Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-11-21
ECLI:NL:GHARL:2024:7181
Strafrecht
Hoger beroep
3,616 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001589-21
Uitspraak d.d.: 21 november 2024
TEGENSPRAAK
Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 23 maart 2021 met parketnummer 18-213849-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1982,
wonende te [adres 1] .
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis en veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. De schriftelijke vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. T. Scheffer, naar voren is gebracht, strekkende tot algehele vrijspraak van verdachte.
Tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken, dat het onderzoek niet volledig is geweest, aangezien het hof - naar aanleiding van voorwaardelijke verzoeken daartoe van de verdediging - het noodzakelijk acht dat:
- ter terechtzitting van het hof als getuige wordt gehoord:
(medeverdachte) [medeverdachte] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1965, thans verblijvende in P.I. [penitentiaire inrichting] ;
- door de (gedelegeerd) raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, als getuige wordt gehoord:
[getuige 1] , geboren op [geboortedag 3] 1983, met als laatst bekende adres blijkens het politiedossier [adres 2] .
Om die reden zal het hof het onderzoek ter terechtzitting heropenen.
Naast bovengenoemde getuigen heeft de verdediging ter terechtzitting van het hof verzocht mevrouw [getuige 2] te horen als getuige in verband met de schriftelijke verklaring van mevrouw [getuige 2] die de verdediging ter terechtzitting aan het hof (digitaal) heeft overgelegd. Het hof is van oordeel dat er geen noodzaak bestaat tot het horen van deze getuige ter beantwoording van de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv op dezelfde grond zoals gegeven bij de afwijzende beslissing op dit eerder gedane verzoek ter terechtzitting van 7 november 2024. Het hof wijst dit verzoek dus af.
Voorts heeft de verdediging ter terechtzitting van het hof verzocht om de heer [getuige 3] te horen als getuige. De verdediging wenst [getuige 3] te horen met betrekking tot de feitelijke gang van zaken rondom het schip [schip] in relatie tot de in deze zaak ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd de verklaring van verdachte dat het schip [schip] ten tijde van de inbeslagname van het schip door de curator al driekwart jaar feitelijk in het bezit was van [getuige 3] , alsmede dat [getuige 3] veel tijd en geld in het schip had gestoken.
Het hof overweegt dat, hoewel (de brand op) het schip [schip] zijdelings in het dossier naar voren komt, (de brand op) [schip] geen deel uitmaakt van de tenlastegelegde feiten. Met de door de verdediging aan dit verzoek ten grondslag gelegde motivering is het hof bij de huidige stand van zaken van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deze getuige voor beantwoording van de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv onvoldoende is gebleken. Ook dit verzoek wijst het hof af.
Voorts heeft de verdediging ter terechtzitting van het hof nogmaals verzocht
om woordelijke uitwerking van de passage van het tapgesprek met sessienummer [nummer] , vanaf 1 minuut en 30 seconden, waarin volgens de raadsman op de audio-opname te horen is, maar wat niet in de huidige schriftelijke uitwerking in het dossier is opgenomen, dat [medeverdachte] zegt dat [naam] hem de hand boven het hoofd houdt omdat ‘ze’ een paar keer naar hem hebben gevraagd. Vervolgens wordt dit onderwerp snel afgekapt door te zeggen dat ze het daar niet over hoeven te hebben, aldus de verdediging.
Het hof is van oordeel dat ter beantwoording van de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv er geen noodzaak bestaat tot uitwerking van voornoemde passage van voornoemd tapgesprek op dezelfde grond zoals gegeven bij de afwijzende beslissing op dit eerder gedane verzoek ter terechtzitting van 7 november 2024. Het hof wijst dit verzoek eveneens af.
Tot slot overweegt het hof over de vordering van de advocaat-generaal tot gevangenneming van verdachte, dat de advocaat-generaal heeft verzocht om bij eindarrest een beslissing te nemen op deze vordering. Nu het hof het onderzoek ter terechtzitting zal heropenen en nog geen eindarrest zal wijzen, zal het hof vooralsnog niet beslissen op deze vordering gevangenneming. De beslissing op deze vordering zal worden aangehouden tot aan de uitspraak van het hof bij eindarrest.
Dictum
Het hof:
Heropent het onderzoek.
Wijst af de verzoeken van de verdediging tot het horen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] en het verzoek tot woordelijke uitwerking van het tapgesprek met sessienummer [nummer] .
Stelt de stukken in handen van de (gedelegeerd) raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof teneinde als getuige te horen:
- [getuige 1], geboren op [geboortedag 3] 1983, met als laatst bekende adres blijkens het politiedossier [adres 2] .
Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nader te bepalen terechtzitting.
Bepaalt dat tijdens de nader te bepalen terechtzitting zal worden gehoord als getuige:
- [medeverdachte], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1965, thans verblijvende in P.I. [penitentiaire inrichting] .
Houdt aan de beslissing op de vordering tot gevangenneming van verdachte tot aan de uitspraak van het hof bij eindarrest.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de verdachte.
Beveelt de oproeping van de getuige [medeverdachte] tegen het nader te bepalen tijdstip.
Beveelt de oproeping van de het slachtoffer [slachtoffer] tegen het nader te bepalen tijdstip.
Aldus gewezen door
mr. G.A. Versteeg, voorzitter,
mr. E.W. van Weringh en mr. L. Pieters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.B. Haak, griffier,
en op 21 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001589-21
Uitspraak d.d.: 21 november 2024
TEGENSPRAAK
Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 23 maart 2021 met parketnummer 18-213849-20 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1982,
wonende te [adres 1] .
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 november 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis en veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren. De schriftelijke vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. T. Scheffer, naar voren is gebracht, strekkende tot algehele vrijspraak van verdachte.
Tijdens de beraadslaging in raadkamer is gebleken, dat het onderzoek niet volledig is geweest, aangezien het hof - naar aanleiding van voorwaardelijke verzoeken daartoe van de verdediging - het noodzakelijk acht dat:
- ter terechtzitting van het hof als getuige wordt gehoord:
(medeverdachte) [medeverdachte] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1965, thans verblijvende in P.I. [penitentiaire inrichting] ;
- door de (gedelegeerd) raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof, als getuige wordt gehoord:
[getuige 1] , geboren op [geboortedag 3] 1983, met als laatst bekende adres blijkens het politiedossier [adres 2] .
Om die reden zal het hof het onderzoek ter terechtzitting heropenen.
Naast bovengenoemde getuigen heeft de verdediging ter terechtzitting van het hof verzocht mevrouw [getuige 2] te horen als getuige in verband met de schriftelijke verklaring van mevrouw [getuige 2] die de verdediging ter terechtzitting aan het hof (digitaal) heeft overgelegd. Het hof is van oordeel dat er geen noodzaak bestaat tot het horen van deze getuige ter beantwoording van de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv op dezelfde grond zoals gegeven bij de afwijzende beslissing op dit eerder gedane verzoek ter terechtzitting van 7 november 2024. Het hof wijst dit verzoek dus af.
Voorts heeft de verdediging ter terechtzitting van het hof verzocht om de heer [getuige 3] te horen als getuige. De verdediging wenst [getuige 3] te horen met betrekking tot de feitelijke gang van zaken rondom het schip [schip] in relatie tot de in deze zaak ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd de verklaring van verdachte dat het schip [schip] ten tijde van de inbeslagname van het schip door de curator al driekwart jaar feitelijk in het bezit was van [getuige 3] , alsmede dat [getuige 3] veel tijd en geld in het schip had gestoken.
Het hof overweegt dat, hoewel (de brand op) het schip [schip] zijdelings in het dossier naar voren komt, (de brand op) [schip] geen deel uitmaakt van de tenlastegelegde feiten. Met de door de verdediging aan dit verzoek ten grondslag gelegde motivering is het hof bij de huidige stand van zaken van oordeel dat de noodzaak tot het horen van deze getuige voor beantwoording van de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv onvoldoende is gebleken. Ook dit verzoek wijst het hof af.
Voorts heeft de verdediging ter terechtzitting van het hof nogmaals verzocht
om woordelijke uitwerking van de passage van het tapgesprek met sessienummer [nummer] , vanaf 1 minuut en 30 seconden, waarin volgens de raadsman op de audio-opname te horen is, maar wat niet in de huidige schriftelijke uitwerking in het dossier is opgenomen, dat [medeverdachte] zegt dat [naam] hem de hand boven het hoofd houdt omdat ‘ze’ een paar keer naar hem hebben gevraagd. Vervolgens wordt dit onderwerp snel afgekapt door te zeggen dat ze het daar niet over hoeven te hebben, aldus de verdediging.
Het hof is van oordeel dat ter beantwoording van de vragen als bedoeld in de artikelen 348 en 350 Sv er geen noodzaak bestaat tot uitwerking van voornoemde passage van voornoemd tapgesprek op dezelfde grond zoals gegeven bij de afwijzende beslissing op dit eerder gedane verzoek ter terechtzitting van 7 november 2024. Het hof wijst dit verzoek eveneens af.
Tot slot overweegt het hof over de vordering van de advocaat-generaal tot gevangenneming van verdachte, dat de advocaat-generaal heeft verzocht om bij eindarrest een beslissing te nemen op deze vordering. Nu het hof het onderzoek ter terechtzitting zal heropenen en nog geen eindarrest zal wijzen, zal het hof vooralsnog niet beslissen op deze vordering gevangenneming. De beslissing op deze vordering zal worden aangehouden tot aan de uitspraak van het hof bij eindarrest.
Dictum
Het hof:
Heropent het onderzoek.
Wijst af de verzoeken van de verdediging tot het horen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] en het verzoek tot woordelijke uitwerking van het tapgesprek met sessienummer [nummer] .
Stelt de stukken in handen van de (gedelegeerd) raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit hof teneinde als getuige te horen:
- [getuige 1], geboren op [geboortedag 3] 1983, met als laatst bekende adres blijkens het politiedossier [adres 2] .
Bepaalt dat het onderzoek zal worden hervat tegen een nader te bepalen terechtzitting.
Bepaalt dat tijdens de nader te bepalen terechtzitting zal worden gehoord als getuige:
- [medeverdachte], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 1965, thans verblijvende in P.I. [penitentiaire inrichting] .
Houdt aan de beslissing op de vordering tot gevangenneming van verdachte tot aan de uitspraak van het hof bij eindarrest.
Beveelt de oproeping van de verdachte tegen het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsman van de verdachte.
Beveelt de oproeping van de getuige [medeverdachte] tegen het nader te bepalen tijdstip.
Beveelt de oproeping van de het slachtoffer [slachtoffer] tegen het nader te bepalen tijdstip.
Aldus gewezen door
mr. G.A. Versteeg, voorzitter,
mr. E.W. van Weringh en mr. L. Pieters, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. M.B. Haak, griffier,
en op 21 november 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.