Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-10-04
ECLI:NL:GHARL:2024:6853
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,082 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001486-24
Uitspraak d.d.: 4 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 26 maart 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-029957-24 en 16-031310-23, 16-267279-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
wonende te [adres]
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 oktober 2024.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Ingevolge artikel 410, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen.
De officier van justitie heeft op 2 april 2024, en derhalve tijdig, hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis. Eerst op 6 mei 2024, en derhalve niet binnen voormelde termijn van veertien dagen, heeft de officier van justitie een schriftuur houdende grieven ingediend.
Ingevolge artikel 416, derde lid, Sv kan, indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Sv is ingediend, het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan het niet tijdig indienen van een zodanige schriftuur kunnen in beginsel dezelfde gevolgen worden verbonden als aan het in het geheel niet indienen ervan.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in het hoger beroep. Hiertoe heeft hij – kort samengevat – aangevoerd dat de inhoud van de appelschriftuur duidelijk maakt op welke gronden de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld. Daarnaast speelt mee dat het tijdstip – er is sprake van een geringe termijnoverschrijding – van het indienen van de appelschriftuur in deze zaak geen beletsel vormt voor een goede voorbereiding van de behandeling op de terechtzitting. Ten slotte maakt de aard van de zaak dat het belang – voor zowel de maatschappij als de slachtoffers – van de strafzaak dient te prevaleren boven het belang van sanctionering van het gewraakte verzuim.
Het hof stelt voorop dat van de officier van justitie mag worden gevergd dat hij de bij wet voorgeschreven termijnen naleeft. Gelet op de omstandigheden in de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om tijdig een appelschriftuur in te dienen, prevaleert boven het belang – ook maatschappelijk gezien – van de behandeling van het hoger beroep.
Daarom zal de officier van justitie, gelet op het bepaalde in artikel 416, derde lid, Sv niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. F.E.J. Goffin, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. E. Pennink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,
en op 4 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-001486-24
Uitspraak d.d.: 4 oktober 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 26 maart 2024 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 16-029957-24 en 16-031310-23, 16-267279-23, tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
wonende te [adres]
Het hoger beroep
De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 4 oktober 2024.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman, mr. M.H.H. Meulemeesters, naar voren is gebracht.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Ingevolge artikel 410, eerste lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) dient de officier van justitie binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen.
De officier van justitie heeft op 2 april 2024, en derhalve tijdig, hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis. Eerst op 6 mei 2024, en derhalve niet binnen voormelde termijn van veertien dagen, heeft de officier van justitie een schriftuur houdende grieven ingediend.
Ingevolge artikel 416, derde lid, Sv kan, indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Sv is ingediend, het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard. Aan het niet tijdig indienen van een zodanige schriftuur kunnen in beginsel dezelfde gevolgen worden verbonden als aan het in het geheel niet indienen ervan.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in het hoger beroep. Hiertoe heeft hij – kort samengevat – aangevoerd dat de inhoud van de appelschriftuur duidelijk maakt op welke gronden de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld. Daarnaast speelt mee dat het tijdstip – er is sprake van een geringe termijnoverschrijding – van het indienen van de appelschriftuur in deze zaak geen beletsel vormt voor een goede voorbereiding van de behandeling op de terechtzitting. Ten slotte maakt de aard van de zaak dat het belang – voor zowel de maatschappij als de slachtoffers – van de strafzaak dient te prevaleren boven het belang van sanctionering van het gewraakte verzuim.
Het hof stelt voorop dat van de officier van justitie mag worden gevergd dat hij de bij wet voorgeschreven termijnen naleeft. Gelet op de omstandigheden in de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie om tijdig een appelschriftuur in te dienen, prevaleert boven het belang – ook maatschappelijk gezien – van de behandeling van het hoger beroep.
Daarom zal de officier van justitie, gelet op het bepaalde in artikel 416, derde lid, Sv niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Dictum
Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Aldus gewezen door
mr. F.E.J. Goffin, voorzitter,
mr. O. Anjewierden en mr. E. Pennink, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,
en op 4 oktober 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.