Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-09-16
ECLI:NL:GHARL:2024:5826
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,606 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.340.852/01
CJIB-nummer
: 253668948
Uitspraak d.d.
: 16 september 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 19 april 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet tijdig zekerheid is gesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter geen stand kan houden, omdat de betrokkene in het beroepschrift kenbaar had gemaakt dat zij niet kon betalen en daarom de gelegenheid had moeten krijgen om het draagkrachtverweer op een zitting toe te lichten.
3. Artikel 11 van de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. De betrokkene diende gelet op de aan haar opgelegde sanctie zekerheid te stellen voor een bedrag van € 234,-.
4. Het hof stelt vast dat op 27 december 2022 via het Digitaal Loket Verkeer beroep is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Onder het kopje “zekerheid gesteld” is ingevuld: “Ik kan niet betalen.” Het hof is van oordeel dat sprake is van een draagkrachtverweer.
5. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen.
6. Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of stelt hij het bedrag op nihil en behandelt het beroep zonder dat zekerheid is gesteld. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
7. Nu de kantonrechter niet heeft gehandeld in overeenstemming met hetgeen onder 6. is overwogen, dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd en de zaak te worden teruggewezen naar de rechtbank. Na terugwijzing moet de kantonrechter (in ieder geval) de gemachtigde uitnodigen voor een zitting teneinde hem de gelegenheid te bieden om het draagkrachtverweer toe te lichten en te onderbouwen.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij de inleidende beschikking vernietigt dan wel deze wijzigt voor wat betreft het sanctiebedrag, de feitcode of de omschrijving van de gedraging en besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen. Dat betreft als kosten van rechtsbijstand de indiening van een hoger beroepschrift (1 punt). Het gewicht van de zaak in hoger beroep is licht (wegingsfactor 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.340.852/01
CJIB-nummer
: 253668948
Uitspraak d.d.
: 16 september 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 19 april 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet tijdig zekerheid is gesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de kantonrechter geen stand kan houden, omdat de betrokkene in het beroepschrift kenbaar had gemaakt dat zij niet kon betalen en daarom de gelegenheid had moeten krijgen om het draagkrachtverweer op een zitting toe te lichten.
3. Artikel 11 van de Wahv verplicht de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter zekerheid te stellen voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten. De betrokkene diende gelet op de aan haar opgelegde sanctie zekerheid te stellen voor een bedrag van € 234,-.
4. Het hof stelt vast dat op 27 december 2022 via het Digitaal Loket Verkeer beroep is ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. Onder het kopje “zekerheid gesteld” is ingevuld: “Ik kan niet betalen.” Het hof is van oordeel dat sprake is van een draagkrachtverweer.
5. Artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen.
6. Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of stelt hij het bedrag op nihil en behandelt het beroep zonder dat zekerheid is gesteld. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
7. Nu de kantonrechter niet heeft gehandeld in overeenstemming met hetgeen onder 6. is overwogen, dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd en de zaak te worden teruggewezen naar de rechtbank. Na terugwijzing moet de kantonrechter (in ieder geval) de gemachtigde uitnodigen voor een zitting teneinde hem de gelegenheid te bieden om het draagkrachtverweer toe te lichten en te onderbouwen.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij de inleidende beschikking vernietigt dan wel deze wijzigt voor wat betreft het sanctiebedrag, de feitcode of de omschrijving van de gedraging en besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen. Dat betreft als kosten van rechtsbijstand de indiening van een hoger beroepschrift (1 punt). Het gewicht van de zaak in hoger beroep is licht (wegingsfactor 0,5).
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.