Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-11-07
ECLI:NL:GHARL:2024:6841
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
6,200 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.346.074/01 en 200.346.074/02
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 580649 en 580654)
beschikking van 7 november 2024
in de zaak van
[verzoeker]
die verblijft [plaats1]
verzoeker in hoger beroep
hierna: [verzoeker]
advocaat: mr. M. Rotgans
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd en Gezinsbeschermers
gevestigd in Amsterdam
hierna: de GI.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder]
die woont in [woonplaats1]
hierna: de moeder
en
[de vader]
de woont in [woonplaats1]
hierna: de vader.
Procesverloop
1.1.
[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de kinderrechter) van 3 september 2024 en 11 september 2024. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 september 2024
een journaalbericht van mr. Rotgans van 3 oktober 2024 met een productie;
een e-mail van de Raad voor de Kinderbescherming van 9 oktober 2024;
een brief van de GI van 15 oktober 2024 en
brieven van mr. Rotgans van 21 en 22 oktober 2024, beide met een productie.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 24 oktober 2024 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
[verzoeker] met zijn advocaat
de moeder, met haar begeleidster van [naam1] , [naam2]
de vader en
[naam3] en [naam4] van de GI.
2De kern van zaak
2.1.
[verzoeker] is geboren [in] 2011 in [plaats2] . Zijn ouders zijn met het ouderlijk gezag over hem belast. [verzoeker] verblijft in [plaats1] op een behandelgroep van [naam5] . De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 2 juli 2024 de ondertoezichtstelling van [verzoeker] verlengd tot 13 juli 2025. Bij die beslissing is ook de machtiging verlengd [verzoeker] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 13 juli 2025.
2.2.
De GI heeft op 3 september 2024 een spoedmachtiging verzocht om [verzoeker] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van vier weken en ook verzocht om aansluitend een machtiging te verlenen voor verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vijf maanden. De gedragswetenschapper ( [naam6] ) heeft met de machtigingen ingestemd (zie instemmingsverklaringen van respectievelijk 6 en 9 september 2024, producties 6 en 7 bij het hoger beroepschrift).
2.3.
In de beschikking van 3 september 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend om [verzoeker] op te nemen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, met ingang van 3 september 2024 voor de duur van vier weken, dus tot 1 oktober 2024. Voor het overige heeft de kinderrechter de behandeling van het verzoek aangehouden tot 11 september 2024. In de beschikking van 11 september 2024 is aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van vijf maanden (1 oktober 2024 tot 1 maart 2025).
2.4.
[verzoeker] komt in hoger beroep van beide uitspraken. Hij verzoekt het hof om de beschikking van 3 september 2024 en de beschikking van 11 september 2024 te vernietigen en te bepalen dat:
in het incident
de bij voorraad uitvoerbaar verklaarde beschikkingen ter zake van de plaatsing gesloten jeugdhulp worden geschorst;
in hoger beroep
primair afwijzing van beide machtigingen,
subsidiair toewijzing van beide machtigingen voor maximaal twee maanden,
meer subsidiair dat het hof een beslissing neemt die het hof in het belang van [verzoeker] vindt.
2.5.
De GI voert verweer. Zij vindt dat de beschikkingen moeten worden bekrachtigd.
2.6.
Ook de moeder voert verweer. Zij is het niet eens met de verleende machtigingen en meent dat [verzoeker] bij haar kan wonen. Mocht het hof menen dat [verzoeker] (nog) niet naar huis kan, dan is een verblijf van [verzoeker] in een open setting aangewezen. Wonen op een gesloten groep is niet in zijn belang en valt op grond van zijn gedragingen ook niet te verdedigen.
Motivering
ontvankelijkheid
3.1.
[verzoeker] is ontvankelijk in zijn hoger beroep op grond van artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw).
machtiging gesloten jeugdhulp (bodemprocedure onder zaaknummer 200.346.074/01)
3.2.
De kinderrechter kan een machtiging verlenen om de jeugdige op te nemen in een gesloten accommodatie. De kinderrechter kan die machtiging alleen verlenen als:
onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, of een ernstig vermoeden daarvan, en
de opname noodzakelijk is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken (artikel 6.1.3 Jw).
3.3.
De periode waarvoor de spoedmachtiging is verleend is op 1 oktober 2024 verstreken. Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel mocht worden gegeven. De bij beschikking van 11 september 2024 verleende machtiging loopt tot 1 maart 2025.
3.4.
[verzoeker] heeft al veel nare dingen meegemaakt in zijn leven. Hij is op jonge leeftijd uithuisgeplaatst. Op 19 december 2019 wordt hij in een crisisgroep van [naam5] in [plaats1] geplaatst. Sindsdien verblijft hij op een groep bij [naam5] .
3.5.
Uit de stukken blijkt ook dat [verzoeker] traumatische ervaringen heeft opgedaan. Hij is opgegroeid onder instabiele en voor een kind onveilige omstandigheden, waarbij hij huiselijk geweld, middelengebruik van ouders, wisselingen in verblijfplaats en andere spanningsvolle situaties heeft meegemaakt. Eerder is gesproken van een belaste hechtingsontwikkeling en de actuele ontregelde situatie lijkt daar bij te passen. [verzoeker] onttrekt zich aan het toezicht en de begeleiding met agressief gedrag en door weg te lopen. Hij onttrekt zich aan regels en behandeling en komt meerdere keren tot normoverschrijdend (delict)gedrag en politiecontacten.
Minder ingrijpende methoden zoals het bieden van individuele begeleiding binnen de open woonsetting en inzet van maatregelen om wegloopgedrag te voorkomen, zijn ontoereikend gebleken om de situatie van [verzoeker] te stabiliseren. Door de aanhoudende en in frequentie toenemende incidenten kan [verzoeker] niet profiteren van de begeleiding binnen de leefgroep, kan de ontstane crisis niet kalmeren en wordt ook de ontwikkelingsbelemmering niet verminderd. Kortom, [verzoeker] uit zijn gevoelens met ongewenst en opstandig gedrag dat hij vaak moeilijk zelf kan reguleren.
3.6.
Er was sprake van escalatie op de groep in de open setting en het ging steeds slechter met [verzoeker] . De ingreep, het plaatsen van [verzoeker] in een gesloten setting op basis van de spoedmachtiging, was op dat moment nodig en dus gerechtvaardigd. Op dit moment is [verzoeker] relatief rustig op de groep en zijn de omstandigheden zodanig dat een Verklarende Analyse gemaakt kan worden. Aan de hand daarvan kan worden bepaald welke hulpverlening het beste kan worden ingezet. Daarna kan ook een perspectiefbepaling plaatsvinden. Met het perspectiefonderzoek kan gerichter worden gekeken naar een zo passend mogelijke plek voor [verzoeker] om te verblijven en op te groeien naar volwassenheid.
Wanneer [verzoeker] nu eerst weer zou worden verplaatst naar een andere plek (een open setting), zou dat betekenen dat hij daar eerst weer moet stabiliseren. Pas daarna kan dan begonnen worden aan de Verklarende Analyse en dat zou betekenen dat ook de inzet van hulpverlening wordt vertraagd.
De GI heeft ter zitting verklaard dat [verzoeker] niet langer dan nodig in een gesloten setting geplaatst blijft. Desgevraagd heeft de GI gezegd dat het perspectiefonderzoek - ook - kan starten nadat [verzoeker] is overgeplaatst van een gesloten naar een open plek.
Kortom, het is in het belang van [verzoeker] om op dit moment gesloten geplaatst te zijn maar dat verblijf hoeft niet langer te duren dan nodig is om een Verklarende Analyse te krijgen.
3.7.
Dat wat het hof hiervoor heeft overwogen leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking van 3 september 2024 zal bekrachtigen. De machtiging gesloten jeugdhulp was noodzakelijk wegens de opgroei- en opvoedingsproblemen van [verzoeker] en vanwege het onttrekken aan de jeugdhulp. Dat was zo gedurende de gehele periode waarvoor deze machtiging is afgegeven.
Ook de daaropvolgende machtiging van 11 september 2024 is terecht gegeven. De ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van [verzoeker] zijn niet weggenomen en de opname is nog noodzakelijk om te voorkomen dat hij zich aan de jeugdhulp onttrekt en om de Verklarende Analyse te kunnen verkrijgen. Ook die beslissing van de kinderrechter blijft – met inachtneming van wat hierna wordt overwogen - in stand (wordt bekrachtigd). Het hof heeft vastgesteld dat een gedragsdeskundige op 9 september 2024 met [verzoeker] heeft gesproken en op diezelfde datum de (tweede) instemmingsverklaring heeft afgegeven (artikel 6.1.2 lid 6 Jw).
Het hof is wel van oordeel dat de machtiging gesloten jeugdhulp in duur verkort moet worden, omdat het hof op grond van de informatie van de GI ter zitting verwacht dat de Verklarende Analyse in een periode van acht weken na heden zal zijn afgerond. Het hof beslist dienovereenkomstig. De beschikking is ingevolge artikel 6.1.12 lid 1 Jw bij voorraad uitvoerbaar.
schorsingsverzoeken (incidenteel verzoek onder zaaknummer 200.346.074/02)
3.8.
Nu het hof in de hoofdzaak een beslissing neemt, heeft [verzoeker] geen belang meer bij een beslissing in het incident. Het hof zal [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaren in zijn schorsingsverzoeken.
Dictum
Het hof:
in het incident (200.346.074/02)
4.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk;
in de hoofdzaak (200.346.074/01)
4.2.
bekrachtigt de beschikking van 3 september 2024;
4.3.
bekrachtigt de beschikking van 11 september 2024, voor zover deze zich uitstrekt over de periode tot 2 januari 2025 (8 weken na heden);
4.4.
vernietigt de beschikking van 11 september 2024 met ingang van 2 januari 2025 en in zoverre opnieuw beschikkende:
4.5.
wijst het verzoek van de GI om een machtiging gesloten jeugdhulp voor [verzoeker] te verlenen met ingang van 2 januari 2025 tot 1 maart 2025 af;
4.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, M.L. van der Bel en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 7 november 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummers gerechtshof 200.346.074/01 en 200.346.074/02
(zaaknummers rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 580649 en 580654)
beschikking van 7 november 2024
in de zaak van
[verzoeker]
die verblijft [plaats1]
verzoeker in hoger beroep
hierna: [verzoeker]
advocaat: mr. M. Rotgans
en
de gecertificeerde instelling De Jeugd en Gezinsbeschermers
gevestigd in Amsterdam
hierna: de GI.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
[de moeder]
die woont in [woonplaats1]
hierna: de moeder
en
[de vader]
de woont in [woonplaats1]
hierna: de vader.
Procesverloop
1.1.
[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de beschikkingen van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de kinderrechter) van 3 september 2024 en 11 september 2024. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 19 september 2024
een journaalbericht van mr. Rotgans van 3 oktober 2024 met een productie;
een e-mail van de Raad voor de Kinderbescherming van 9 oktober 2024;
een brief van de GI van 15 oktober 2024 en
brieven van mr. Rotgans van 21 en 22 oktober 2024, beide met een productie.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 24 oktober 2024 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
[verzoeker] met zijn advocaat
de moeder, met haar begeleidster van [naam1] , [naam2]
de vader en
[naam3] en [naam4] van de GI.
2De kern van zaak
2.1.
[verzoeker] is geboren [in] 2011 in [plaats2] . Zijn ouders zijn met het ouderlijk gezag over hem belast. [verzoeker] verblijft in [plaats1] op een behandelgroep van [naam5] . De kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij beschikking van 2 juli 2024 de ondertoezichtstelling van [verzoeker] verlengd tot 13 juli 2025. Bij die beslissing is ook de machtiging verlengd [verzoeker] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 13 juli 2025.
2.2.
De GI heeft op 3 september 2024 een spoedmachtiging verzocht om [verzoeker] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te doen opnemen en te doen verblijven voor de duur van vier weken en ook verzocht om aansluitend een machtiging te verlenen voor verblijf in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vijf maanden. De gedragswetenschapper ( [naam6] ) heeft met de machtigingen ingestemd (zie instemmingsverklaringen van respectievelijk 6 en 9 september 2024, producties 6 en 7 bij het hoger beroepschrift).
2.3.
In de beschikking van 3 september 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend om [verzoeker] op te nemen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp, met ingang van 3 september 2024 voor de duur van vier weken, dus tot 1 oktober 2024. Voor het overige heeft de kinderrechter de behandeling van het verzoek aangehouden tot 11 september 2024. In de beschikking van 11 september 2024 is aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verleend voor de duur van vijf maanden (1 oktober 2024 tot 1 maart 2025).
2.4.
[verzoeker] komt in hoger beroep van beide uitspraken. Hij verzoekt het hof om de beschikking van 3 september 2024 en de beschikking van 11 september 2024 te vernietigen en te bepalen dat:
in het incident
de bij voorraad uitvoerbaar verklaarde beschikkingen ter zake van de plaatsing gesloten jeugdhulp worden geschorst;
in hoger beroep
primair afwijzing van beide machtigingen,
subsidiair toewijzing van beide machtigingen voor maximaal twee maanden,
meer subsidiair dat het hof een beslissing neemt die het hof in het belang van [verzoeker] vindt.
2.5.
De GI voert verweer. Zij vindt dat de beschikkingen moeten worden bekrachtigd.
2.6.
Ook de moeder voert verweer. Zij is het niet eens met de verleende machtigingen en meent dat [verzoeker] bij haar kan wonen. Mocht het hof menen dat [verzoeker] (nog) niet naar huis kan, dan is een verblijf van [verzoeker] in een open setting aangewezen. Wonen op een gesloten groep is niet in zijn belang en valt op grond van zijn gedragingen ook niet te verdedigen.
Motivering
ontvankelijkheid
3.1.
[verzoeker] is ontvankelijk in zijn hoger beroep op grond van artikel 6.1.1 lid 2 van de Jeugdwet (Jw).
machtiging gesloten jeugdhulp (bodemprocedure onder zaaknummer 200.346.074/01)
3.2.
De kinderrechter kan een machtiging verlenen om de jeugdige op te nemen in een gesloten accommodatie. De kinderrechter kan die machtiging alleen verlenen als:
onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, of een ernstig vermoeden daarvan, en
de opname noodzakelijk is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken (artikel 6.1.3 Jw).
3.3.
De periode waarvoor de spoedmachtiging is verleend is op 1 oktober 2024 verstreken. Toch moet het hof nog toetsen of de machtiging wel mocht worden gegeven. De bij beschikking van 11 september 2024 verleende machtiging loopt tot 1 maart 2025.
3.4.
[verzoeker] heeft al veel nare dingen meegemaakt in zijn leven. Hij is op jonge leeftijd uithuisgeplaatst. Op 19 december 2019 wordt hij in een crisisgroep van [naam5] in [plaats1] geplaatst. Sindsdien verblijft hij op een groep bij [naam5] .
3.5.
Uit de stukken blijkt ook dat [verzoeker] traumatische ervaringen heeft opgedaan. Hij is opgegroeid onder instabiele en voor een kind onveilige omstandigheden, waarbij hij huiselijk geweld, middelengebruik van ouders, wisselingen in verblijfplaats en andere spanningsvolle situaties heeft meegemaakt. Eerder is gesproken van een belaste hechtingsontwikkeling en de actuele ontregelde situatie lijkt daar bij te passen. [verzoeker] onttrekt zich aan het toezicht en de begeleiding met agressief gedrag en door weg te lopen. Hij onttrekt zich aan regels en behandeling en komt meerdere keren tot normoverschrijdend (delict)gedrag en politiecontacten.
Minder ingrijpende methoden zoals het bieden van individuele begeleiding binnen de open woonsetting en inzet van maatregelen om wegloopgedrag te voorkomen, zijn ontoereikend gebleken om de situatie van [verzoeker] te stabiliseren. Door de aanhoudende en in frequentie toenemende incidenten kan [verzoeker] niet profiteren van de begeleiding binnen de leefgroep, kan de ontstane crisis niet kalmeren en wordt ook de ontwikkelingsbelemmering niet verminderd. Kortom, [verzoeker] uit zijn gevoelens met ongewenst en opstandig gedrag dat hij vaak moeilijk zelf kan reguleren.
3.6.
Er was sprake van escalatie op de groep in de open setting en het ging steeds slechter met [verzoeker] . De ingreep, het plaatsen van [verzoeker] in een gesloten setting op basis van de spoedmachtiging, was op dat moment nodig en dus gerechtvaardigd. Op dit moment is [verzoeker] relatief rustig op de groep en zijn de omstandigheden zodanig dat een Verklarende Analyse gemaakt kan worden. Aan de hand daarvan kan worden bepaald welke hulpverlening het beste kan worden ingezet. Daarna kan ook een perspectiefbepaling plaatsvinden. Met het perspectiefonderzoek kan gerichter worden gekeken naar een zo passend mogelijke plek voor [verzoeker] om te verblijven en op te groeien naar volwassenheid.
Wanneer [verzoeker] nu eerst weer zou worden verplaatst naar een andere plek (een open setting), zou dat betekenen dat hij daar eerst weer moet stabiliseren. Pas daarna kan dan begonnen worden aan de Verklarende Analyse en dat zou betekenen dat ook de inzet van hulpverlening wordt vertraagd.
De GI heeft ter zitting verklaard dat [verzoeker] niet langer dan nodig in een gesloten setting geplaatst blijft. Desgevraagd heeft de GI gezegd dat het perspectiefonderzoek - ook - kan starten nadat [verzoeker] is overgeplaatst van een gesloten naar een open plek.
Kortom, het is in het belang van [verzoeker] om op dit moment gesloten geplaatst te zijn maar dat verblijf hoeft niet langer te duren dan nodig is om een Verklarende Analyse te krijgen.
3.7.
Dat wat het hof hiervoor heeft overwogen leidt ertoe dat het hof de bestreden beschikking van 3 september 2024 zal bekrachtigen. De machtiging gesloten jeugdhulp was noodzakelijk wegens de opgroei- en opvoedingsproblemen van [verzoeker] en vanwege het onttrekken aan de jeugdhulp. Dat was zo gedurende de gehele periode waarvoor deze machtiging is afgegeven.
Ook de daaropvolgende machtiging van 11 september 2024 is terecht gegeven. De ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van [verzoeker] zijn niet weggenomen en de opname is nog noodzakelijk om te voorkomen dat hij zich aan de jeugdhulp onttrekt en om de Verklarende Analyse te kunnen verkrijgen. Ook die beslissing van de kinderrechter blijft – met inachtneming van wat hierna wordt overwogen - in stand (wordt bekrachtigd). Het hof heeft vastgesteld dat een gedragsdeskundige op 9 september 2024 met [verzoeker] heeft gesproken en op diezelfde datum de (tweede) instemmingsverklaring heeft afgegeven (artikel 6.1.2 lid 6 Jw).
Het hof is wel van oordeel dat de machtiging gesloten jeugdhulp in duur verkort moet worden, omdat het hof op grond van de informatie van de GI ter zitting verwacht dat de Verklarende Analyse in een periode van acht weken na heden zal zijn afgerond. Het hof beslist dienovereenkomstig. De beschikking is ingevolge artikel 6.1.12 lid 1 Jw bij voorraad uitvoerbaar.
schorsingsverzoeken (incidenteel verzoek onder zaaknummer 200.346.074/02)
3.8.
Nu het hof in de hoofdzaak een beslissing neemt, heeft [verzoeker] geen belang meer bij een beslissing in het incident. Het hof zal [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaren in zijn schorsingsverzoeken.
Dictum
Het hof:
in het incident (200.346.074/02)
4.1.
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk;
in de hoofdzaak (200.346.074/01)
4.2.
bekrachtigt de beschikking van 3 september 2024;
4.3.
bekrachtigt de beschikking van 11 september 2024, voor zover deze zich uitstrekt over de periode tot 2 januari 2025 (8 weken na heden);
4.4.
vernietigt de beschikking van 11 september 2024 met ingang van 2 januari 2025 en in zoverre opnieuw beschikkende:
4.5.
wijst het verzoek van de GI om een machtiging gesloten jeugdhulp voor [verzoeker] te verlenen met ingang van 2 januari 2025 tot 1 maart 2025 af;
4.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, M.L. van der Bel en J.U.M. van der Werff, bijgestaan door mr. G.J. Heuvelink als griffier, en is op 7 november 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.