Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-01-25
ECLI:NL:GHARL:2024:655
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
5,040 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.327.460/01
CJIB-nummer
: 252602913
Uitspraak d.d.
: 25 januari 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 21 april 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 september 2022 om 13.32 uur op de A73 links in Sint Odiliënberg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het voor het vaststellen van de gedraging niet nodig was om de persoonsgegevens c.q. afbeelding van het gezicht in het kader van de onderhavige sanctie te verzamelen en op te slaan. Het gezicht hoeft niet op de foto voor het constateren van de gedraging en de sanctie wordt opgelegd aan de kentekenhouder. Deze inmenging in het privéleven is niet toelaatbaar. De gemachtigde wijst op het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286. Een meer specifieke wettelijke grondslag is nodig dan de veel te algemene bepalingen die de kantonrechter en de advocaat-generaal aanhalen, aldus de gemachtigde. De gemachtigde heeft een document van het openbaar ministerie en de politie d.d. 16 augustus 2021 met als titel “ANPR-foto’s en het daarvan te maken gebruik in de opsporing en de bewijsvoering” overgelegd. Het hof begrijpt de gemachtigde zo dat de in het dossier aanwezige foto’s niet voor de vaststelling van de gedraging mogen worden gebruikt.
3. De advocaat-generaal stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen sprake is, nu artikel 3 van de Politiewet 2012 een wettelijke basis voor de geringe schending van de privacy biedt.
4. De advocaat-generaal heeft bij het verweerschrift een document genaamd “Reactie op het verzoek om een voorafgaande raadpleging als bedoeld in artikel 33b lid 4 van de Wpg van Politie Eenheid Midden-Nederland inzake de voorgenomen verwerking inzake de MoNoCam; z2019-12179” overgelegd. Hierin wordt de onderhavige werkwijze als volgt - zakelijk weergegeven - omschreven. De MoNoCam is een camera en betreft een mobiele opstelling. De camera maakt een livestream van voorbijrijdende motorvoertuigen op zodanige wijze dat de inzittenden zichtbaar zijn. Deze livestream wordt getoond op een met de camera verbonden laptop. De beelden worden vervolgens met behulp van software, waarbij gebruik wordt gemaakt van artificial intelligence, geanalyseerd. Als daaruit volgt dat de bestuurder mogelijk een mobiel elektronisch apparaat vasthoudt, wordt door de software een document met vier foto’s van het voertuig opgemaakt, waaronder een foto van het kenteken. Dat document wordt daarna beoordeeld door een ambtenaar. Als de ambtenaar ook concludeert dat de bestuurder een mobiel elektronisch apparaat vasthoudt, terwijl de bestuurder met het voertuig rijdt en derhalve een overtreding begaat, maakt de ambtenaar een bon aan in de zogenaamde Digibon-app op een smartphone. Hierbij wordt door middel van een beveiligde internetverbinding en bestandsuitwisselingsservice het door de MoNoCam gemaakte document gevoegd. De bon met bijlagen wordt ter verdere afhandeling naar het CJIB verzonden via het bestaande verwerkingsproces. In het verweerschrift brengt de advocaat-generaal naar voren dat nadat een tweede ambtenaar onafhankelijk van de eerste ambtenaar eveneens constateert dat er sprake is van een overtreding de ambtenaar de gegevens verstuurt naar het CJIB. Het CJIB verstuurt daarna de inleidende beschikking naar de kentekenhouder van het voertuig.
5. Artikel 159 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt:
“Met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet, zijn belast:
a. de in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen;
b. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, van de Rijks- en de provinciale waterstaat, van de Dienst Wegverkeer en van de verkeersinspecties, een en ander voor zover bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald;
c. de in de artikelen 87 en 89 van de Wet personenvervoer 2000 bedoelde personen, voor zover het betreft de eisen die met betrekking tot voertuigen als bedoeld in die wet worden gesteld bij of krachtens deze wet.”
6. Artikel 3 van de Politiewet 2012 luidt:
“De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.”
7. Artikel 3 van de Wahv luidt:
“1. Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maartregel van bestuur aangewezen ambtenaren.
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen”.
8. In artikel 8 van het EVRM is neergelegd:
“1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
9. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van inmenging in de uitoefening van het recht van de bestuurster op respect voor haar privéleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM is van belang dat in de onderhavige zaak sprake is van het met behulp van een camerasysteem vastleggen op foto’s van de bestuurster, het voertuig en het kenteken van het voertuig. Het hof is gelet op gehanteerde werkwijze die hiervoor onder 4. is uiteengezet van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van inmenging in de uitoefening van het recht van de bestuurster op respect voor haar privéleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM (vgl. het arrest van het hof van 20 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9905).
10. Artikel 8, tweede lid, van het EVRM schrijft voor dat, indien een inmenging aan de orde is, deze bij wet moet zijn voorzien en noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. Het hof is van oordeel dat de inmenging in de uitoefening van het recht van de bestuurster op respect voor haar privéleven in casu toelaatbaar is. In artikel 3 van de Politiewet 2012 en artikel 159 van de Wegenverkeerswet 1994 is een toereikende wettelijke grondslag aanwezig. Het gebruik en de verwerking van de onderhavige gegevens is in dit geval gebaseerd op de algemene controletaak van de politie (vgl. voormeld arrest van het hof van 20 oktober 2021). De desbetreffende inmenging is noodzakelijk ter opsporing van bestuurders die tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden. Aangezien bestuurders mobiele elektronische apparaten veelal dichtbij hun gezicht en in het bijzonder hun oren en/of mond vasthouden, is het niet goed mogelijk de gedraging vast te stellen zonder het gezicht van de bestuurder in beeld te brengen. Het hof stelt vast dat alleen de bestuurster van het voertuig op de foto’s is te zien. Een eventuele bijrijder is niet te zien doordat een zwart vlak aan de bijrijderskant is aangebracht, zodat de inmenging niet verder gaat dan strikt noodzakelijk voor het vaststellen van de desbetreffende gedraging. De foto’s worden slechts gebruikt voor het vaststellen van de gedraging en niet voor het vaststellen van de identiteit van de bestuurder van het voertuig. De sanctie wordt opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig, hetgeen niet ongebruikelijk is in het kader van de Wahv.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, mr. Van Schuijlenburg en mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.327.460/01
CJIB-nummer
: 252602913
Uitspraak d.d.
: 25 januari 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 21 april 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. C.M.J.E.P. Meerts, kantoorhoudende te Beegden.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, de beslissing van de officier van justitie vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 350,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 september 2022 om 13.32 uur op de A73 links in Sint Odiliënberg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het voor het vaststellen van de gedraging niet nodig was om de persoonsgegevens c.q. afbeelding van het gezicht in het kader van de onderhavige sanctie te verzamelen en op te slaan. Het gezicht hoeft niet op de foto voor het constateren van de gedraging en de sanctie wordt opgelegd aan de kentekenhouder. Deze inmenging in het privéleven is niet toelaatbaar. De gemachtigde wijst op het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:286. Een meer specifieke wettelijke grondslag is nodig dan de veel te algemene bepalingen die de kantonrechter en de advocaat-generaal aanhalen, aldus de gemachtigde. De gemachtigde heeft een document van het openbaar ministerie en de politie d.d. 16 augustus 2021 met als titel “ANPR-foto’s en het daarvan te maken gebruik in de opsporing en de bewijsvoering” overgelegd. Het hof begrijpt de gemachtigde zo dat de in het dossier aanwezige foto’s niet voor de vaststelling van de gedraging mogen worden gebruikt.
3. De advocaat-generaal stelt zich in het verweerschrift op het standpunt dat van schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen sprake is, nu artikel 3 van de Politiewet 2012 een wettelijke basis voor de geringe schending van de privacy biedt.
4. De advocaat-generaal heeft bij het verweerschrift een document genaamd “Reactie op het verzoek om een voorafgaande raadpleging als bedoeld in artikel 33b lid 4 van de Wpg van Politie Eenheid Midden-Nederland inzake de voorgenomen verwerking inzake de MoNoCam; z2019-12179” overgelegd. Hierin wordt de onderhavige werkwijze als volgt - zakelijk weergegeven - omschreven. De MoNoCam is een camera en betreft een mobiele opstelling. De camera maakt een livestream van voorbijrijdende motorvoertuigen op zodanige wijze dat de inzittenden zichtbaar zijn. Deze livestream wordt getoond op een met de camera verbonden laptop. De beelden worden vervolgens met behulp van software, waarbij gebruik wordt gemaakt van artificial intelligence, geanalyseerd. Als daaruit volgt dat de bestuurder mogelijk een mobiel elektronisch apparaat vasthoudt, wordt door de software een document met vier foto’s van het voertuig opgemaakt, waaronder een foto van het kenteken. Dat document wordt daarna beoordeeld door een ambtenaar. Als de ambtenaar ook concludeert dat de bestuurder een mobiel elektronisch apparaat vasthoudt, terwijl de bestuurder met het voertuig rijdt en derhalve een overtreding begaat, maakt de ambtenaar een bon aan in de zogenaamde Digibon-app op een smartphone. Hierbij wordt door middel van een beveiligde internetverbinding en bestandsuitwisselingsservice het door de MoNoCam gemaakte document gevoegd. De bon met bijlagen wordt ter verdere afhandeling naar het CJIB verzonden via het bestaande verwerkingsproces. In het verweerschrift brengt de advocaat-generaal naar voren dat nadat een tweede ambtenaar onafhankelijk van de eerste ambtenaar eveneens constateert dat er sprake is van een overtreding de ambtenaar de gegevens verstuurt naar het CJIB. Het CJIB verstuurt daarna de inleidende beschikking naar de kentekenhouder van het voertuig.
5. Artikel 159 van de Wegenverkeerswet 1994 bepaalt:
“Met de opsporing van de feiten, strafbaar gesteld bij of krachtens deze wet, zijn belast:
a. de in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde personen;
b. de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, van de Rijks- en de provinciale waterstaat, van de Dienst Wegverkeer en van de verkeersinspecties, een en ander voor zover bij die algemene maatregel van bestuur is bepaald;
c. de in de artikelen 87 en 89 van de Wet personenvervoer 2000 bedoelde personen, voor zover het betreft de eisen die met betrekking tot voertuigen als bedoeld in die wet worden gesteld bij of krachtens deze wet.”
6. Artikel 3 van de Politiewet 2012 luidt:
“De politie heeft tot taak in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag en in overeenstemming met de geldende rechtsregels te zorgen voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven.”
7. Artikel 3 van de Wahv luidt:
“1. Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maartregel van bestuur aangewezen ambtenaren.
2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen”.
8. In artikel 8 van het EVRM is neergelegd:
“1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.”
9. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van inmenging in de uitoefening van het recht van de bestuurster op respect voor haar privéleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM is van belang dat in de onderhavige zaak sprake is van het met behulp van een camerasysteem vastleggen op foto’s van de bestuurster, het voertuig en het kenteken van het voertuig. Het hof is gelet op gehanteerde werkwijze die hiervoor onder 4. is uiteengezet van oordeel dat in de onderhavige zaak sprake is van inmenging in de uitoefening van het recht van de bestuurster op respect voor haar privéleven als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het EVRM (vgl. het arrest van het hof van 20 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9905).
10. Artikel 8, tweede lid, van het EVRM schrijft voor dat, indien een inmenging aan de orde is, deze bij wet moet zijn voorzien en noodzakelijk moet zijn in een democratische samenleving. Het hof is van oordeel dat de inmenging in de uitoefening van het recht van de bestuurster op respect voor haar privéleven in casu toelaatbaar is. In artikel 3 van de Politiewet 2012 en artikel 159 van de Wegenverkeerswet 1994 is een toereikende wettelijke grondslag aanwezig. Het gebruik en de verwerking van de onderhavige gegevens is in dit geval gebaseerd op de algemene controletaak van de politie (vgl. voormeld arrest van het hof van 20 oktober 2021). De desbetreffende inmenging is noodzakelijk ter opsporing van bestuurders die tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden. Aangezien bestuurders mobiele elektronische apparaten veelal dichtbij hun gezicht en in het bijzonder hun oren en/of mond vasthouden, is het niet goed mogelijk de gedraging vast te stellen zonder het gezicht van de bestuurder in beeld te brengen. Het hof stelt vast dat alleen de bestuurster van het voertuig op de foto’s is te zien. Een eventuele bijrijder is niet te zien doordat een zwart vlak aan de bijrijderskant is aangebracht, zodat de inmenging niet verder gaat dan strikt noodzakelijk voor het vaststellen van de desbetreffende gedraging. De foto’s worden slechts gebruikt voor het vaststellen van de gedraging en niet voor het vaststellen van de identiteit van de bestuurder van het voertuig. De sanctie wordt opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig, hetgeen niet ongebruikelijk is in het kader van de Wahv.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, mr. Van Schuijlenburg en mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.