Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-10-29
ECLI:NL:GHARL:2024:6741
Civiel recht
Hoger beroep
2,446 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.343.385/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 234145
arrest van 29 oktober 2024
in de zaak van
[appellant]
,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de voorzieningenrechter optrad als gedaagde,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. M. Helmantel te Sappemeer,
tegen
[geïntimeerde]
,
die woont in [woonplaats2] ,
en bij de voorzieningenrechter optrad als eiseres,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. F. Hofstra te Leeuwarden.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
[appellant] heeft bij exploot van 4 juli 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 7 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2
[geïntimeerde] heeft op 8 juli 2024 een anticipatie-exploot laten betekenen waarbij [appellant] is aangezegd dat de zaak zal worden aangebracht op de rolzitting van 16 juli 2024 van het hof. [geïntimeerde] heeft daaraan uitvoering gegeven, waarna voor partijen procesvertegenwoordigers zijn gesteld.
1.3
Vervolgens heeft [appellant] een termijn gekregen tot 13 augustus 2024 voor het indienen van de memorie van grieven. Op 13 augustus 2024 heeft [appellant] geen memorie van grieven genomen, maar via een H8-formulier de mededeling aan het hof gedaan dat [appellant] het hoger beroep om hem moverende redenen wenst in te trekken.
1.4
[geïntimeerde] heeft in een brief van 11 september 2024 bezwaar gemaakt tegen het eenzijdige verzoek tot intrekking van de zaak en verzoekt het hof [appellant] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
1.5
Op 13 september 2024 heeft het hof een H16-formulier van [appellant] ontvangen (wat zij op 22 oktober 2024 nogmaals aan het hof heeft gezonden) waarin hij bezwaar maakt tegen het verzoek van [geïntimeerde] om hem te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Gelet op de aard van de zaak zouden volgens hem de kosten gecompenseerd moeten worden.
Beoordeling
2.1
Een intrekking en doorhaling van de zaak op eenzijdig verzoek (van in dit geval [appellant] ) is niet mogelijk. Uit de mededeling dat hij het hoger beroep wil intrekken en het niet indienen van de memorie grieven volgt dat het hoger beroep niet voldoende is gemotiveerd en niet is voorzien van voldoende gepreciseerde en onderbouwde klachten tegen het vonnis van 7 juni 2024. Omdat niet is gebleken dat dat vonnis in strijd is met rechtsregels die van openbare orde zijn, zal [appellant] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.
2.2
Het hof zal het verzoek van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep afwijzen en die kosten tussen partijen compenseren. Het hof overweegt daartoe als volgt.
2.3
In procedures tussen partijen die een (affectieve) relatie met elkaar hebben gehad is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt (in dagvaardingsprocedures op grond van artikel 237 Rv in samenhang met artikel 353 Rv). De redelijkheid en billijkheid brengen met zich dat niet te snel tot een kostenveroordeling van een van de partijen wordt overgegaan. Toch kunnen zich ook in familierechtelijke zaken gevallen voordoen, waarbij een proceskostenveroordeling redelijk en billijk is. Dat is het geval indien sprake is van het evident nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij.
2.4
Niet is gesteld of gebleken dat [appellant] [geïntimeerde] evident nodeloos in rechte heeft betrokken. In het feit dat [appellant] het hoger beroep eenzijdig ingetrokken, ziet het hof, mede gelet op de aard van de zaak, geen aanleiding om hem te veroordelen in de proceskosten van [geïntimeerde] .
Dictum
Het hof:
3.1
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 7 juni 2024;
3.2
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, W.F. Boele en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.343.385/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 234145
arrest van 29 oktober 2024
in de zaak van
[appellant]
,
die woont in [woonplaats1] ,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de voorzieningenrechter optrad als gedaagde,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. M. Helmantel te Sappemeer,
tegen
[geïntimeerde]
,
die woont in [woonplaats2] ,
en bij de voorzieningenrechter optrad als eiseres,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. F. Hofstra te Leeuwarden.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
[appellant] heeft bij exploot van 4 juli 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, op 7 juni 2024 tussen partijen heeft uitgesproken.
1.2
[geïntimeerde] heeft op 8 juli 2024 een anticipatie-exploot laten betekenen waarbij [appellant] is aangezegd dat de zaak zal worden aangebracht op de rolzitting van 16 juli 2024 van het hof. [geïntimeerde] heeft daaraan uitvoering gegeven, waarna voor partijen procesvertegenwoordigers zijn gesteld.
1.3
Vervolgens heeft [appellant] een termijn gekregen tot 13 augustus 2024 voor het indienen van de memorie van grieven. Op 13 augustus 2024 heeft [appellant] geen memorie van grieven genomen, maar via een H8-formulier de mededeling aan het hof gedaan dat [appellant] het hoger beroep om hem moverende redenen wenst in te trekken.
1.4
[geïntimeerde] heeft in een brief van 11 september 2024 bezwaar gemaakt tegen het eenzijdige verzoek tot intrekking van de zaak en verzoekt het hof [appellant] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
1.5
Op 13 september 2024 heeft het hof een H16-formulier van [appellant] ontvangen (wat zij op 22 oktober 2024 nogmaals aan het hof heeft gezonden) waarin hij bezwaar maakt tegen het verzoek van [geïntimeerde] om hem te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Gelet op de aard van de zaak zouden volgens hem de kosten gecompenseerd moeten worden.
Beoordeling
2.1
Een intrekking en doorhaling van de zaak op eenzijdig verzoek (van in dit geval [appellant] ) is niet mogelijk. Uit de mededeling dat hij het hoger beroep wil intrekken en het niet indienen van de memorie grieven volgt dat het hoger beroep niet voldoende is gemotiveerd en niet is voorzien van voldoende gepreciseerde en onderbouwde klachten tegen het vonnis van 7 juni 2024. Omdat niet is gebleken dat dat vonnis in strijd is met rechtsregels die van openbare orde zijn, zal [appellant] niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.
2.2
Het hof zal het verzoek van [geïntimeerde] om [appellant] te veroordelen in de kosten van het hoger beroep afwijzen en die kosten tussen partijen compenseren. Het hof overweegt daartoe als volgt.
2.3
In procedures tussen partijen die een (affectieve) relatie met elkaar hebben gehad is het uitgangspunt dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van de partijen de eigen kosten draagt (in dagvaardingsprocedures op grond van artikel 237 Rv in samenhang met artikel 353 Rv). De redelijkheid en billijkheid brengen met zich dat niet te snel tot een kostenveroordeling van een van de partijen wordt overgegaan. Toch kunnen zich ook in familierechtelijke zaken gevallen voordoen, waarbij een proceskostenveroordeling redelijk en billijk is. Dat is het geval indien sprake is van het evident nodeloos in rechte betrekken van de wederpartij.
2.4
Niet is gesteld of gebleken dat [appellant] [geïntimeerde] evident nodeloos in rechte heeft betrokken. In het feit dat [appellant] het hoger beroep eenzijdig ingetrokken, ziet het hof, mede gelet op de aard van de zaak, geen aanleiding om hem te veroordelen in de proceskosten van [geïntimeerde] .
Dictum
Het hof:
3.1
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 7 juni 2024;
3.2
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.3
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, W.F. Boele en J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2024.