Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-11-13
ECLI:NL:GHARL:2024:7382
Strafrecht
Hoger beroep
2,702 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001489-21
Uitspraak d.d.: 13 november 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 19 maart 2021 met parketnummer 18-730106-18 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [postcode] [plaats] , [adres 1] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot
vrijspraak van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. R.J.H. Titahena naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Verdachte is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland van 19 maart 2021 veroordeeld wegens opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, voor levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 31 maart 2018, te [pleegplaats] , in de gemeente [gemeente] , (op een of meer plaatsen) in de woning [adres 2] (deel uitmakende van een dubbele behuizing), opzettelijk brand heeft gesticht door (open) vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan het interieur van die woning en/of die woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of voor in die woning aanwezige goederen en/of voor de aangrenzende woning en/of in die aangrenzende woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die aangrenzende woning bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.
Vrijspraak
Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging kan worden bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
In hoger beroep is – naar aanleiding van een verzoek daartoe door de verdediging – op basis van de stukken nader onderzoek naar de brand verricht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De uitkomst van dat onderzoek is neergelegd in het deskundigenrapport van 25 januari 2024, opgemaakt door ir. J.H.L.M. Lelieveld. Uit dit rapport blijkt – kort en zakelijk weergegeven – dat aan de hand van de beschikbare informatie niet kan worden uitgesloten dat de brandhaard(en) zijn ontstaan door andere oorzaken dan brandstichting. Een mogelijke andere oorzaak zou bijvoorbeeld zijn een elektrotechnisch defect in een apparaat of in de elektrische huisinstallatie. Deze mogelijke alternatieve oorzaken zijn door de forensische opsporing en Achmea Expertise vlak na de brand niet goed onderzocht en kunnen op basis van de ontvangen informatie daarom niet uitgesloten worden. Volgens het deskundigenrapport zijn beide scenario’s, opzettelijke brandstichting en onopzettelijke brand ontstaan door aanwezige ontstekingsbronnen, ongeveer even waarschijnlijk.
Nu verdachte ontkent deze brand te hebben gesticht en ook uit de overige stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij het ontstaan van deze brand, heeft het hof gezien de bevindingen van voornoemd onderzoek niet de voor een bewezenverklaring benodigde overtuiging bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. H.J. Deuring, voorzitter,
mr. P.S. Bakker en mr. M.C. van Linde, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,
en op 13 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001489-21
Uitspraak d.d.: 13 november 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 19 maart 2021 met parketnummer 18-730106-18 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1971,
wonende te [postcode] [plaats] , [adres 1] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 13 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot
vrijspraak van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. R.J.H. Titahena naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
Verdachte is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland van 19 maart 2021 veroordeeld wegens opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, voor levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij, op of omstreeks 31 maart 2018, te [pleegplaats] , in de gemeente [gemeente] , (op een of meer plaatsen) in de woning [adres 2] (deel uitmakende van een dubbele behuizing), opzettelijk brand heeft gesticht door (open) vuur in aanraking te brengen met (een) brandbare stof(fen) ten gevolge waarvan het interieur van die woning en/of die woning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die woning en/of voor in die woning aanwezige goederen en/of voor de aangrenzende woning en/of in die aangrenzende woning aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in die aangrenzende woning bevindende personen, in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.
Vrijspraak
Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging kan worden bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
In hoger beroep is – naar aanleiding van een verzoek daartoe door de verdediging – op basis van de stukken nader onderzoek naar de brand verricht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). De uitkomst van dat onderzoek is neergelegd in het deskundigenrapport van 25 januari 2024, opgemaakt door ir. J.H.L.M. Lelieveld. Uit dit rapport blijkt – kort en zakelijk weergegeven – dat aan de hand van de beschikbare informatie niet kan worden uitgesloten dat de brandhaard(en) zijn ontstaan door andere oorzaken dan brandstichting. Een mogelijke andere oorzaak zou bijvoorbeeld zijn een elektrotechnisch defect in een apparaat of in de elektrische huisinstallatie. Deze mogelijke alternatieve oorzaken zijn door de forensische opsporing en Achmea Expertise vlak na de brand niet goed onderzocht en kunnen op basis van de ontvangen informatie daarom niet uitgesloten worden. Volgens het deskundigenrapport zijn beide scenario’s, opzettelijke brandstichting en onopzettelijke brand ontstaan door aanwezige ontstekingsbronnen, ongeveer even waarschijnlijk.
Nu verdachte ontkent deze brand te hebben gesticht en ook uit de overige stukken en het verhandelde ter terechtzitting niet blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij het ontstaan van deze brand, heeft het hof gezien de bevindingen van voornoemd onderzoek niet de voor een bewezenverklaring benodigde overtuiging bekomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijke brandstichting, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door
mr. H.J. Deuring, voorzitter,
mr. P.S. Bakker en mr. M.C. van Linde, raadsheren,
in tegenwoordigheid van H. Pool, griffier,
en op 13 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.