Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-12-03
ECLI:NL:GHARL:2024:7473
Strafrecht; Strafprocesrecht
Beschikking
3,068 tokens
Dictum
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
woonplaats kiezende [adres] ,
hierna te noemen verzoeker.
Procesgang
Verzoeker vraagt vergoeding uit 's Rijks kas voor gemaakte kosten in een strafzaak tegen verzoeker ten bedrage van € 72.246.21, namelijk kosten rechtsbijstand van;
Cleerdin & Hamer eerste aanleg: € 21.634,80
Cleerdin & Hamer hoger beroep: € 12.312,96
Van Diepen Van der Kroef eerste aanleg: € 12.070,55
Van Diepen Van der Kroef werkzaamheden ten dienst aan strafzaak: € 15.790,10
Van Diepen Van der Kroef werkzaamheden rondom zittingen strafzaak: € 10.437,80
Daarnaast is verzocht om een vergoeding voor de gemaakte kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
Het hof heeft het verzoek behandeld in openbare raadkamer van 19 november 2024, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en de verzoeker, bijgestaan door mr. T. Nieuwenhuis, advocaat.
Beoordeling
Bij onherroepelijk arrest van dit hof van 15 mei 2024, parketnummer 21-004171-23, is de strafzaak tegen verzoeker geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Op grond van artikel 530, vierde lid, juncto artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een vergoeding als verzocht steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dit betekent enerzijds dat in geval van gemaakte kosten vergoeding als uitgangspunt heeft te gelden, maar anderzijds dat de rechter op gronden van billijkheid vergoeding achterwege kan laten of slechts gedeeltelijk kan toekennen.
Verzoeker is door het openbaar ministerie vervolgd op verdenking van valsheid in geschrift. Deze verdenking kwam er - kort gezegd - op neer dat verzoeker ten behoeve van een exploitatievergunning het Bibob-vragenformulier onjuist zou hebben ingevuld. Verzoeker heeft zich in de strafzaak in eerste instantie laten bijstaan door advocaten van het kantoor van Van Diepen Van der Kroef. Dit kantoor stond verzoeker namelijk al langer bij in bestuursrechtelijke kwesties. Gedurende de eerste aanleg, vanaf januari 2023, heeft mr. Nieuwenhuis, van het kantoor van Cleerdin & Hamer, de verdediging in de strafzaak voor het grootste gedeelte overgenomen. De advocaten van Van Diepen Van der Kroef bleven betrokken bij de strafzaak en stonden verzoeker bij in de parallel lopende bestuursrechtelijke procedure(s).
Het hof acht het billijk om aan verzoeker de hierboven onder a, b en c, gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Het betreft de kosten die door Cleerdin & Hamer bij verzoeker in rekening zijn gebracht voor verleende rechtsbijstand in zowel eerste aanleg als hoger beroep en de door Van Diepen Van der Kroef gemaakte kosten voor rechtsbijstand van verzoeker in eerste aanleg, respectievelijk € 21.634,80, € 12.312,96 en € 12.070,55. Gelet op de in raadkamer gegeven toelichting van de advocaat is het hof daarnaast van oordeel dat gronden van billijkheid aanwezig zijn om tevens een vergoeding toe te kennen voor de hierboven onder e door mr. Hoogewerf van Van Diepen Van der Kroef gemaakte kosten voor verrichte werkzaamheden rondom de strafzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep. Daarmee is een bedrag van € 10.437,80 gemoeid geweest.
Met betrekking tot de door advocaten van Van Diepen Van der Kroef verrichtte werkzaamheden in de bestuursrechtelijke procedure(s) die ten dienste hebben gestaan aan de strafrechtelijke procedure (hierboven onder d), wordt als volgt overwogen. Het hof begrijpt dat er in dit geval samenhang bestond tussen de strafrechtelijke procedure en de parallel lopende bestuursrechtelijke procedure(s). Dit kan meebrengen dat informatie afkomstig uit de bestuursrechtelijke procedure van betekenis is voor de strafzaak en dat kennisneming en bestudering van die stukken noodzakelijk is voor de advocaten van Cleerdin & Hamer in de strafzaak. Dit rechtvaardigt echter niet dat de gemaakte kosten voor het produceren van die stukken - welke kosten mogelijk in het kader van de bestuursrechtelijke procedure volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden vergoed - in de strafprocedure worden gedeclareerd. Door aldus te declareren zijn de in het kader van de strafzaak te verrichten werkzaamheden van kennisnemen en bestuderen van die stukken onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Gelet hierop kunnen de hierboven onder d gedeclareerde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Gelet op het bovenstaande zal het hof een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand toekennen tot een bedrag van € 56.456,11, zoals verzocht onder kostenpost a, b, c en e. Het meer af anders verzochte wordt afgewezen.
De kosten van de indiening en de behandeling van het verzoekschrift komen voor vergoeding in aanmerking overeenkomstig de hiervoor landelijk gehanteerde uitgangspunten, en wel tot een bedrag van € 680,00.
Met inachtneming van het voorgaande zal het hof aan verzoeker de volgende vergoeding toekennen:
- kosten rechtsbijstand € 56.456,11
- kosten indienen en behandelen verzoek € 680,00 +
Totaal € 57.136,11
Dictum
Het hof:
kent toe aan verzoeker [verzoeker] een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 57.136,11 (zevenenvijftigduizend honderdzesendertig euro en elf cent);
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [naam] , onder vermelding van [kenmerk] .
Aldus gegeven door
mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,
mr. P.W.J. Sekeris en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,
in tegenwoordigheid van E.J. Swart, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 3 december 2024 ter openbare zitting uitgesproken.
Dictum
[verzoeker] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
woonplaats kiezende [adres] ,
hierna te noemen verzoeker.
Procesgang
Verzoeker vraagt vergoeding uit 's Rijks kas voor gemaakte kosten in een strafzaak tegen verzoeker ten bedrage van € 72.246.21, namelijk kosten rechtsbijstand van;
Cleerdin & Hamer eerste aanleg: € 21.634,80
Cleerdin & Hamer hoger beroep: € 12.312,96
Van Diepen Van der Kroef eerste aanleg: € 12.070,55
Van Diepen Van der Kroef werkzaamheden ten dienst aan strafzaak: € 15.790,10
Van Diepen Van der Kroef werkzaamheden rondom zittingen strafzaak: € 10.437,80
Daarnaast is verzocht om een vergoeding voor de gemaakte kosten voor de indiening en behandeling van het verzoekschrift.
Het hof heeft het verzoek behandeld in openbare raadkamer van 19 november 2024, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en de verzoeker, bijgestaan door mr. T. Nieuwenhuis, advocaat.
Beoordeling
Bij onherroepelijk arrest van dit hof van 15 mei 2024, parketnummer 21-004171-23, is de strafzaak tegen verzoeker geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Op grond van artikel 530, vierde lid, juncto artikel 534, eerste lid, Sv heeft de toekenning van een vergoeding als verzocht steeds plaats, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. Dit betekent enerzijds dat in geval van gemaakte kosten vergoeding als uitgangspunt heeft te gelden, maar anderzijds dat de rechter op gronden van billijkheid vergoeding achterwege kan laten of slechts gedeeltelijk kan toekennen.
Verzoeker is door het openbaar ministerie vervolgd op verdenking van valsheid in geschrift. Deze verdenking kwam er - kort gezegd - op neer dat verzoeker ten behoeve van een exploitatievergunning het Bibob-vragenformulier onjuist zou hebben ingevuld. Verzoeker heeft zich in de strafzaak in eerste instantie laten bijstaan door advocaten van het kantoor van Van Diepen Van der Kroef. Dit kantoor stond verzoeker namelijk al langer bij in bestuursrechtelijke kwesties. Gedurende de eerste aanleg, vanaf januari 2023, heeft mr. Nieuwenhuis, van het kantoor van Cleerdin & Hamer, de verdediging in de strafzaak voor het grootste gedeelte overgenomen. De advocaten van Van Diepen Van der Kroef bleven betrokken bij de strafzaak en stonden verzoeker bij in de parallel lopende bestuursrechtelijke procedure(s).
Het hof acht het billijk om aan verzoeker de hierboven onder a, b en c, gemaakte kosten van rechtsbijstand te vergoeden. Het betreft de kosten die door Cleerdin & Hamer bij verzoeker in rekening zijn gebracht voor verleende rechtsbijstand in zowel eerste aanleg als hoger beroep en de door Van Diepen Van der Kroef gemaakte kosten voor rechtsbijstand van verzoeker in eerste aanleg, respectievelijk € 21.634,80, € 12.312,96 en € 12.070,55. Gelet op de in raadkamer gegeven toelichting van de advocaat is het hof daarnaast van oordeel dat gronden van billijkheid aanwezig zijn om tevens een vergoeding toe te kennen voor de hierboven onder e door mr. Hoogewerf van Van Diepen Van der Kroef gemaakte kosten voor verrichte werkzaamheden rondom de strafzittingen in eerste aanleg en in hoger beroep. Daarmee is een bedrag van € 10.437,80 gemoeid geweest.
Met betrekking tot de door advocaten van Van Diepen Van der Kroef verrichtte werkzaamheden in de bestuursrechtelijke procedure(s) die ten dienste hebben gestaan aan de strafrechtelijke procedure (hierboven onder d), wordt als volgt overwogen. Het hof begrijpt dat er in dit geval samenhang bestond tussen de strafrechtelijke procedure en de parallel lopende bestuursrechtelijke procedure(s). Dit kan meebrengen dat informatie afkomstig uit de bestuursrechtelijke procedure van betekenis is voor de strafzaak en dat kennisneming en bestudering van die stukken noodzakelijk is voor de advocaten van Cleerdin & Hamer in de strafzaak. Dit rechtvaardigt echter niet dat de gemaakte kosten voor het produceren van die stukken - welke kosten mogelijk in het kader van de bestuursrechtelijke procedure volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht kunnen worden vergoed - in de strafprocedure worden gedeclareerd. Door aldus te declareren zijn de in het kader van de strafzaak te verrichten werkzaamheden van kennisnemen en bestuderen van die stukken onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Gelet hierop kunnen de hierboven onder d gedeclareerde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Gelet op het bovenstaande zal het hof een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand toekennen tot een bedrag van € 56.456,11, zoals verzocht onder kostenpost a, b, c en e. Het meer af anders verzochte wordt afgewezen.
De kosten van de indiening en de behandeling van het verzoekschrift komen voor vergoeding in aanmerking overeenkomstig de hiervoor landelijk gehanteerde uitgangspunten, en wel tot een bedrag van € 680,00.
Met inachtneming van het voorgaande zal het hof aan verzoeker de volgende vergoeding toekennen:
- kosten rechtsbijstand € 56.456,11
- kosten indienen en behandelen verzoek € 680,00 +
Totaal € 57.136,11
Dictum
Het hof:
kent toe aan verzoeker [verzoeker] een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 57.136,11 (zevenenvijftigduizend honderdzesendertig euro en elf cent);
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht;
beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [naam] , onder vermelding van [kenmerk] .
Aldus gegeven door
mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter,
mr. P.W.J. Sekeris en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,
in tegenwoordigheid van E.J. Swart, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 3 december 2024 ter openbare zitting uitgesproken.