Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-11-27
ECLI:NL:GHARL:2024:7308
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,958 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.341.431/01
CJIB-nummer
: 254694168
Uitspraak d.d.
: 27 november 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is verzocht om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. Tevens is verzocht om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 13 november 2024. De betrokkene is verschenen.De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv - zoals die bepaling luidt per 1 januari 2023 - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. De opgelegde sanctie bedraagt € 100,- en de kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
3. De betrokkene voert aan geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter te hebben ontvangen.
4. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een (…) openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen.”
5. In het dossier bevindt zich een aan de betrokkene gerichte, en correct geadresseerde, brief van de griffier van de rechtbank van 8 februari 2024, waarin hij wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 14 maart 2024. Nu de rechtbank niet over een deugdelijke verzendadministratie beschikt en de uitnodiging niet aangetekend is verzonden, kan het hof niet vaststellen dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Dat brengt mee dat is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv.
6. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. De overige gronden tegen voornoemde beslissing behoeven geen bespreking meer. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “als bestuurder van een personenauto/bedrijfsauto/bus een weg gebruiken in strijd met bord C22a 9geslotenverklaring milieuzone)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 december 2022 om 10:23 uur op het Schenkviaduct in ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
8. De betrokkene voert in hoger beroep - zakelijk weergegeven en kort samengevat - aan dat het categorisch uitsluiten van voertuigen in een bepaald gebied in strijd is met Europees recht. Het nationale recht betreffende het instellen van en handhaven bij milieuzones dient dan ook buiten toepassing te worden verklaard. In diverse uitspraken heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) overwogen dat Europese wetgeving altijd voorrang heeft op nationale wetgeving. Het niet in acht nemen van deze voorrangsregel, is een ambtsmisdrijf. Een rechtelijke instantie dient in een geval als het onderhavige op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) een prejudiciële vraag te stellen aan van het HvJEU.
9. Voor zover de betrokkene zich op het standpunt stelt dat de wegbeheerder ter plaatse het gebruik van het voertuig op de openbare weg niet mag beperken, is dat niet juist. De regelgever heeft de wegbeheerder immers bevoegdheden toegekend om voor het gebruik van een voertuig op de openbare weg nadere regels te stellen. Dat deze bevoegdheden evident in strijd zijn met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht, is het hof in deze zaak niet gebleken. Gelet hierop bestaat ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen in deze zaak. De gronden falen.
10. Het hof zal als volgt beslissen.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.341.431/01
CJIB-nummer
: 254694168
Uitspraak d.d.
: 27 november 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is verzocht om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. Tevens is verzocht om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 13 november 2024. De betrokkene is verschenen.De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Beoordeling
1. Artikel 14 van de Wahv - zoals die bepaling luidt per 1 januari 2023 - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
2. De opgelegde sanctie bedraagt € 100,- en de kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
3. De betrokkene voert aan geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter te hebben ontvangen.
4. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een (…) openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen.”
5. In het dossier bevindt zich een aan de betrokkene gerichte, en correct geadresseerde, brief van de griffier van de rechtbank van 8 februari 2024, waarin hij wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 14 maart 2024. Nu de rechtbank niet over een deugdelijke verzendadministratie beschikt en de uitnodiging niet aangetekend is verzonden, kan het hof niet vaststellen dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Dat brengt mee dat is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv.
6. Gelet op het voorgaande kan de beslissing van de kantonrechter niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen. De overige gronden tegen voornoemde beslissing behoeven geen bespreking meer. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 100,- voor: “als bestuurder van een personenauto/bedrijfsauto/bus een weg gebruiken in strijd met bord C22a 9geslotenverklaring milieuzone)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 december 2022 om 10:23 uur op het Schenkviaduct in ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken
[kenteken] .
8. De betrokkene voert in hoger beroep - zakelijk weergegeven en kort samengevat - aan dat het categorisch uitsluiten van voertuigen in een bepaald gebied in strijd is met Europees recht. Het nationale recht betreffende het instellen van en handhaven bij milieuzones dient dan ook buiten toepassing te worden verklaard. In diverse uitspraken heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) overwogen dat Europese wetgeving altijd voorrang heeft op nationale wetgeving. Het niet in acht nemen van deze voorrangsregel, is een ambtsmisdrijf. Een rechtelijke instantie dient in een geval als het onderhavige op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VwEU) een prejudiciële vraag te stellen aan van het HvJEU.
9. Voor zover de betrokkene zich op het standpunt stelt dat de wegbeheerder ter plaatse het gebruik van het voertuig op de openbare weg niet mag beperken, is dat niet juist. De regelgever heeft de wegbeheerder immers bevoegdheden toegekend om voor het gebruik van een voertuig op de openbare weg nadere regels te stellen. Dat deze bevoegdheden evident in strijd zijn met rechtstreeks werkende bepalingen van Europees recht, is het hof in deze zaak niet gebleken. Gelet hierop bestaat ook geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen in deze zaak. De gronden falen.
10. Het hof zal als volgt beslissen.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Eskandari als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.