Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-10-17
ECLI:NL:GHARL:2024:6444
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
3,160 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.340.463/01
CJIB-nummer
: 250316452
Uitspraak d.d.
: 17 oktober 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “niet zoveel mogelijk rechts houden op een andere weg dan een autoweg of autosnelweg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 juni 2022 om 00.05 uur op de Zuidervaart in Zaandam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig bestond, omdat de ambtenaar niet kon vaststellen wie de bestuurder van het voertuig was. Van de ambtenaar mag een zekere inspanning worden verlangd om te achterhalen wie de bestuurder van het voertuig is. Uit de verklaring van de ambtenaar kan worden opgemaakt dat er in het voertuig drie personen aanwezig waren. De ambtenaar heeft geen nader onderzoek gedaan om te bepalen of de bestuurder van het voertuig aanwezig was. De kantonrechter heeft ten onrechte niet onderkend dat de ambtenaar zelf ervan overtuigd was dat de bestuurder zich in het voertuig bevond, aangezien hij niemand het voertuig heeft zien verlaten en stelt dat de bestuurder van plaats is gewisseld.
3. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De kantonrechter heeft acht geslagen op de in het zaakoverzicht weergegeven verklaring van de ambtenaar waarin de ambtenaar verklaart dat - zakelijk weergegeven - hij het betrokken voertuig constant in het zicht heeft gehad en het voertuig tot stilstand kwam op het trottoir. Hij zag dat het voertuig gesloten bleef en het voertuig heen en weer aan het schudden was terwijl het stilstond. De ambtenaar is naar het voertuig toegelopen en zag dat er een persoon op de bijrijdersstoel zat en twee personen op de achterbank zaten. Hij hoorde de drie personen zeggen dat ene [naam1] zojuist had gereden en was weggerend. De ambtenaar heeft gezien dat er niemand het voertuig is uitgestapt, maar niet gezien wie er heeft gereden.
5. De kantonrechter heeft overwogen dat in dit geval voldoende is gebleken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan. De sanctie kan worden opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het voertuig in het kentekenregister was ingeschreven ten tijde van de gedraging, tenzij direct kan worden vastgesteld wie de bestuurder van het voertuig is waarmee de gedraging is verricht. De ambtenaar heeft uitgebreid en specifiek toegelicht dat en waarom hij niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder van het voertuig is geweest. De sanctie is derhalve naar het oordeel van de kantonrechter terecht opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig.
6. Hetgeen de gemachtigde aanvoert erop neerkomende dat het overwogene van de kantonrechter getuigt van een onjuiste rechtsopvatting betreffende het aanstonds vaststellen van de identiteit van de bestuurder van het voertuig in het kader van artikel 5 van de Wahv faalt. Uit de door de kantonrechter aangehaalde verklaring van de ambtenaar blijkt dat er geen reële mogelijkheid was om de identiteit van de bestuurder van het voertuig aanstonds vast te stellen, nu de drie inzittenden van het betrokken voertuig zich bevonden op de bijrijdersstoel en de achterbank alsmede aangaven dat de bestuurder was weggerend, terwijl de ambtenaar heeft gezien dat er niemand het voertuig is uitgestapt en niet heeft gezien wie de bestuurder was. Gelet hierop heeft de kantonrechter juist geoordeeld dat de sanctie terecht is opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig.
7. Het hof zal, gezien het voorgaande, de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. Het hof komt nu een proceskostenvergoeding niet aan de orde is niet toe aan de grond van de gemachtigde dat de in artikel 13a, vijfde lid (het hof begrijpt: derde en vierde lid) van de Wahv neergelegde maatregel onverbindend is.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.340.463/01
CJIB-nummer
: 250316452
Uitspraak d.d.
: 17 oktober 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 4 april 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “niet zoveel mogelijk rechts houden op een andere weg dan een autoweg of autosnelweg”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 juni 2022 om 00.05 uur op de Zuidervaart in Zaandam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig bestond, omdat de ambtenaar niet kon vaststellen wie de bestuurder van het voertuig was. Van de ambtenaar mag een zekere inspanning worden verlangd om te achterhalen wie de bestuurder van het voertuig is. Uit de verklaring van de ambtenaar kan worden opgemaakt dat er in het voertuig drie personen aanwezig waren. De ambtenaar heeft geen nader onderzoek gedaan om te bepalen of de bestuurder van het voertuig aanwezig was. De kantonrechter heeft ten onrechte niet onderkend dat de ambtenaar zelf ervan overtuigd was dat de bestuurder zich in het voertuig bevond, aangezien hij niemand het voertuig heeft zien verlaten en stelt dat de bestuurder van plaats is gewisseld.
3. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De kantonrechter heeft acht geslagen op de in het zaakoverzicht weergegeven verklaring van de ambtenaar waarin de ambtenaar verklaart dat - zakelijk weergegeven - hij het betrokken voertuig constant in het zicht heeft gehad en het voertuig tot stilstand kwam op het trottoir. Hij zag dat het voertuig gesloten bleef en het voertuig heen en weer aan het schudden was terwijl het stilstond. De ambtenaar is naar het voertuig toegelopen en zag dat er een persoon op de bijrijdersstoel zat en twee personen op de achterbank zaten. Hij hoorde de drie personen zeggen dat ene [naam1] zojuist had gereden en was weggerend. De ambtenaar heeft gezien dat er niemand het voertuig is uitgestapt, maar niet gezien wie er heeft gereden.
5. De kantonrechter heeft overwogen dat in dit geval voldoende is gebleken dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan. De sanctie kan worden opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken van het voertuig in het kentekenregister was ingeschreven ten tijde van de gedraging, tenzij direct kan worden vastgesteld wie de bestuurder van het voertuig is waarmee de gedraging is verricht. De ambtenaar heeft uitgebreid en specifiek toegelicht dat en waarom hij niet heeft kunnen vaststellen wie de bestuurder van het voertuig is geweest. De sanctie is derhalve naar het oordeel van de kantonrechter terecht opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig.
6. Hetgeen de gemachtigde aanvoert erop neerkomende dat het overwogene van de kantonrechter getuigt van een onjuiste rechtsopvatting betreffende het aanstonds vaststellen van de identiteit van de bestuurder van het voertuig in het kader van artikel 5 van de Wahv faalt. Uit de door de kantonrechter aangehaalde verklaring van de ambtenaar blijkt dat er geen reële mogelijkheid was om de identiteit van de bestuurder van het voertuig aanstonds vast te stellen, nu de drie inzittenden van het betrokken voertuig zich bevonden op de bijrijdersstoel en de achterbank alsmede aangaven dat de bestuurder was weggerend, terwijl de ambtenaar heeft gezien dat er niemand het voertuig is uitgestapt en niet heeft gezien wie de bestuurder was. Gelet hierop heeft de kantonrechter juist geoordeeld dat de sanctie terecht is opgelegd aan de kentekenhouder van het voertuig.
7. Het hof zal, gezien het voorgaande, de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen. Het hof komt nu een proceskostenvergoeding niet aan de orde is niet toe aan de grond van de gemachtigde dat de in artikel 13a, vijfde lid (het hof begrijpt: derde en vierde lid) van de Wahv neergelegde maatregel onverbindend is.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.