit hof van 11 april 2024 is de strafzaak tegen verzoeker, met parketnummer 21-000644-23, geëindigd. Bij dit arrest is verzoeker ontslagen van alle rechtsvervolging voor doodslag omdat aan verzoeker een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. Het hof heeft verder de onttrekking aan het verkeer bevolen van een (uitbeen)mes omdat het bewezenverklaarde feit daarmee is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang. Dit brengt mee dat de zaak niet is geëindigd als bedoeld in de artikelen 530 en 533 Sv.
Gelet op het bovenstaande ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de last tot onttrekking aan het verkeer van het mes aan ontvankelijkheid van de verzoeken tot vergoeding van kosten en schade in de weg staat. In de onderhavige zaak is weliswaar sprake van betrokkenheid van verzoeker bij het aan het verkeer onttrokken mes, maar naar het oordeel van het hof niet van verwijtbare betrokkenheid. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat uit het arrest volgt dat het mes niet aan verzoeker toebehoorde, er sprake was van onverhoeds gewelddadig handelen van het slachtoffer tegenover verzoeker, waarbij kan worden aangenomen dat het slachtoffer tijdens de confrontatie het mes bij zich had en dat verzoeker dat mes in de loop van de confrontatie op de een of andere manier in handen heeft gekregen. Het hof acht verzoeker ontvankelijk in zijn verzoeken.
Uit de stukken volgt dat verzoeker op 28 mei 2022 in verzekering is gesteld en op 11 april 2024 is heengezonden. Verzoeker heeft daarmee 672 dagen in voorarrest doorgebracht, waarvan 2 dagen in een politiecel. Verzoeker heeft ten gevolge van deze detentie schade geleden. Het hof is van oordeel dat voor de periode die verzoeker in voorarrest heeft doorgebracht een vergoeding moet worden toegekend volgens de hiervoor gebruikelijk gehanteerde tarieven, te weten € 130,00 per dag in verzekering op een politiebureau doorgebracht en € 100,00 per dag in een huis van bewaring doorgebracht.
De kosten van indiening en behandeling van het verzoekschrift komen voor vergoeding in aanmerking overeenkomstig de hiervoor landelijk gehanteerde uitgangspunten, en wel tot een bedrag van € 680,00.
Met inachtneming van het bovenstaande zal het hof aan verzoeker de volgende vergoeding toekennen:
- immateriële schade voorarrest € 67.260,00
2 dagen politiecel ad € 130,00
670 dagen huis van bewaring ad € 100,00
- kosten indienen en behandeling verzoek € 680,00 +
Totaal € 67.940,00
Dictum
Het hof:
kent toe aan verzoeker [verzoeker] een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 67.940,00 (zevenenzestigduizend negenhonderdveertig euro);
beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [naam] , onder vermelding van [kenmerk] .
Aldus gegeven door
mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,
mr. P.W.J. Sekeris en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,
in tegenwoordigheid van E.J. Swart, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 3 december 2024 ter openbare zitting uitgesproken.