Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-09-13
ECLI:NL:GHARL:2024:5799
Strafrecht
Hoger beroep
1,874 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005516-23
Uitspraak d.d.: 13 september 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 november 2023 met parketnummer 18-113360-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-018079-21, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
thans verblijvende in [adres] te [plaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot
veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-018079-21.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. B.P.J. van Riel, alsmede van hetgeen namens de benadeelde partij door mevrouw [naam] , naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte bij vonnis van 22 november 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht en met oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. Verder heeft de rechtbank de gehele vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 9.930,76 bestaande uit € 4.930,76 aan materiële en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In het kader van de schadevergoedingsmaatregel heeft de rechtbank de betalingsverplichting van verdachte aan de staat eveneens hoofdelijk opgelegd. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-018079-21 toegewezen.
Bevestiging van het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste wijze en gronden heeft beslist. Het hof zal het vonnis dan ook met overneming van die gronden bevestigen.
Het hof ziet in hetgeen door en namens de verdachte ter zitting is aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden om anders te beslissen.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. J. Dolfing, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. M.C. van Linde, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 13 september 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005516-23
Uitspraak d.d.: 13 september 2024
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 22 november 2023 met parketnummer 18-113360-23 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 18-018079-21, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
thans verblijvende in [adres] te [plaats] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 30 augustus 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal strekkende tot
veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-018079-21.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. B.P.J. van Riel, alsmede van hetgeen namens de benadeelde partij door mevrouw [naam] , naar voren is gebracht.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte bij vonnis van 22 november 2023, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld ter zake van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht en met oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht. Verder heeft de rechtbank de gehele vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toegewezen, te weten tot een bedrag van € 9.930,76 bestaande uit € 4.930,76 aan materiële en € 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. In het kader van de schadevergoedingsmaatregel heeft de rechtbank de betalingsverplichting van verdachte aan de staat eveneens hoofdelijk opgelegd. Voorts heeft de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 18-018079-21 toegewezen.
Bevestiging van het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op de juiste wijze en gronden heeft beslist. Het hof zal het vonnis dan ook met overneming van die gronden bevestigen.
Het hof ziet in hetgeen door en namens de verdachte ter zitting is aangevoerd met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen reden om anders te beslissen.
Dictum
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Aldus gewezen door
mr. J. Dolfing, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. M.C. van Linde, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. I.C. Bita, griffier,
en op 13 september 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.