Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-09-10
ECLI:NL:GHARL:2024:5775
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
6,472 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1457
uitspraakdatum: 10 september 2024
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 april 2023, nummer ZWO 22/1770, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Steenwijkerland (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 9 te [woonplaats] (hierna ook: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2021, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 687.000. Tegelijk met deze beschikking is een aanslag onroerendezaakbelasting vastgesteld.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2024. Daarbij is verschenen en gehoord mr. A. Bakker als de gemachtigde van belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar is, met kennisgeving, niemand verschenen.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een in 1897 gebouwd vrijstaand herenhuis. De gebruiksoppervlakte van de onroerende zaak is 334 m2 en de oppervlakte van de kavel is 1442 m². Verder heeft de onroerende zaak een carport van 42 m² en souterrain van 58 m².
Geschil
3.1.
In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 632.000. Volgens de heffingsambtenaar is de waarde van € 687.000 niet te hoog.
3.2.
Verder houdt partijen verdeeld of de heffingsambtenaar heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40 van de Wet WOZ en 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), hetgeen belanghebbende bestrijdt.
Overwegingen
Ontbrekende stukken
4.1.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de matrix en de grondstaffel niet door de heffingsambtenaar zijn verstrekt, waardoor hij zijn standpunten niet goed kan bepalen. Het Hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat de heffingsambtenaar in elk geval in eerste aanleg de matrix en grondstaffel heeft verstrekt, zodat de stelling dat deze tot op heden nog niet zijn overgelegd onjuist is. In de bezwaarfase werd belanghebbende vertegenwoordigd door een andere gemachtigde. Met deze voormalige gemachtigde heeft de heffingsambtenaar afspraken gemaakt over de toezending van de gegevens op grond van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ. Deze afspraken zijn door de huidige gemachtigde niet bestreden. Het Hof maakt uit het dossier op dat de heffingsambtenaar deze afspraken heeft nageleefd en de gevraagde informatie in de bezwaarfase heeft verstrekt.
4.2.
Voor zover al sprake zou zijn van een gebrek in de informatieverstrekking door de heffingsambtenaar, dan valt niet in te zin waarom de heffingsambtenaar om die reden tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Het Hof acht aannemelijk dat de (relatief beperkte) schending niet van doorslaggevende betekenis is geweest voor het instellen van beroep, nu belanghebbende zowel in bezwaar, beroep als in hoger beroep een eigen taxatierapport – gebaseerd op een eigen onderzoek dat los van de onderbouwing van de heffingsambtenaar heeft plaatsgevonden – heeft ingebracht. Daarnaast heeft hij in beroep naast de grief over het ontbreken van een deel van de gegevens, diverse andere niet daarmee samenhangende grieven tegen de beschikte waarde aangevoerd. Verondersteld moet worden dat belanghebbende ook beroep had ingesteld en kosten had gemaakt, wanneer de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet zou hebben geschonden. Er is dan geen aanleiding om de proceskosten op deze grond te vergoeden.
4.3.
Belanghebbende heeft met een beroep op artikel 8:42 Awb ook gesteld dat de heffingsambtenaar de bouwtekeningen en iWOZ-gegevens van de onroerende zaak dient in te brengen, zodat hij de woonoppervlakte van de woning kan berekenen. Ook deze grond slaagt niet. Belanghebbende heeft bij een nader stuk in hoger beroep een taxatierapport gevoegd, waarin van dezelfde gebruiksoppervlakten van woning, souterrain en carport wordt uitgegaan als waarvan de heffingsambtenaar uitgaat. In dat rapport wordt nergens een voorbehoud gemaakt betreffende deze oppervlakten, of melding gemaakt dat deze niet zijn vast te stellen. Het Hof gaat er daarom vanuit dat (de taxateur van) belanghebbende geen problemen heeft ondervonden met het berekenen van de oppervlaktes. Als op dit punt al, zoals belanghebbende stelt, sprake zou zijn van een schending van artikel 8:42 van de Awb, omdat de heffingsambtenaar niet alle stukken heeft ingebracht, dan verbindt het Hof daaraan, in het kader van toepassing van artikel 8:31 van de Awb, geen gevolgen.
Schending motiveringsbeginsel
4.4.
Belanghebbende heeft verder nog gesteld dat het motiveringsbeginsel is geschonden, omdat niet alles wat tijdens de hoorzitting is besproken, voldoende deugdelijk gemotiveerd in de uitspraak op bezwaar is weergegeven. Het Hof verwerpt dit betoog. Nog los van het feit dat de huidige gemachtigde het hoorgesprek niet heeft gevoerd zodat hij geen eigen wetenschap heeft over welke gronden exact tijdens het hoorgesprek aan de orde zijn geweest, is het Hof van oordeel dat in de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd waarom de waarde in de visie van de heffingsambtenaar niet te hoog is vastgesteld, en dat voldoende is ingegaan op de gronden. Gelet op het voorgaande kan, voor zover belanghebbende dit heeft bedoeld te stellen, niet worden geoordeeld dat belanghebbende heeft moeten doorprocederen om een deugdelijke motivering van de vastgestelde WOZ-waarde te krijgen. Voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, is ook om deze reden derhalve geen plaats.
De waarde van de onroerende zaak
4.5.
De waarde als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’ (Kamerstukken II 1992/93, 22.885, nr. 3, blz. 44).
4.6.
Belanghebbende heeft de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de onroerende zaak gemotiveerd betwist. Daarom rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat die waarde niet te hoog is (vgl. HR 14 oktober 2005, nr. 40.299, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 (Oostflakkee), r.o. 3.2). Bij beantwoording van de vraag of hij daarin slaagt zijn niet alleen de bewijsmiddelen die de heffingsambtenaar daartoe aandraagt van belang, maar ook de stukken en stellingen die belanghebbende ter betwisting daarvan aandraagt (HR 3 maart 2023, nr. 22/02928, ECLI:NL:HR:2023:332, r.o. 3.2).
4.7.
Indien de belanghebbende beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de onroerende zaak leiden, zoals vervuiling of veroudering, is het aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt de belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 10/02708, ECLI:NL:HR:2011:BQ7597, r.o. 3.2.4, HR 10 juli 2015, nr. 14/05141, ECLI:NL:HR:2015:1776, r.o. 2.4, en HR 12 april 2024, nr. 22/03770, ECLI:NL:HR:2024:571, r.o. 4.2.3).
4.8.
Slechts indien de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of de belanghebbende de (eventueel) door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter – desgeraden na inwinning van een deskundigenbericht – zelf tot een vaststelling in goede justitie van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen (vgl. HR 14 oktober 2005, nr. 40.299, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 (Oostflakkee), r.o. 3.2). Dat betekent niet meer dan dat de rechter de waarde van de onroerende zaak alleen op een door hem gekozen grondslag mag vaststellen indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt (vgl. HR 12 april 2024, nr. 22/03770, ECLI:NL:HR:2024:571, r.o. 4.2.2).
4.9.
Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst de heffingsambtenaar op een taxatiematrix van 6 februari 2023 opgesteld door [naam1] , taxateur. Hierin is de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 716.000 aan de hand van de verkoopcijfers van drie referentieobjecten die omstreeks de waardepeildatum zijn verkocht. Bij herleiding van de waarde van de onroerende zaak uit de (gecorrigeerde) verkoopcijfers van de referentieobjecten heeft de taxateur voldoende rekening gehouden met de onderlinge verschillen. De invloed van de KOUDV-factoren op de vaststelling van de waarde is voldoende inzichtelijk gemaakt. De klachten tegen de beschikte waarde slagen daarom niet. Het door belanghebbende in zijn nader stuk ingebrachte taxatierapport, opgesteld door [naam2] op 5 juli 2024, kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat de taxateur van belanghebbende de gebruikte grondstaffel niet juist kan hebben toegepast.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
Dictum
De griffier, De raadsheer,
(J.H. Riethorst) (R.A.V. Boxem)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 12 september 2024
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1457
uitspraakdatum: 10 september 2024
Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 april 2023, nummer ZWO 22/1770, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Steenwijkerland (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 9 te [woonplaats] (hierna ook: de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2021, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 687.000. Tegelijk met deze beschikking is een aanslag onroerendezaakbelasting vastgesteld.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Overijssel (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2024. Daarbij is verschenen en gehoord mr. A. Bakker als de gemachtigde van belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar is, met kennisgeving, niemand verschenen.
Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een in 1897 gebouwd vrijstaand herenhuis. De gebruiksoppervlakte van de onroerende zaak is 334 m2 en de oppervlakte van de kavel is 1442 m². Verder heeft de onroerende zaak een carport van 42 m² en souterrain van 58 m².
Geschil
3.1.
In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum. Belanghebbende bepleit een waarde van € 632.000. Volgens de heffingsambtenaar is de waarde van € 687.000 niet te hoog.
3.2.
Verder houdt partijen verdeeld of de heffingsambtenaar heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 40 van de Wet WOZ en 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), hetgeen belanghebbende bestrijdt.
Overwegingen
Ontbrekende stukken
4.1.
Belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat de matrix en de grondstaffel niet door de heffingsambtenaar zijn verstrekt, waardoor hij zijn standpunten niet goed kan bepalen. Het Hof oordeelt als volgt. Vaststaat dat de heffingsambtenaar in elk geval in eerste aanleg de matrix en grondstaffel heeft verstrekt, zodat de stelling dat deze tot op heden nog niet zijn overgelegd onjuist is. In de bezwaarfase werd belanghebbende vertegenwoordigd door een andere gemachtigde. Met deze voormalige gemachtigde heeft de heffingsambtenaar afspraken gemaakt over de toezending van de gegevens op grond van artikel 40, tweede lid, Wet WOZ. Deze afspraken zijn door de huidige gemachtigde niet bestreden. Het Hof maakt uit het dossier op dat de heffingsambtenaar deze afspraken heeft nageleefd en de gevraagde informatie in de bezwaarfase heeft verstrekt.
4.2.
Voor zover al sprake zou zijn van een gebrek in de informatieverstrekking door de heffingsambtenaar, dan valt niet in te zin waarom de heffingsambtenaar om die reden tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Het Hof acht aannemelijk dat de (relatief beperkte) schending niet van doorslaggevende betekenis is geweest voor het instellen van beroep, nu belanghebbende zowel in bezwaar, beroep als in hoger beroep een eigen taxatierapport – gebaseerd op een eigen onderzoek dat los van de onderbouwing van de heffingsambtenaar heeft plaatsgevonden – heeft ingebracht. Daarnaast heeft hij in beroep naast de grief over het ontbreken van een deel van de gegevens, diverse andere niet daarmee samenhangende grieven tegen de beschikte waarde aangevoerd. Verondersteld moet worden dat belanghebbende ook beroep had ingesteld en kosten had gemaakt, wanneer de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet zou hebben geschonden. Er is dan geen aanleiding om de proceskosten op deze grond te vergoeden.
4.3.
Belanghebbende heeft met een beroep op artikel 8:42 Awb ook gesteld dat de heffingsambtenaar de bouwtekeningen en iWOZ-gegevens van de onroerende zaak dient in te brengen, zodat hij de woonoppervlakte van de woning kan berekenen. Ook deze grond slaagt niet. Belanghebbende heeft bij een nader stuk in hoger beroep een taxatierapport gevoegd, waarin van dezelfde gebruiksoppervlakten van woning, souterrain en carport wordt uitgegaan als waarvan de heffingsambtenaar uitgaat. In dat rapport wordt nergens een voorbehoud gemaakt betreffende deze oppervlakten, of melding gemaakt dat deze niet zijn vast te stellen. Het Hof gaat er daarom vanuit dat (de taxateur van) belanghebbende geen problemen heeft ondervonden met het berekenen van de oppervlaktes. Als op dit punt al, zoals belanghebbende stelt, sprake zou zijn van een schending van artikel 8:42 van de Awb, omdat de heffingsambtenaar niet alle stukken heeft ingebracht, dan verbindt het Hof daaraan, in het kader van toepassing van artikel 8:31 van de Awb, geen gevolgen.
Schending motiveringsbeginsel
4.4.
Belanghebbende heeft verder nog gesteld dat het motiveringsbeginsel is geschonden, omdat niet alles wat tijdens de hoorzitting is besproken, voldoende deugdelijk gemotiveerd in de uitspraak op bezwaar is weergegeven. Het Hof verwerpt dit betoog. Nog los van het feit dat de huidige gemachtigde het hoorgesprek niet heeft gevoerd zodat hij geen eigen wetenschap heeft over welke gronden exact tijdens het hoorgesprek aan de orde zijn geweest, is het Hof van oordeel dat in de uitspraak op bezwaar voldoende is gemotiveerd waarom de waarde in de visie van de heffingsambtenaar niet te hoog is vastgesteld, en dat voldoende is ingegaan op de gronden. Gelet op het voorgaande kan, voor zover belanghebbende dit heeft bedoeld te stellen, niet worden geoordeeld dat belanghebbende heeft moeten doorprocederen om een deugdelijke motivering van de vastgestelde WOZ-waarde te krijgen. Voor een veroordeling van de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, is ook om deze reden derhalve geen plaats.
De waarde van de onroerende zaak
4.5.
De waarde als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ is naar de bedoeling van de wetgever ‘de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding’ (Kamerstukken II 1992/93, 22.885, nr. 3, blz. 44).
4.6.
Belanghebbende heeft de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde van de onroerende zaak gemotiveerd betwist. Daarom rust op de heffingsambtenaar de last aannemelijk te maken dat die waarde niet te hoog is (vgl. HR 14 oktober 2005, nr. 40.299, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 (Oostflakkee), r.o. 3.2). Bij beantwoording van de vraag of hij daarin slaagt zijn niet alleen de bewijsmiddelen die de heffingsambtenaar daartoe aandraagt van belang, maar ook de stukken en stellingen die belanghebbende ter betwisting daarvan aandraagt (HR 3 maart 2023, nr. 22/02928, ECLI:NL:HR:2023:332, r.o. 3.2).
4.7.
Indien de belanghebbende beroep doet op feiten en omstandigheden die volgens hem tot een lagere waardering van de onroerende zaak leiden, zoals vervuiling of veroudering, is het aan hem te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat dergelijke feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan. Slaagt de belanghebbende daarin, dan brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat de heffingsambtenaar aannemelijk dient te maken dat met die feiten en omstandigheden bij het vaststellen van de waarde voldoende rekening is gehouden (vgl. HR 10 juni 2011, nr. 10/02708, ECLI:NL:HR:2011:BQ7597, r.o. 3.2.4, HR 10 juli 2015, nr. 14/05141, ECLI:NL:HR:2015:1776, r.o. 2.4, en HR 12 april 2024, nr. 22/03770, ECLI:NL:HR:2024:571, r.o. 4.2.3).
4.8.
Slechts indien de heffingsambtenaar niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of de belanghebbende de (eventueel) door hem verdedigde waarde aannemelijk heeft gemaakt. Indien ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter – desgeraden na inwinning van een deskundigenbericht – zelf tot een vaststelling in goede justitie van de in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ bedoelde waarde komen (vgl. HR 14 oktober 2005, nr. 40.299, ECLI:NL:HR:2005:AU4300 (Oostflakkee), r.o. 3.2). Dat betekent niet meer dan dat de rechter de waarde van de onroerende zaak alleen op een door hem gekozen grondslag mag vaststellen indien de heffingsambtenaar niet het van hem te verlangen bewijs heeft geleverd en, zo de belanghebbende een lagere waarde heeft bepleit, ook hij zijn daartoe aangevoerde stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt (vgl. HR 12 april 2024, nr. 22/03770, ECLI:NL:HR:2024:571, r.o. 4.2.2).
4.9.
Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst de heffingsambtenaar op een taxatiematrix van 6 februari 2023 opgesteld door [naam1] , taxateur. Hierin is de waarde van de onroerende zaak vastgesteld op € 716.000 aan de hand van de verkoopcijfers van drie referentieobjecten die omstreeks de waardepeildatum zijn verkocht. Bij herleiding van de waarde van de onroerende zaak uit de (gecorrigeerde) verkoopcijfers van de referentieobjecten heeft de taxateur voldoende rekening gehouden met de onderlinge verschillen. De invloed van de KOUDV-factoren op de vaststelling van de waarde is voldoende inzichtelijk gemaakt. De klachten tegen de beschikte waarde slagen daarom niet. Het door belanghebbende in zijn nader stuk ingebrachte taxatierapport, opgesteld door [naam2] op 5 juli 2024, kan niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat de taxateur van belanghebbende de gebruikte grondstaffel niet juist kan hebben toegepast.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.
Dictum
De griffier, De raadsheer,
(J.H. Riethorst) (R.A.V. Boxem)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 12 september 2024
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.