Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-01-02
ECLI:NL:GHARL:2024:59
Civiel recht
Hoger beroep
6,171 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.326.408
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 519866)
arrest van 2 januari 2024
in de zaak van
Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,
die is gevestigd in Utrecht,
die hoger beroep heeft ingesteld,hierna: Zilveren Kruis,
advocaat: mr. J. Ekelmans,
tegen:
Cleofa B.V.,
die is gevestigd in Utrecht,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
hierna: Cleofa,
advocaat: mr. R.G.E. de Vries.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Zilveren Kruis heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 28 december 2022 tussen partijen heeft uitgesproken. Het hoger beroep dat Cleofa tegen dat vonnis heeft ingesteld heet in juridische woorden: het incidenteel hoger beroep. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken van die procedure:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord met vorderingen in de incidenten en met een memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep
• de conclusie van antwoord in de incidenten.
1.2
Vervolgens hebben partijen de stukken van de procedure aan het gerechtshof (hierna: het hof) gegeven en heeft het hof bepaald dat het uitspraak zal doen met een arrest in de incidenten.
1.3
Het hof constateert dat Zilveren Kruis in de conclusie van antwoord in de incidenten ook heeft gereageerd op het incidenteel hoger beroep van Cleofa.
2De redenen voor de beslissing
2.1
Voordat het hof toekomt aan een beslissing over het echte geschil tussen partijen (de zogenoemde hoofdzaak), moet het hof nu eerst ingaan op twee vorderingen die Cleofa heeft ingesteld. Dat zijn de zogenoemde vorderingen in de incidenten. De vordering van Cleofa om de zaak te verwijzen naar een ander hof zal het hof afwijzen. De beslissing op de vordering van Cleofa om Zilveren Kruis te veroordelen, kort gezegd, tot betaling van € 500.000,--, zal het hof aanhouden. Het hof legt hierna uit waarom.
Geen verwijzing naar een ander hof
2.2
Cleofa wil dat het hof de zaak naar een ander hof verwijst en zich zo nodig onbevoegd verklaart. Cleofa wijst erop dat de advocaat van Zilveren Kruis, mr. J. Ekelmans, raadsheer-plaatsvervanger bij dit hof is geweest. Volgens Cleofa bevindt zij zich in een achtergestelde positie en is er geen sprake van een gelijke rechtsstrijd. Cleofa wijst er daarbij op dat een ieder recht heeft op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Cleofa verwijst daarbij naar de leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak en naar de gedragscode rechtspraak waarin volgens Cleofa onder meer is bepaald dat medewerkers van de rechtspraak moeten voorkomen dat een ongewenste vermenging van werk en privé ontstaat. Volgens Cleofa is de grens tussen werk en privé bij mr. Ekelmans en het hof vervaagd, nu deze de leden van de rechtspraak zowel tot zijn collega's en/of kennissen in privé mag beschouwen. Cleofa acht het hierom niet meer dan billijk dat de zaak wordt verwezen naar een ander hof.
2.3
Volgens Zilveren Kruis is er geen grond om de zaak te verwijzen.
2.4
Het hof begrijpt Cleofa op die manier dat zij wenst dat het hof de zaak op grond van artikel 62b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: RO) verwijst naar een ander hof. Artikel 62b RO bepaalt dat het hof een zaak ter verdere behandeling kan doorverwijzen naar een ander hof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het hof behandeling van die zaak door een ander hof gewenst is. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van betrokkenheid van het hof waardoor behandeling van de zaak door een ander hof gewenst is. Mr. Ekelmans is inderdaad raadsheer-plaatsvervanger van dit hof geweest. Dat is hij geweest totdat (bij Koninklijk Besluit van 19 maart 2019) aan hem met ingang van 1 april 2019 eervol ontslag is verleend uit zijn ambt van raadsheer-plaatsvervanger. De omstandigheid dat mr. Ekelmans in het verleden raadsheer-plaatsvervanger van het hof is geweest en nu advocaat is in deze bij het hof lopende zaak maakt niet dat het hof ten aanzien van de behandeling van deze zaak geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht is. Het hof volgt Cleofa zonder nadere concrete onderbouwing door Cleofa, ook niet in de stelling dat de werkzaamheden van mr. Ekelmans als raadsheer-plaatsvervanger meebrengen dat de grens tussen werk en privé bij mr. Ekelmans en de leden van het hof die deze zaak zullen behandelen is vervaagd.
2.5
Anders dan Cleofa betoogt, is er geen grond voor het hof om zich onbevoegd te verklaren.
De voorlopige voorziening
2.6
Cleofa vordert dat het hof, als voorlopige voorziening zoals is bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), Zilveren Kruis zal veroordelen, kort gezegd, tot betaling van € 500.000,--, te vermeerderen met rente en kosten. Zilveren Kruis heeft de vordering bestreden.
2.7
Het hof ziet geen aanleiding om overeenkomstig artikel 209 Rv eerst en vooraf aan de hoofdzaak op deze vordering in het incident te beslissen. De zaak brengt dat niet mee, omdat deze vordering en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen te zeer verweven zijn met de hoofdzaak. Het hof zal de beslissing op die vordering dan ook aanhouden.
2.8
Het hof ziet aanleiding om voor de behandeling van deze incidentele vordering en van de hoofdzaak een gelijktijdige mondelinge behandeling voor drie leden van het hof (dat heet: een meervoudige kamer van het hof) te bepalen. Iedere verdere beslissing zal het hof aanhouden.
Dictum
Het hof:
3.1
wijst de incidentele vordering de zaak te verwijzen naar een ander hof af;
3.2
bepaalt een mondelinge behandeling over de incidentele vordering op grond van artikel 223 Rv en over de hoofdzaak,
3.3
bepaalt dat partijen daarbij (in persoon of vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die tot het geven van inlichtingen in staat is en bevoegd is om een schikking aan te gaan) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem, op een nader door het hof te bepalen dag en tijdstip,
3.4
bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden februari 2024 tot en met juli 2024 zullen opgeven op de roldatum 16 januari 2024, waarna het hof dag en tijdstip van de mondelinge behandeling zal vaststellen (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt),
3.5
bepaalt dat de advocaten bij de mondelinge behandeling ieder gedurende maximaal tien minuten, aan de hand van maximaal twee A4’tjes spreekaantekeningen, het standpunt van partijen mogen toelichten;
3.6
bepaalt dat als een partij bij de mondelinge behandeling nog processtukken of andere stukken wil inbrengen, deze partij ervoor moet zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling een kopie van deze stukken hebben ontvangen (het hof in tweevoud, de wederpartij in enkelvoud);
3.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.L. van der Bel en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.326.408
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 519866)
arrest van 2 januari 2024
in de zaak van
Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,
die is gevestigd in Utrecht,
die hoger beroep heeft ingesteld,hierna: Zilveren Kruis,
advocaat: mr. J. Ekelmans,
tegen:
Cleofa B.V.,
die is gevestigd in Utrecht,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
hierna: Cleofa,
advocaat: mr. R.G.E. de Vries.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Zilveren Kruis heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 28 december 2022 tussen partijen heeft uitgesproken. Het hoger beroep dat Cleofa tegen dat vonnis heeft ingesteld heet in juridische woorden: het incidenteel hoger beroep. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken van die procedure:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord met vorderingen in de incidenten en met een memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep
• de conclusie van antwoord in de incidenten.
1.2
Vervolgens hebben partijen de stukken van de procedure aan het gerechtshof (hierna: het hof) gegeven en heeft het hof bepaald dat het uitspraak zal doen met een arrest in de incidenten.
1.3
Het hof constateert dat Zilveren Kruis in de conclusie van antwoord in de incidenten ook heeft gereageerd op het incidenteel hoger beroep van Cleofa.
2De redenen voor de beslissing
2.1
Voordat het hof toekomt aan een beslissing over het echte geschil tussen partijen (de zogenoemde hoofdzaak), moet het hof nu eerst ingaan op twee vorderingen die Cleofa heeft ingesteld. Dat zijn de zogenoemde vorderingen in de incidenten. De vordering van Cleofa om de zaak te verwijzen naar een ander hof zal het hof afwijzen. De beslissing op de vordering van Cleofa om Zilveren Kruis te veroordelen, kort gezegd, tot betaling van € 500.000,--, zal het hof aanhouden. Het hof legt hierna uit waarom.
Geen verwijzing naar een ander hof
2.2
Cleofa wil dat het hof de zaak naar een ander hof verwijst en zich zo nodig onbevoegd verklaart. Cleofa wijst erop dat de advocaat van Zilveren Kruis, mr. J. Ekelmans, raadsheer-plaatsvervanger bij dit hof is geweest. Volgens Cleofa bevindt zij zich in een achtergestelde positie en is er geen sprake van een gelijke rechtsstrijd. Cleofa wijst er daarbij op dat een ieder recht heeft op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Cleofa verwijst daarbij naar de leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak en naar de gedragscode rechtspraak waarin volgens Cleofa onder meer is bepaald dat medewerkers van de rechtspraak moeten voorkomen dat een ongewenste vermenging van werk en privé ontstaat. Volgens Cleofa is de grens tussen werk en privé bij mr. Ekelmans en het hof vervaagd, nu deze de leden van de rechtspraak zowel tot zijn collega's en/of kennissen in privé mag beschouwen. Cleofa acht het hierom niet meer dan billijk dat de zaak wordt verwezen naar een ander hof.
2.3
Volgens Zilveren Kruis is er geen grond om de zaak te verwijzen.
2.4
Het hof begrijpt Cleofa op die manier dat zij wenst dat het hof de zaak op grond van artikel 62b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: RO) verwijst naar een ander hof. Artikel 62b RO bepaalt dat het hof een zaak ter verdere behandeling kan doorverwijzen naar een ander hof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het hof behandeling van die zaak door een ander hof gewenst is. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van betrokkenheid van het hof waardoor behandeling van de zaak door een ander hof gewenst is. Mr. Ekelmans is inderdaad raadsheer-plaatsvervanger van dit hof geweest. Dat is hij geweest totdat (bij Koninklijk Besluit van 19 maart 2019) aan hem met ingang van 1 april 2019 eervol ontslag is verleend uit zijn ambt van raadsheer-plaatsvervanger. De omstandigheid dat mr. Ekelmans in het verleden raadsheer-plaatsvervanger van het hof is geweest en nu advocaat is in deze bij het hof lopende zaak maakt niet dat het hof ten aanzien van de behandeling van deze zaak geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht is. Het hof volgt Cleofa zonder nadere concrete onderbouwing door Cleofa, ook niet in de stelling dat de werkzaamheden van mr. Ekelmans als raadsheer-plaatsvervanger meebrengen dat de grens tussen werk en privé bij mr. Ekelmans en de leden van het hof die deze zaak zullen behandelen is vervaagd.
2.5
Anders dan Cleofa betoogt, is er geen grond voor het hof om zich onbevoegd te verklaren.
De voorlopige voorziening
2.6
Cleofa vordert dat het hof, als voorlopige voorziening zoals is bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), Zilveren Kruis zal veroordelen, kort gezegd, tot betaling van € 500.000,--, te vermeerderen met rente en kosten. Zilveren Kruis heeft de vordering bestreden.
2.7
Het hof ziet geen aanleiding om overeenkomstig artikel 209 Rv eerst en vooraf aan de hoofdzaak op deze vordering in het incident te beslissen. De zaak brengt dat niet mee, omdat deze vordering en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen te zeer verweven zijn met de hoofdzaak. Het hof zal de beslissing op die vordering dan ook aanhouden.
2.8
Het hof ziet aanleiding om voor de behandeling van deze incidentele vordering en van de hoofdzaak een gelijktijdige mondelinge behandeling voor drie leden van het hof (dat heet: een meervoudige kamer van het hof) te bepalen. Iedere verdere beslissing zal het hof aanhouden.
Dictum
Het hof:
3.1
wijst de incidentele vordering de zaak te verwijzen naar een ander hof af;
3.2
bepaalt een mondelinge behandeling over de incidentele vordering op grond van artikel 223 Rv en over de hoofdzaak,
3.3
bepaalt dat partijen daarbij (in persoon of vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die tot het geven van inlichtingen in staat is en bevoegd is om een schikking aan te gaan) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem, op een nader door het hof te bepalen dag en tijdstip,
3.4
bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden februari 2024 tot en met juli 2024 zullen opgeven op de roldatum 16 januari 2024, waarna het hof dag en tijdstip van de mondelinge behandeling zal vaststellen (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt),
3.5
bepaalt dat de advocaten bij de mondelinge behandeling ieder gedurende maximaal tien minuten, aan de hand van maximaal twee A4’tjes spreekaantekeningen, het standpunt van partijen mogen toelichten;
3.6
bepaalt dat als een partij bij de mondelinge behandeling nog processtukken of andere stukken wil inbrengen, deze partij ervoor moet zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling een kopie van deze stukken hebben ontvangen (het hof in tweevoud, de wederpartij in enkelvoud);
3.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.L. van der Bel en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.326.408
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 519866)
arrest van 2 januari 2024
in de zaak van
Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,
die is gevestigd in Utrecht,
die hoger beroep heeft ingesteld,hierna: Zilveren Kruis,
advocaat: mr. J. Ekelmans,
tegen:
Cleofa B.V.,
die is gevestigd in Utrecht,
die ook hoger beroep heeft ingesteld,
hierna: Cleofa,
advocaat: mr. R.G.E. de Vries.
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Zilveren Kruis heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, op 28 december 2022 tussen partijen heeft uitgesproken. Het hoger beroep dat Cleofa tegen dat vonnis heeft ingesteld heet in juridische woorden: het incidenteel hoger beroep. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken van die procedure:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord met vorderingen in de incidenten en met een memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep
• de conclusie van antwoord in de incidenten.
1.2
Vervolgens hebben partijen de stukken van de procedure aan het gerechtshof (hierna: het hof) gegeven en heeft het hof bepaald dat het uitspraak zal doen met een arrest in de incidenten.
1.3
Het hof constateert dat Zilveren Kruis in de conclusie van antwoord in de incidenten ook heeft gereageerd op het incidenteel hoger beroep van Cleofa.
2De redenen voor de beslissing
2.1
Voordat het hof toekomt aan een beslissing over het echte geschil tussen partijen (de zogenoemde hoofdzaak), moet het hof nu eerst ingaan op twee vorderingen die Cleofa heeft ingesteld. Dat zijn de zogenoemde vorderingen in de incidenten. De vordering van Cleofa om de zaak te verwijzen naar een ander hof zal het hof afwijzen. De beslissing op de vordering van Cleofa om Zilveren Kruis te veroordelen, kort gezegd, tot betaling van € 500.000,--, zal het hof aanhouden. Het hof legt hierna uit waarom.
Geen verwijzing naar een ander hof
2.2
Cleofa wil dat het hof de zaak naar een ander hof verwijst en zich zo nodig onbevoegd verklaart. Cleofa wijst erop dat de advocaat van Zilveren Kruis, mr. J. Ekelmans, raadsheer-plaatsvervanger bij dit hof is geweest. Volgens Cleofa bevindt zij zich in een achtergestelde positie en is er geen sprake van een gelijke rechtsstrijd. Cleofa wijst er daarbij op dat een ieder recht heeft op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Cleofa verwijst daarbij naar de leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak en naar de gedragscode rechtspraak waarin volgens Cleofa onder meer is bepaald dat medewerkers van de rechtspraak moeten voorkomen dat een ongewenste vermenging van werk en privé ontstaat. Volgens Cleofa is de grens tussen werk en privé bij mr. Ekelmans en het hof vervaagd, nu deze de leden van de rechtspraak zowel tot zijn collega's en/of kennissen in privé mag beschouwen. Cleofa acht het hierom niet meer dan billijk dat de zaak wordt verwezen naar een ander hof.
2.3
Volgens Zilveren Kruis is er geen grond om de zaak te verwijzen.
2.4
Het hof begrijpt Cleofa op die manier dat zij wenst dat het hof de zaak op grond van artikel 62b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: RO) verwijst naar een ander hof. Artikel 62b RO bepaalt dat het hof een zaak ter verdere behandeling kan doorverwijzen naar een ander hof, indien naar zijn oordeel door betrokkenheid van het hof behandeling van die zaak door een ander hof gewenst is. Naar het oordeel van het hof is er geen sprake van betrokkenheid van het hof waardoor behandeling van de zaak door een ander hof gewenst is. Mr. Ekelmans is inderdaad raadsheer-plaatsvervanger van dit hof geweest. Dat is hij geweest totdat (bij Koninklijk Besluit van 19 maart 2019) aan hem met ingang van 1 april 2019 eervol ontslag is verleend uit zijn ambt van raadsheer-plaatsvervanger. De omstandigheid dat mr. Ekelmans in het verleden raadsheer-plaatsvervanger van het hof is geweest en nu advocaat is in deze bij het hof lopende zaak maakt niet dat het hof ten aanzien van de behandeling van deze zaak geen onafhankelijk en onpartijdig gerecht is. Het hof volgt Cleofa zonder nadere concrete onderbouwing door Cleofa, ook niet in de stelling dat de werkzaamheden van mr. Ekelmans als raadsheer-plaatsvervanger meebrengen dat de grens tussen werk en privé bij mr. Ekelmans en de leden van het hof die deze zaak zullen behandelen is vervaagd.
2.5
Anders dan Cleofa betoogt, is er geen grond voor het hof om zich onbevoegd te verklaren.
De voorlopige voorziening
2.6
Cleofa vordert dat het hof, als voorlopige voorziening zoals is bedoeld in artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), Zilveren Kruis zal veroordelen, kort gezegd, tot betaling van € 500.000,--, te vermeerderen met rente en kosten. Zilveren Kruis heeft de vordering bestreden.
2.7
Het hof ziet geen aanleiding om overeenkomstig artikel 209 Rv eerst en vooraf aan de hoofdzaak op deze vordering in het incident te beslissen. De zaak brengt dat niet mee, omdat deze vordering en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen te zeer verweven zijn met de hoofdzaak. Het hof zal de beslissing op die vordering dan ook aanhouden.
2.8
Het hof ziet aanleiding om voor de behandeling van deze incidentele vordering en van de hoofdzaak een gelijktijdige mondelinge behandeling voor drie leden van het hof (dat heet: een meervoudige kamer van het hof) te bepalen. Iedere verdere beslissing zal het hof aanhouden.
Dictum
Het hof:
3.1
wijst de incidentele vordering de zaak te verwijzen naar een ander hof af;
3.2
bepaalt een mondelinge behandeling over de incidentele vordering op grond van artikel 223 Rv en over de hoofdzaak,
3.3
bepaalt dat partijen daarbij (in persoon of vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die tot het geven van inlichtingen in staat is en bevoegd is om een schikking aan te gaan) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem, op een nader door het hof te bepalen dag en tijdstip,
3.4
bepaalt dat partijen de verhinderdagen van partijen en hun advocaten in de maanden februari 2024 tot en met juli 2024 zullen opgeven op de roldatum 16 januari 2024, waarna het hof dag en tijdstip van de mondelinge behandeling zal vaststellen (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt),
3.5
bepaalt dat de advocaten bij de mondelinge behandeling ieder gedurende maximaal tien minuten, aan de hand van maximaal twee A4’tjes spreekaantekeningen, het standpunt van partijen mogen toelichten;
3.6
bepaalt dat als een partij bij de mondelinge behandeling nog processtukken of andere stukken wil inbrengen, deze partij ervoor moet zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling een kopie van deze stukken hebben ontvangen (het hof in tweevoud, de wederpartij in enkelvoud);
3.7
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.L. van der Bel en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2024.