Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-11-28
ECLI:NL:GHARL:2024:7412
Strafrecht
Hoger beroep
6,184 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000254-23
Uitspraak d.d.: 28 november 2024
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 januari 2023 met parketnummer 18-228082-21 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en namens betrokkene door zijn raadsvrouw, mr. J.B. Pieters, naar voren is gebracht.
Dictum
De politierechter heeft bij bovengenoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene moet worden geschat, vastgesteld op een bedrag van € 6.154,33. De politierechter heeft verder aan betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, vastgesteld op een bedrag van € 6.154,33 en bepaald dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv kan worden gevorderd ten hoogste 246 dagen is.
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep. Het vonnis waarvan beroep behoort dan ook te worden vernietigd en het hof zal opnieuw rechtdoen.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 2 november 2022 strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 6.154,33 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter bevestigt, hetgeen neerkomt op een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene op een bedrag van € 6.154,33 en op een oplegging aan betrokkene van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 28 november 2024 (parketnummer 21-002047-22) ter zake van het onder 1 tot en met 5 bewezenverklaarde witwassen (in vereniging) veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Op grond van de hierna genoemde wettige bewijsmiddelen, in combinatie met het hierna overwogene, komt het hof tot de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 6.155,11.
Bewijsmiddelen
Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 10 oktober 2022, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent bij de Eenheid Noord-Nederland blijkt het volgende:
“5. Onderzoeksresultaten
5.1
Beschrijving strafbare handelingen 1
Er bleek 1719.13 euro afkomstig van oplichting gestort op de bankrekening van [medeverdachte 1] . Uit haar verklaring en dat van [medeverdachte 2] bleek dat dit geld aan [verdachte] werd afgedragen.
Verder werden bij diverse oplichtingen geld naar BUNQ-rekening geboekt welke op naam staan van [verdachte] .
5.2
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
* € 799 uit aangifte BVH PL0100-2021095257 door [naam]
Er werd 799 euro overgeschreven naar de bankrekening van [naam] . Dit geld werd opgenomen en contant aan [verdachte] afgegeven.
* € 323 uit aangifte BVH PL0100-2020218242 door [naam]
Van de bankrekening van [naam] werd 323,00 euro afgeschreven naar rekening [bankrekeningnummer] was overgeschreven.
Het genoemde BUNQ rekeningnummer is een tussenrekening van BUNQ voor IDEAL betalingen. Het bedrag komt vervolgens binnen op de rekening van [verdachte] [bankrekeningnummer] .
* € 920,13 uit aangifte PL2000-2021093939 door [naam]
Er werden twee mobiele telefoons gekoppeld aan de bankrekening van aangever.
Hiermee werd 920 euro overgemaakt naar de bankrekening van [naam] . Het geld werd opgenomen en contant aan [verdachte] afgegeven.
* € 1374,20 uit aangifte PL1100-2020054074 door [naam] .
Er bleek 1520 euro van haar spaarrekening overgeboekt naar een nieuwe op haar aangemaakte bankrekening. Vervolgens werden er van de nieuwe bankrekening vier bedragen van 343,55 (totaal 1374,20 euro) via Tikkie overgeboekt naar de bankrekening van [verdachte] [bankrekeningnummer] .
* € 2738 uit aangifte PL0600-2020381323 door [naam]
Aangeefster reageerde op een Payconic betaalverzoek. Er werden 9 bedragen van 323 en een bedrag van 800 euro van haar rekening afgeschreven naar de BUNQ tussenrekening en de BUNQ van [verdachte] zelf. Uit de bankgegevens van [verdachte] [bankrekeningnummer] bleek dat 6 bedragen van 323 en een bedrag van 800 euro op zijn bankrekening terecht zijn gekomen.
5.2.1
Opbrengst 1
€ 6154,33
5.3
Recapitulatie wederrechtelijk verkregen voordeel 1
Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt op basis van het vorenstaande:
Opbrengst € 6154,33
Af: Kosten € 0,00
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 6154,33
Op grond van het vorenstaande wordt gesteld, dat verdachte [verdachte] een
wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen van € 6154,33.
”.
Uit vorenbedoeld arrest van dit hof van 28 november 2024 blijkt dat verdachte is veroordeeld ten aanzien van het witwassen, al dan niet in vereniging, van verschillende geldbedragen die afkomstig zijn uit enig misdrijf en die op verdachtes bankrekeningen of contant bij verdachte terecht zijn gekomen. De verschillende geldbedragen betreffen bedragen van: € 799,00,
€ 323,00, € 920,91, € 1.374,20 en € 2.738,00.
Overwegingen
Het hof acht de berekening van verbalisant in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel juist en neemt deze over, behalve voor zover het betreft het bedrag van € 920,13. Het hof heeft in het arrest van 28 november 2024 namelijk een bedrag van € 920,91, bewezenverklaard. De verschillende bedragen, te weten: bedragen van: € 799,00, € 323,00, € 920,91, € 1.374,20 en € 2.738,00, leveren bij elkaar opgeteld op: € 6.155,11.
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover het hof tot een toewijzing van de vordering wederrechtelijk verkregen voordeel komt, op het standpunt gesteld dat hiertoe alleen de bedragen van € 323,00 en € 2.738,00 kunnen worden gerekend, omdat deze daadwerkelijk op de Bunq bankrekening van verdachte terecht zijn gekomen. Voor de overige bedragen geldt volgens de raadsvrouw dat zij door medeverdachte [medeverdachte 1] zelf zijn gepind en gehouden, dan wel terechtgekomen zijn op de geblokkeerde rekening van verdachte bij de ABN AMRO Bank, waardoor verdachte er nooit over heeft kunnen beschikken.
Het hof volgt het standpunt van de raadsvrouw niet. Uit de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] volgt immers dat medeverdachte [medeverdachte 1] het contant gepinde geld aan verdachte heeft afgegeven. Bovendien geldt dat de bedragen bij de verdachte op zijn rekening bij ABN AMRO Bank zijn binnengekomen en dat hij daardoor op het moment van de voltooiing van de betreffende witwasdelicten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Dat verdachtes rekening bij ABN AMRO Bank, na binnenkomst van de bedragen, is geblokkeerd, doet daar niets aan af. Verdachte heeft tot het blokkeren van de bankrekening kunnen beschikken over de ontvangen bedragen.
Op basis van het hiervoor overwogene schat het hof het netto wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene heeft genoten op een bedrag van € 6.155,11.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Ter terechtzitting is er met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, met name zijn draagkracht, naar voren gekomen dat verdachte momenteel geen inkomen heeft. Hij heeft vroeger gewerkt als kippenvanger, maar is nu mantelzorger voor zijn moeder. Ook kan hij geen bijstandsuitkering ontvangen, omdat hij geen woonadres heeft. Verdachte heeft echter ook verklaard dat hij zijn leven wil beteren en zich wil inschrijven bij zijn neef om een bijstandsuitkering te kunnen ontvangen.
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat de betrokkene in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat vaststellen op hetzelfde bedrag als het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten een bedrag van € 6.155,11.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 6.155,11 (zesduizend honderdvijfenvijftig euro en elf cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 6.155,11 (zesduizend honderdvijfenvijftig euro en elf cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 123 dagen.
Aldus gewezen door
mr. E.W. van Weringh, voorzitter,
mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. F.E.J. Goffin, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 28 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Los gevoegd bij het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-202118012, opgemaakt op ambtsbelofte en afgesloten op 26 augustus 2021 door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent bij de Eenheid Noord-Nederland.
Dit betreft de verklaringen van de medeverdachten zoals opgenomen op p. 201 tot en met 209 en p. 213 tot en met 218 van vorenbedoeld dossier.
P. 3 en 4 van vorenbedoeld rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.
P. 4 van vorenbedoeld rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.
P. 12 en 13 van het hier bedoelde arrest.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000254-23
Uitspraak d.d.: 28 november 2024
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 januari 2023 met parketnummer 18-228082-21 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 14 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en namens betrokkene door zijn raadsvrouw, mr. J.B. Pieters, naar voren is gebracht.
Dictum
De politierechter heeft bij bovengenoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene moet worden geschat, vastgesteld op een bedrag van € 6.154,33. De politierechter heeft verder aan betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, vastgesteld op een bedrag van € 6.154,33 en bepaald dat de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 Sv kan worden gevorderd ten hoogste 246 dagen is.
Het hof verenigt zich niet met het vonnis waarvan beroep. Het vonnis waarvan beroep behoort dan ook te worden vernietigd en het hof zal opnieuw rechtdoen.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 2 november 2022 strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 6.154,33 en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter bevestigt, hetgeen neerkomt op een schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene op een bedrag van € 6.154,33 en op een oplegging aan betrokkene van de verplichting tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 28 november 2024 (parketnummer 21-002047-22) ter zake van het onder 1 tot en met 5 bewezenverklaarde witwassen (in vereniging) veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen financieel voordeel heeft genoten.
Op grond van de hierna genoemde wettige bewijsmiddelen, in combinatie met het hierna overwogene, komt het hof tot de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 6.155,11.
Bewijsmiddelen
Uit het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 10 oktober 2022, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent bij de Eenheid Noord-Nederland blijkt het volgende:
“5. Onderzoeksresultaten
5.1
Beschrijving strafbare handelingen 1
Er bleek 1719.13 euro afkomstig van oplichting gestort op de bankrekening van [medeverdachte 1] . Uit haar verklaring en dat van [medeverdachte 2] bleek dat dit geld aan [verdachte] werd afgedragen.
Verder werden bij diverse oplichtingen geld naar BUNQ-rekening geboekt welke op naam staan van [verdachte] .
5.2
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
* € 799 uit aangifte BVH PL0100-2021095257 door [naam]
Er werd 799 euro overgeschreven naar de bankrekening van [naam] . Dit geld werd opgenomen en contant aan [verdachte] afgegeven.
* € 323 uit aangifte BVH PL0100-2020218242 door [naam]
Van de bankrekening van [naam] werd 323,00 euro afgeschreven naar rekening [bankrekeningnummer] was overgeschreven.
Het genoemde BUNQ rekeningnummer is een tussenrekening van BUNQ voor IDEAL betalingen. Het bedrag komt vervolgens binnen op de rekening van [verdachte] [bankrekeningnummer] .
* € 920,13 uit aangifte PL2000-2021093939 door [naam]
Er werden twee mobiele telefoons gekoppeld aan de bankrekening van aangever.
Hiermee werd 920 euro overgemaakt naar de bankrekening van [naam] . Het geld werd opgenomen en contant aan [verdachte] afgegeven.
* € 1374,20 uit aangifte PL1100-2020054074 door [naam] .
Er bleek 1520 euro van haar spaarrekening overgeboekt naar een nieuwe op haar aangemaakte bankrekening. Vervolgens werden er van de nieuwe bankrekening vier bedragen van 343,55 (totaal 1374,20 euro) via Tikkie overgeboekt naar de bankrekening van [verdachte] [bankrekeningnummer] .
* € 2738 uit aangifte PL0600-2020381323 door [naam]
Aangeefster reageerde op een Payconic betaalverzoek. Er werden 9 bedragen van 323 en een bedrag van 800 euro van haar rekening afgeschreven naar de BUNQ tussenrekening en de BUNQ van [verdachte] zelf. Uit de bankgegevens van [verdachte] [bankrekeningnummer] bleek dat 6 bedragen van 323 en een bedrag van 800 euro op zijn bankrekening terecht zijn gekomen.
5.2.1
Opbrengst 1
€ 6154,33
5.3
Recapitulatie wederrechtelijk verkregen voordeel 1
Het wederrechtelijk verkregen voordeel bedraagt op basis van het vorenstaande:
Opbrengst € 6154,33
Af: Kosten € 0,00
Wederrechtelijk verkregen voordeel € 6154,33
Op grond van het vorenstaande wordt gesteld, dat verdachte [verdachte] een
wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen van € 6154,33.
”.
Uit vorenbedoeld arrest van dit hof van 28 november 2024 blijkt dat verdachte is veroordeeld ten aanzien van het witwassen, al dan niet in vereniging, van verschillende geldbedragen die afkomstig zijn uit enig misdrijf en die op verdachtes bankrekeningen of contant bij verdachte terecht zijn gekomen. De verschillende geldbedragen betreffen bedragen van: € 799,00,
€ 323,00, € 920,91, € 1.374,20 en € 2.738,00.
Overwegingen
Het hof acht de berekening van verbalisant in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel juist en neemt deze over, behalve voor zover het betreft het bedrag van € 920,13. Het hof heeft in het arrest van 28 november 2024 namelijk een bedrag van € 920,91, bewezenverklaard. De verschillende bedragen, te weten: bedragen van: € 799,00, € 323,00, € 920,91, € 1.374,20 en € 2.738,00, leveren bij elkaar opgeteld op: € 6.155,11.
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, voor zover het hof tot een toewijzing van de vordering wederrechtelijk verkregen voordeel komt, op het standpunt gesteld dat hiertoe alleen de bedragen van € 323,00 en € 2.738,00 kunnen worden gerekend, omdat deze daadwerkelijk op de Bunq bankrekening van verdachte terecht zijn gekomen. Voor de overige bedragen geldt volgens de raadsvrouw dat zij door medeverdachte [medeverdachte 1] zelf zijn gepind en gehouden, dan wel terechtgekomen zijn op de geblokkeerde rekening van verdachte bij de ABN AMRO Bank, waardoor verdachte er nooit over heeft kunnen beschikken.
Het hof volgt het standpunt van de raadsvrouw niet. Uit de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] volgt immers dat medeverdachte [medeverdachte 1] het contant gepinde geld aan verdachte heeft afgegeven. Bovendien geldt dat de bedragen bij de verdachte op zijn rekening bij ABN AMRO Bank zijn binnengekomen en dat hij daardoor op het moment van de voltooiing van de betreffende witwasdelicten wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Dat verdachtes rekening bij ABN AMRO Bank, na binnenkomst van de bedragen, is geblokkeerd, doet daar niets aan af. Verdachte heeft tot het blokkeren van de bankrekening kunnen beschikken over de ontvangen bedragen.
Op basis van het hiervoor overwogene schat het hof het netto wederrechtelijk verkregen voordeel dat betrokkene heeft genoten op een bedrag van € 6.155,11.
De verplichting tot betaling aan de Staat
Ter terechtzitting is er met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene, met name zijn draagkracht, naar voren gekomen dat verdachte momenteel geen inkomen heeft. Hij heeft vroeger gewerkt als kippenvanger, maar is nu mantelzorger voor zijn moeder. Ook kan hij geen bijstandsuitkering ontvangen, omdat hij geen woonadres heeft. Verdachte heeft echter ook verklaard dat hij zijn leven wil beteren en zich wil inschrijven bij zijn neef om een bijstandsuitkering te kunnen ontvangen.
Het hof gaat er op grond van het voorgaande vanuit dat de betrokkene in de toekomst in staat zal zijn om aan de verplichting tot betaling aan de Staat te voldoen. Op grond daarvan zal het hof de verplichting tot betaling aan de Staat vaststellen op hetzelfde bedrag als het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, te weten een bedrag van € 6.155,11.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
Dictum
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 6.155,11 (zesduizend honderdvijfenvijftig euro en elf cent).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 6.155,11 (zesduizend honderdvijfenvijftig euro en elf cent).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 123 dagen.
Aldus gewezen door
mr. E.W. van Weringh, voorzitter,
mr. J.H.W.R. Orriëns-Schipper en mr. F.E.J. Goffin, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 28 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Los gevoegd bij het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-202118012, opgemaakt op ambtsbelofte en afgesloten op 26 augustus 2021 door verbalisant [verbalisant] , hoofdagent bij de Eenheid Noord-Nederland.
Dit betreft de verklaringen van de medeverdachten zoals opgenomen op p. 201 tot en met 209 en p. 213 tot en met 218 van vorenbedoeld dossier.
P. 3 en 4 van vorenbedoeld rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.
P. 4 van vorenbedoeld rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.
P. 12 en 13 van het hier bedoelde arrest.