Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-08-27
ECLI:NL:GHARL:2024:5387
Civiel recht
Hoger beroep
9,230 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.335.189
beschikking van 27 augustus 2024
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
Gelsenkraft GmbH
die is gevestigd in Coesfeld (Duitsland)
verzoekster
hierna: Gelsenkraft
advocaat: mrs. A.T. Bolt en M. Keijzer-de Korver
tegen:
UCO Lexmond B.V. (mede handelend onder de naam Dutch Biofuels)
die is gevestigd in Lexmond
hierna: UCO Lexmond
advocaat: mrs. S.M. Oude Alink, L.H. Gundlach en V.R. Pool
1De kern van de zaak
Bij Duits arbitraal vonnis van 2 juni 2023 is UCO Lexmond veroordeeld tot betaling van € 378.767,30 aan Gelsenkraft, vermeerderd met rente en tot betaling van de proceskosten van het arbitraal geding. UCO Lexmond heeft niet aan het arbitraal vonnis voldaan. Gelsenkraft verzoekt erkenning in Nederland van het arbitraal vonnis en verlof om dat vonnis in Nederland ten uitvoer te leggen. Het hof zal dat verzoek toewijzen en licht in deze beschikking toe hoe het tot zijn oordeel komt.
2De achtergrond van het geschil
2.1.
UCO Lexmond heeft zich bezig gehouden met de koop en verkoop van ‘used cooking oil’ (ook wel: UCO). In de periode van 5 januari 2023 tot en met 1 november 2023 is UCO Lexmond tweemaal verhuisd (van Lexmond naar Vianen en daarna weer naar Lexmond).
2.2.
Gelsenkraft is een klant van UCO Lexmond. UCO Lexmond en Gelsenkraft kwamen overeen dat UCO Lexmond used cooking oil aan Gelsenkraft zou leveren en hebben daartoe in december 2022 drie achtereenvolgende overeenkomsten met elkaar gesloten. Op alle drie de koopovereenkomsten zijn de ‘GROFOR conditions latest version’ van toepassing verklaard. Het lukte UCO Lexmond niet om de overeengekomen hoeveelheden UCO aan Gelsenkraft te leveren. Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over (onder andere) de vraag of UCO Lexmond gehouden is om schadevergoeding aan Gelsenkraft te betalen.
2.3.
Gelsenkraft heeft het geschil, in overeenstemming met paragraaf 1 van de GROFOR-voorwaarden, ter beoordeling voorgelegd aan het scheidsgerecht van het Deutscher Verband des Grosshandels mit Ölen, Fetten und Ölrohstoffen (hierna: GROFOR) in Hamburg. UCO Lexmond is niet verschenen bij de mondelinge behandeling op 23 mei 2023 van het scheidsgerecht. Zij had al wel op 13 januari 2023 een e-mail gestuurd naar het scheidsgerecht waarin zij meedeelt niet te zullen deelnemen aan arbitrage en waarin zij een beroep doet op overmacht als bedoeld in paragraaf 9 van de GROFOR-voorwaarden. Het scheidsgerecht heeft deze e-mail beschouwd als een verweerschrift en heeft de zaak op tegenspraak beslecht. Het scheidsgerecht heeft UCO Lexmond bij vonnis van 2 juni 2023 (‘Schiedsspruch’) onder meer veroordeeld tot betaling van € 378.767,30 aan Gelsenkraft, vermeerderd met rente en tot betaling van de proceskosten van de arbitrageprocedure.
2.4.
UCO Lexmond stelt van het arbitraal vonnis (pas) op 11 januari 2024 voor het eerst kennis te hebben genomen. Namelijk op het moment dat het verzoekschrift in de onderhavige exequaturzaak aan haar werd betekend.
2.5.
Van het arbitraal vonnis staat geen rechtsmiddel (meer) open. UCO Lexmond heeft geen vernietiging van het arbitraal vonnis gevorderd. Het arbitraal vonnis is bindend voor partijen.
2.6.
UCO Lexmond heeft niet aan het arbitraal vonnis voldaan. Gelsenkraft wenst executoriaal beslag te leggen op het zich in Nederland bevindende vermogen van UCO Lexmond.
3Het verzoek en het verloop van de procedure bij het hof
3.1.
Gelsenkraft verzoekt het hof om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking het arbitraal vonnis van 2 juni 2023 in Nederland te erkennen en haar verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van dat arbitraal vonnis in Nederland, met veroordeling van UCO Lexmond in de proceskosten. Gelsenkraft baseert haar verzoek primair op artikel 1075 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in samenhang met het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, ook wel: het Verdrag van New York 1958 (hierna: Verdrag van New York) en subsidiair op artikel 1076 Rv.
3.2.
Het procesverloop bij het hof blijkt uit:
het verzoekschrift van Gelsenkraft met bijlagen 1 t/m 5;
het overgelegde betekeningsexploot van 11 januari 2024;
het overgelegde betekeningsexploot van 12 maart 2024;
het verweerschrift van UCO Lexmond met producties U-1 t/m U-13;
de akte van Gelsenkraft met bijlagen 6 t/m 14;
de akte van Gelsenkraft met bijlagen 15 t/m 20;
de akte van UCO Lexmond met bijlagen U-14 en U-15.
3.3.
Het hof heeft Gelsenkraft bij brief van 28 december 2023 opgedragen om, overeenkomstig artikel 987 Rv, UCO Lexmond bij deurwaardersexploot op te roepen voor de mondelinge behandeling, onder toezending van de in de brief genoemde stukken en onder vermelding van de in die brief genoemde vermeldingen.
3.4.
Op 8 juli 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald.
4De bevoegdheid van het hof
4.1.
Het Verdrag van New York is op het verzoek van Gelsenkraft van toepassing, nu zowel Duitsland als Nederland daarbij partij is. De Nederlandse rechter komt op grond van artikel 3, aanhef en onder c, Rv steeds rechtsmacht toe om kennis te nemen van een verzoek om verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging in Nederland van een in een vreemde staat gewezen arbitraal vonnis. Een dergelijke zaak (die ingevolge artikel 1075 lid 2 Rv in verbinding met artikel IV Verdrag van New York en artikel 986 lid 1 Rv, dan wel artikel 1076 lid 6 in verbinding met artikel 986 lid 1 Rv, bij verzoekschrift moet worden ingeleid) is naar haar aard voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden in de zin van artikel 3, aanhef en onder c, Rv. De partij die in het buitenland een arbitraal vonnis heeft verkregen en zich wenst te verhalen op vermogensbestanddelen die zich in Nederland bevinden, dan wel zich op enig moment in Nederland zullen bevinden, is namelijk aangewezen op een geding ten overstaan van de Nederlandse rechter, voor het – op de voet van artikel 1075 Rv, dan wel artikel 1076 Rv – verkrijgen van het vereiste verlof tot tenuitvoerlegging.
4.2.
Op grond van artikel 1075 lid 2 Rv, gelezen in samenhang met 985 Rv, is het gerechtshof van het arrondissement waar de wederpartij (UCO Lexmond) van de verzoeker (Gelsenkraft) woonplaats heeft en die van het arrondissement waar de tenuitvoerlegging wordt verlangd bevoegd kennis te nemen van het verzoek. UCO Lexmond is gevestigd in Lexmond, waardoor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, bevoegd is de zaak te beoordelen.
5. Het verzoek van Gelsenkraft voldoet aan de formele vereisten voor erkenning en verlofverlening
Gelsenkraft heeft woonplaats gekozen binnen het arrondissement
5.1.
Uit artikel 986 lid 1 Rv volgt dat het verzoekschrift waarin de erkenning van een buitenlands arbitraal vonnis in Nederland en verlof om dat vonnis in Nederland ten uitvoer te leggen wordt gevraagd, door een advocaat dient te worden ingediend en dat de verzoeker woonplaats dient te kiezen binnen het arrondissement.
Beoordeling
6.1.
In artikel III in verbinding met artikel V van het Verdrag van New York ligt de hoofdregel besloten dat de rechter verplicht is om een buitenlands arbitraal vonnis te erkennen en van verlof tot tenuitvoerlegging te voorzien, tenzij sprake is van een weigeringsgrond. De in artikel V genoemde weigeringsgronden zijn limitatief. Bij de beoordeling van het verzoek tot erkenning van een buitenlands arbitraal vonnis in Nederland en verlof om dat vonnis in Nederland ten uitvoer te leggen wordt de (arbitrale) zaak zelf niet aan een nieuw onderzoek onderworpen (artikel 985 Rv).
Er doen zich geen weigeringsgronden voor
6.2.
UCO Lexmond heeft allereerst aangevoerd dat de weigeringsgrond van artikel V lid 1 onder a Verdrag van New York zich voordoet, doordat volgens haar tussen partijen geen geldige arbitrageovereenkomst bestaat. Volgens UCO Lexmond zijn de algemene voorwaarden, die op de overeenkomsten van toepassing zijn verklaard, niet ter hand gesteld, zodat zij geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van die voorwaarden en dus ook niet van het daarin overeengekomen arbitragebeding. Volgens UCO Lexmond had op grond van het Weens Koopverdrag geoordeeld moeten worden dat geen sprake was van een geldige arbitrageovereenkomst, omdat de GROFOR-voorwaarden niet conform het vereiste uit het Weens Koopverdrag aan haar ter hand zijn gesteld voor of bij het sluiten van de overeenkomst.
6.3.
Of partijen rechtsgeldig zijn overeengekomen om hun geschillen via arbitrage te laten beslechten hangt allereerst af van het recht dat van toepassing is op de beantwoording van die vraag. De koopovereenkomsten bevatten geen aanwijzing omtrent het recht waaraan partijen de overeenkomst hebben onderworpen. Artikel V lid 1 onder a Verdrag van New York verwijst voor de vraag of sprake is van een geldige overeenkomst tot arbitrage dan naar het recht van het land waarin de arbitrale uitspraak is gewezen. De vraag of tussen partijen rechtsgeldig arbitrage overeen is gekomen dient in dit geval dus naar Duits recht te worden beoordeeld. Het scheidsgerecht heeft in het arbitrale vonnis gemotiveerd dat zij naar haar eigen regels, die overeenkomen met het Duitse burgerlijk (proces)recht, bevoegd is om over haar eigen bevoegdheid (Befugnis) te beslissen, onder verwijzing naar artikel 18 van de GROFOR-arbitragebepalingen dat is gebaseerd op artikel 1040 Zivilprozessordnung (hierna: ZPO). De arbiters hebben vervolgens vastgesteld dat het arbitragebeding uit artikel 1 van de GROFOR-voorwaarden, in overeenstemming met artikel 1031 lid 3 ZPO, geldig is overeengekomen tussen partijen. UCO Lexmond reikt geen argumenten aan dat een beoordeling naar Duits recht tot een andere uitkomst moet leiden dan het oordeel van de arbiters. Met de arbiters is het hof van oordeel dat tussen partijen naar Duits recht een geldige arbitrageovereenkomst is gesloten. Daar komt nog bij dat UCO Lexmond zich in haar e-mail van 13 januari 2023 aan GROFOR zelf heeft beroepen op (paragraaf 9 van) de GROFOR-voorwaarden, zoals ook de arbiters in hun vonnis constateren. UCO Lexmond heeft bij het hof niet toegelicht waaruit zou blijken dat zij niettemin het arbitragebeding uit de GROFOR-voorwaarden niet heeft aanvaard. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op de weigeringsgrond niet.
6.4.
Verder heeft UCO Lexmond een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel V lid 1 sub b van het Verdrag van New York. Volgens haar is zij niet behoorlijk in kennis gesteld van de arbitrale procedure waardoor zij niet wist dat door Gelsenkraft een arbitrageprocedure aanhangig is gemaakt bij GROFOR. Zij stelt dat zij zich om die reden niet heeft kunnen verdedigen in de arbitrale procedure.
6.5.
UCO Lexmond heeft haar stelling onderbouwd aan de hand van uittreksels van de Kamer van Koophandel waaruit volgt op welk adres UCO Lexmond op bepaalde momenten gevestigd was en waaruit volgens haar volgt dat het scheidsgerecht de brieven meerdere keren naar het verkeerde adres heeft gestuurd. Vanaf 20 januari 2023 waren volgens haar bovendien haar e-mailaccounts gedeactiveerd en was zij (dus) niet in staat om e-mails te ontvangen. Wanneer toch een e-mail werd gestuurd, zou de verzender volgens UCO Lexmond een melding hebben gekregen dat het betreffende account niet meer in gebruik was.
6.6.
Het hof stelt voorop dat UCO Lexmond bij e-mail van 13 januari 2023 (met bijlagen) aan GROFOR te kennen heeft gegeven dat zij expliciet weigert om deel te nemen aan enige GROFOR arbitrage procedure. In deze e-mail geeft UCO Lexmond vervolgens wel haar visie op de feitelijke achtergrond van het geschil tussen partijen en voert zij inhoudelijk verweer, met onder andere een beroep op overmacht uit artikel 9 van de GROFOR-voorwaarden. Naar het oordeel van het hof heeft UCO Lexmond er kennelijk zelf voor gekozen om haar verweer in de procedure hiertoe te beperken. Daarom kan UCO Lexmond nu niet bij het hof tegenwerpen dat haar geen gelegenheid zou zijn geboden om zich te verdedigen in de arbitrale procedure. Het hof betrekt hier nog bij dat GROFOR de zaak op tegenspraak is blijven behandelen, en UCO Lexmond telkens bericht heeft gestuurd over de voortgang van de procedure, zoals over de samenstelling van het arbitragetribunaal en de uitnodiging voor de mondelinge behandeling. Van schending van het recht op hoor en wederhoor is dan ook geen sprake.
6.7.
UCO Lexmond betwist de berichten van GROFOR te hebben ontvangen. Het hof stelt om te beginnen vast dat uit de door UCO Lexmond overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel kan worden afgeleid dat GROFOR niet al haar brieven naar het verkeerde adres heeft gestuurd. De brieven van 29 juni 2022, 10 augustus 2022 en 30 december 2022 zijn aangetekend door GROFOR verstuurd naar het adres Driemolensweg 17 in Lexmond. Volgens het uittreksel uit de Kamer van Koophandel was UCO Lexmond op dat moment (nog) op dat adres gevestigd. Bovendien heeft Gelsenkraft ontvangstbewijzen overgelegd van de door GROFOR verstuurde brieven. UCO Lexmond heeft de handtekeningen op de bewijzen van ontvangst betwist, door te stellen dat deze niet overeenkomen met de handtekeningen van de medewerkers die werkzaam zijn bij UCO Lexmond, maar het hof gaat hieraan voorbij, reeds omdat Gelsenkraft er op heeft gewezen dat op de ontvangstbevestigingen steeds een paraaf is gezet, zodat vergelijken nietszeggend is.
6.8.
Het hof stelt vast dat alle brieven van GROFOR zijn verstuurd naar het adres in Lexmond en dat steeds voor ontvangst is getekend. Op het adres Driemolensweg 17 in Lexmond was niet alleen UCO Lexmond gevestigd, maar ook haar (enig) bestuurder B&O Group. B&O Group is onafgebroken op dat adres gevestigd geweest. De brieven moeten UCO Lexmond ofwel rechtstreeks ofwel via haar enig bestuurder, B&O Group, hebben bereikt. Wat daar ook van zij, het hof stelt vast dat UCO Lexmond er blijk van heeft gegeven bekend te zijn geweest met de arbitrale procedure. Het hof leidt dat af uit de omstandigheid dat UCO Lexmond in haar e-mail van 13 januari 2023 aan GROFOR in de onderwerpregel het zaakkenmerk heeft genoemd van de arbitrale procedure, zijnde GR 2-3/2022. UCO Lexmond heeft op de mondelinge behandeling bij het hof aangevoerd dat zij dit kenmerk heeft gebaseerd op de brieven van onder andere 2 oktober 2022 die Gelsenkraft haar eerder had gestuurd in het kader van de ‘price fixing’. Bij die brieven zat als bijlage de ‘preisfeststellungsattesten’ van GROFOR en daarop stond volgens haar datzelfde kenmerk vermeld. Gelsenkraft heeft dat gemotiveerd betwist. Het hof stelt vast dat op de bedoelde bijlagen het kenmerk GR-PR 1/2022, GR-PR 2/2022 en GR-PR 3/2022 staat, terwijl GROFOR de arbitrale procedure heeft geregistreerd onder nummer GR 2-3/2022.
Conclusie
6.12.
Het hof is niet gebleken van een grond voor weigering van de verzochte erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis. Evenmin is het verzoek strijdig met de Nederlandse openbare orde. Dat brengt mee dat het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging op de primaire grondslag toewijsbaar is.
6.13.
Deze uitkomst rechtvaardigt dat UCO Lexmond overeenkomstig het verzoek van Gelsenkraft zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Onder de proceskosten van deze exequaturprocedure vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
6.14.
Conform de hoofdregel van artikel 988 lid 2 Rv zal het hof de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het hof ziet geen reden om hiervan af te wijken.
Dictum
Het hof:
7.1.
verstaat dat het op 2 juni 2023 in Hamburg, Duitsland, tussen partijen gewezen arbitraal vonnis (met kenmerk GR 2-3/2022) in Nederland wordt erkend;
7.2.
verleent Gelsenkraft verlof tot tenuitvoerlegging van het op 2 juni 2023 in Hamburg, Duitsland, tussen partijen gewezen arbitraal vonnis (met kenmerk GR 2-3/2022) in Nederland;
7.3.
veroordeelt UCO Lexmond tot betaling van de volgende proceskosten van Gelsenkraft:
€ 783,00 aan griffierecht;
€ 222,84 aan explootkosten in verband met de exploten van 11 januari 2024 en 12 maart 2024;
€ 2.428,00 aan salaris van de advocaat van Gelsenkraft (2 punten x tarief II);
€ 3.433,84
7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door G.R. den Dekker, K. Mans en M.S.A. van Dam en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1194.
Vgl. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.335.189
beschikking van 27 augustus 2024
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
Gelsenkraft GmbH
die is gevestigd in Coesfeld (Duitsland)
verzoekster
hierna: Gelsenkraft
advocaat: mrs. A.T. Bolt en M. Keijzer-de Korver
tegen:
UCO Lexmond B.V. (mede handelend onder de naam Dutch Biofuels)
die is gevestigd in Lexmond
hierna: UCO Lexmond
advocaat: mrs. S.M. Oude Alink, L.H. Gundlach en V.R. Pool
1De kern van de zaak
Bij Duits arbitraal vonnis van 2 juni 2023 is UCO Lexmond veroordeeld tot betaling van € 378.767,30 aan Gelsenkraft, vermeerderd met rente en tot betaling van de proceskosten van het arbitraal geding. UCO Lexmond heeft niet aan het arbitraal vonnis voldaan. Gelsenkraft verzoekt erkenning in Nederland van het arbitraal vonnis en verlof om dat vonnis in Nederland ten uitvoer te leggen. Het hof zal dat verzoek toewijzen en licht in deze beschikking toe hoe het tot zijn oordeel komt.
2De achtergrond van het geschil
2.1.
UCO Lexmond heeft zich bezig gehouden met de koop en verkoop van ‘used cooking oil’ (ook wel: UCO). In de periode van 5 januari 2023 tot en met 1 november 2023 is UCO Lexmond tweemaal verhuisd (van Lexmond naar Vianen en daarna weer naar Lexmond).
2.2.
Gelsenkraft is een klant van UCO Lexmond. UCO Lexmond en Gelsenkraft kwamen overeen dat UCO Lexmond used cooking oil aan Gelsenkraft zou leveren en hebben daartoe in december 2022 drie achtereenvolgende overeenkomsten met elkaar gesloten. Op alle drie de koopovereenkomsten zijn de ‘GROFOR conditions latest version’ van toepassing verklaard. Het lukte UCO Lexmond niet om de overeengekomen hoeveelheden UCO aan Gelsenkraft te leveren. Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over (onder andere) de vraag of UCO Lexmond gehouden is om schadevergoeding aan Gelsenkraft te betalen.
2.3.
Gelsenkraft heeft het geschil, in overeenstemming met paragraaf 1 van de GROFOR-voorwaarden, ter beoordeling voorgelegd aan het scheidsgerecht van het Deutscher Verband des Grosshandels mit Ölen, Fetten und Ölrohstoffen (hierna: GROFOR) in Hamburg. UCO Lexmond is niet verschenen bij de mondelinge behandeling op 23 mei 2023 van het scheidsgerecht. Zij had al wel op 13 januari 2023 een e-mail gestuurd naar het scheidsgerecht waarin zij meedeelt niet te zullen deelnemen aan arbitrage en waarin zij een beroep doet op overmacht als bedoeld in paragraaf 9 van de GROFOR-voorwaarden. Het scheidsgerecht heeft deze e-mail beschouwd als een verweerschrift en heeft de zaak op tegenspraak beslecht. Het scheidsgerecht heeft UCO Lexmond bij vonnis van 2 juni 2023 (‘Schiedsspruch’) onder meer veroordeeld tot betaling van € 378.767,30 aan Gelsenkraft, vermeerderd met rente en tot betaling van de proceskosten van de arbitrageprocedure.
2.4.
UCO Lexmond stelt van het arbitraal vonnis (pas) op 11 januari 2024 voor het eerst kennis te hebben genomen. Namelijk op het moment dat het verzoekschrift in de onderhavige exequaturzaak aan haar werd betekend.
2.5.
Van het arbitraal vonnis staat geen rechtsmiddel (meer) open. UCO Lexmond heeft geen vernietiging van het arbitraal vonnis gevorderd. Het arbitraal vonnis is bindend voor partijen.
2.6.
UCO Lexmond heeft niet aan het arbitraal vonnis voldaan. Gelsenkraft wenst executoriaal beslag te leggen op het zich in Nederland bevindende vermogen van UCO Lexmond.
3Het verzoek en het verloop van de procedure bij het hof
3.1.
Gelsenkraft verzoekt het hof om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking het arbitraal vonnis van 2 juni 2023 in Nederland te erkennen en haar verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging van dat arbitraal vonnis in Nederland, met veroordeling van UCO Lexmond in de proceskosten. Gelsenkraft baseert haar verzoek primair op artikel 1075 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) in samenhang met het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, ook wel: het Verdrag van New York 1958 (hierna: Verdrag van New York) en subsidiair op artikel 1076 Rv.
3.2.
Het procesverloop bij het hof blijkt uit:
het verzoekschrift van Gelsenkraft met bijlagen 1 t/m 5;
het overgelegde betekeningsexploot van 11 januari 2024;
het overgelegde betekeningsexploot van 12 maart 2024;
het verweerschrift van UCO Lexmond met producties U-1 t/m U-13;
de akte van Gelsenkraft met bijlagen 6 t/m 14;
de akte van Gelsenkraft met bijlagen 15 t/m 20;
de akte van UCO Lexmond met bijlagen U-14 en U-15.
3.3.
Het hof heeft Gelsenkraft bij brief van 28 december 2023 opgedragen om, overeenkomstig artikel 987 Rv, UCO Lexmond bij deurwaardersexploot op te roepen voor de mondelinge behandeling, onder toezending van de in de brief genoemde stukken en onder vermelding van de in die brief genoemde vermeldingen.
3.4.
Op 8 juli 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald.
4De bevoegdheid van het hof
4.1.
Het Verdrag van New York is op het verzoek van Gelsenkraft van toepassing, nu zowel Duitsland als Nederland daarbij partij is. De Nederlandse rechter komt op grond van artikel 3, aanhef en onder c, Rv steeds rechtsmacht toe om kennis te nemen van een verzoek om verlof te verlenen tot tenuitvoerlegging in Nederland van een in een vreemde staat gewezen arbitraal vonnis. Een dergelijke zaak (die ingevolge artikel 1075 lid 2 Rv in verbinding met artikel IV Verdrag van New York en artikel 986 lid 1 Rv, dan wel artikel 1076 lid 6 in verbinding met artikel 986 lid 1 Rv, bij verzoekschrift moet worden ingeleid) is naar haar aard voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden in de zin van artikel 3, aanhef en onder c, Rv. De partij die in het buitenland een arbitraal vonnis heeft verkregen en zich wenst te verhalen op vermogensbestanddelen die zich in Nederland bevinden, dan wel zich op enig moment in Nederland zullen bevinden, is namelijk aangewezen op een geding ten overstaan van de Nederlandse rechter, voor het – op de voet van artikel 1075 Rv, dan wel artikel 1076 Rv – verkrijgen van het vereiste verlof tot tenuitvoerlegging.
4.2.
Op grond van artikel 1075 lid 2 Rv, gelezen in samenhang met 985 Rv, is het gerechtshof van het arrondissement waar de wederpartij (UCO Lexmond) van de verzoeker (Gelsenkraft) woonplaats heeft en die van het arrondissement waar de tenuitvoerlegging wordt verlangd bevoegd kennis te nemen van het verzoek. UCO Lexmond is gevestigd in Lexmond, waardoor het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, bevoegd is de zaak te beoordelen.
5. Het verzoek van Gelsenkraft voldoet aan de formele vereisten voor erkenning en verlofverlening
Gelsenkraft heeft woonplaats gekozen binnen het arrondissement
5.1.
Uit artikel 986 lid 1 Rv volgt dat het verzoekschrift waarin de erkenning van een buitenlands arbitraal vonnis in Nederland en verlof om dat vonnis in Nederland ten uitvoer te leggen wordt gevraagd, door een advocaat dient te worden ingediend en dat de verzoeker woonplaats dient te kiezen binnen het arrondissement.
Beoordeling
6.1.
In artikel III in verbinding met artikel V van het Verdrag van New York ligt de hoofdregel besloten dat de rechter verplicht is om een buitenlands arbitraal vonnis te erkennen en van verlof tot tenuitvoerlegging te voorzien, tenzij sprake is van een weigeringsgrond. De in artikel V genoemde weigeringsgronden zijn limitatief. Bij de beoordeling van het verzoek tot erkenning van een buitenlands arbitraal vonnis in Nederland en verlof om dat vonnis in Nederland ten uitvoer te leggen wordt de (arbitrale) zaak zelf niet aan een nieuw onderzoek onderworpen (artikel 985 Rv).
Er doen zich geen weigeringsgronden voor
6.2.
UCO Lexmond heeft allereerst aangevoerd dat de weigeringsgrond van artikel V lid 1 onder a Verdrag van New York zich voordoet, doordat volgens haar tussen partijen geen geldige arbitrageovereenkomst bestaat. Volgens UCO Lexmond zijn de algemene voorwaarden, die op de overeenkomsten van toepassing zijn verklaard, niet ter hand gesteld, zodat zij geen kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van die voorwaarden en dus ook niet van het daarin overeengekomen arbitragebeding. Volgens UCO Lexmond had op grond van het Weens Koopverdrag geoordeeld moeten worden dat geen sprake was van een geldige arbitrageovereenkomst, omdat de GROFOR-voorwaarden niet conform het vereiste uit het Weens Koopverdrag aan haar ter hand zijn gesteld voor of bij het sluiten van de overeenkomst.
6.3.
Of partijen rechtsgeldig zijn overeengekomen om hun geschillen via arbitrage te laten beslechten hangt allereerst af van het recht dat van toepassing is op de beantwoording van die vraag. De koopovereenkomsten bevatten geen aanwijzing omtrent het recht waaraan partijen de overeenkomst hebben onderworpen. Artikel V lid 1 onder a Verdrag van New York verwijst voor de vraag of sprake is van een geldige overeenkomst tot arbitrage dan naar het recht van het land waarin de arbitrale uitspraak is gewezen. De vraag of tussen partijen rechtsgeldig arbitrage overeen is gekomen dient in dit geval dus naar Duits recht te worden beoordeeld. Het scheidsgerecht heeft in het arbitrale vonnis gemotiveerd dat zij naar haar eigen regels, die overeenkomen met het Duitse burgerlijk (proces)recht, bevoegd is om over haar eigen bevoegdheid (Befugnis) te beslissen, onder verwijzing naar artikel 18 van de GROFOR-arbitragebepalingen dat is gebaseerd op artikel 1040 Zivilprozessordnung (hierna: ZPO). De arbiters hebben vervolgens vastgesteld dat het arbitragebeding uit artikel 1 van de GROFOR-voorwaarden, in overeenstemming met artikel 1031 lid 3 ZPO, geldig is overeengekomen tussen partijen. UCO Lexmond reikt geen argumenten aan dat een beoordeling naar Duits recht tot een andere uitkomst moet leiden dan het oordeel van de arbiters. Met de arbiters is het hof van oordeel dat tussen partijen naar Duits recht een geldige arbitrageovereenkomst is gesloten. Daar komt nog bij dat UCO Lexmond zich in haar e-mail van 13 januari 2023 aan GROFOR zelf heeft beroepen op (paragraaf 9 van) de GROFOR-voorwaarden, zoals ook de arbiters in hun vonnis constateren. UCO Lexmond heeft bij het hof niet toegelicht waaruit zou blijken dat zij niettemin het arbitragebeding uit de GROFOR-voorwaarden niet heeft aanvaard. Gelet op het voorgaande slaagt het beroep op de weigeringsgrond niet.
6.4.
Verder heeft UCO Lexmond een beroep gedaan op de weigeringsgrond van artikel V lid 1 sub b van het Verdrag van New York. Volgens haar is zij niet behoorlijk in kennis gesteld van de arbitrale procedure waardoor zij niet wist dat door Gelsenkraft een arbitrageprocedure aanhangig is gemaakt bij GROFOR. Zij stelt dat zij zich om die reden niet heeft kunnen verdedigen in de arbitrale procedure.
6.5.
UCO Lexmond heeft haar stelling onderbouwd aan de hand van uittreksels van de Kamer van Koophandel waaruit volgt op welk adres UCO Lexmond op bepaalde momenten gevestigd was en waaruit volgens haar volgt dat het scheidsgerecht de brieven meerdere keren naar het verkeerde adres heeft gestuurd. Vanaf 20 januari 2023 waren volgens haar bovendien haar e-mailaccounts gedeactiveerd en was zij (dus) niet in staat om e-mails te ontvangen. Wanneer toch een e-mail werd gestuurd, zou de verzender volgens UCO Lexmond een melding hebben gekregen dat het betreffende account niet meer in gebruik was.
6.6.
Het hof stelt voorop dat UCO Lexmond bij e-mail van 13 januari 2023 (met bijlagen) aan GROFOR te kennen heeft gegeven dat zij expliciet weigert om deel te nemen aan enige GROFOR arbitrage procedure. In deze e-mail geeft UCO Lexmond vervolgens wel haar visie op de feitelijke achtergrond van het geschil tussen partijen en voert zij inhoudelijk verweer, met onder andere een beroep op overmacht uit artikel 9 van de GROFOR-voorwaarden. Naar het oordeel van het hof heeft UCO Lexmond er kennelijk zelf voor gekozen om haar verweer in de procedure hiertoe te beperken. Daarom kan UCO Lexmond nu niet bij het hof tegenwerpen dat haar geen gelegenheid zou zijn geboden om zich te verdedigen in de arbitrale procedure. Het hof betrekt hier nog bij dat GROFOR de zaak op tegenspraak is blijven behandelen, en UCO Lexmond telkens bericht heeft gestuurd over de voortgang van de procedure, zoals over de samenstelling van het arbitragetribunaal en de uitnodiging voor de mondelinge behandeling. Van schending van het recht op hoor en wederhoor is dan ook geen sprake.
6.7.
UCO Lexmond betwist de berichten van GROFOR te hebben ontvangen. Het hof stelt om te beginnen vast dat uit de door UCO Lexmond overgelegde uittreksels van de Kamer van Koophandel kan worden afgeleid dat GROFOR niet al haar brieven naar het verkeerde adres heeft gestuurd. De brieven van 29 juni 2022, 10 augustus 2022 en 30 december 2022 zijn aangetekend door GROFOR verstuurd naar het adres Driemolensweg 17 in Lexmond. Volgens het uittreksel uit de Kamer van Koophandel was UCO Lexmond op dat moment (nog) op dat adres gevestigd. Bovendien heeft Gelsenkraft ontvangstbewijzen overgelegd van de door GROFOR verstuurde brieven. UCO Lexmond heeft de handtekeningen op de bewijzen van ontvangst betwist, door te stellen dat deze niet overeenkomen met de handtekeningen van de medewerkers die werkzaam zijn bij UCO Lexmond, maar het hof gaat hieraan voorbij, reeds omdat Gelsenkraft er op heeft gewezen dat op de ontvangstbevestigingen steeds een paraaf is gezet, zodat vergelijken nietszeggend is.
6.8.
Het hof stelt vast dat alle brieven van GROFOR zijn verstuurd naar het adres in Lexmond en dat steeds voor ontvangst is getekend. Op het adres Driemolensweg 17 in Lexmond was niet alleen UCO Lexmond gevestigd, maar ook haar (enig) bestuurder B&O Group. B&O Group is onafgebroken op dat adres gevestigd geweest. De brieven moeten UCO Lexmond ofwel rechtstreeks ofwel via haar enig bestuurder, B&O Group, hebben bereikt. Wat daar ook van zij, het hof stelt vast dat UCO Lexmond er blijk van heeft gegeven bekend te zijn geweest met de arbitrale procedure. Het hof leidt dat af uit de omstandigheid dat UCO Lexmond in haar e-mail van 13 januari 2023 aan GROFOR in de onderwerpregel het zaakkenmerk heeft genoemd van de arbitrale procedure, zijnde GR 2-3/2022. UCO Lexmond heeft op de mondelinge behandeling bij het hof aangevoerd dat zij dit kenmerk heeft gebaseerd op de brieven van onder andere 2 oktober 2022 die Gelsenkraft haar eerder had gestuurd in het kader van de ‘price fixing’. Bij die brieven zat als bijlage de ‘preisfeststellungsattesten’ van GROFOR en daarop stond volgens haar datzelfde kenmerk vermeld. Gelsenkraft heeft dat gemotiveerd betwist. Het hof stelt vast dat op de bedoelde bijlagen het kenmerk GR-PR 1/2022, GR-PR 2/2022 en GR-PR 3/2022 staat, terwijl GROFOR de arbitrale procedure heeft geregistreerd onder nummer GR 2-3/2022.
Conclusie
6.12.
Het hof is niet gebleken van een grond voor weigering van de verzochte erkenning en tenuitvoerlegging van het arbitraal vonnis. Evenmin is het verzoek strijdig met de Nederlandse openbare orde. Dat brengt mee dat het verzoek tot erkenning en tenuitvoerlegging op de primaire grondslag toewijsbaar is.
6.13.
Deze uitkomst rechtvaardigt dat UCO Lexmond overeenkomstig het verzoek van Gelsenkraft zal worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Onder de proceskosten van deze exequaturprocedure vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.
6.14.
Conform de hoofdregel van artikel 988 lid 2 Rv zal het hof de beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Het hof ziet geen reden om hiervan af te wijken.
Dictum
Het hof:
7.1.
verstaat dat het op 2 juni 2023 in Hamburg, Duitsland, tussen partijen gewezen arbitraal vonnis (met kenmerk GR 2-3/2022) in Nederland wordt erkend;
7.2.
verleent Gelsenkraft verlof tot tenuitvoerlegging van het op 2 juni 2023 in Hamburg, Duitsland, tussen partijen gewezen arbitraal vonnis (met kenmerk GR 2-3/2022) in Nederland;
7.3.
veroordeelt UCO Lexmond tot betaling van de volgende proceskosten van Gelsenkraft:
€ 783,00 aan griffierecht;
€ 222,84 aan explootkosten in verband met de exploten van 11 januari 2024 en 12 maart 2024;
€ 2.428,00 aan salaris van de advocaat van Gelsenkraft (2 punten x tarief II);
€ 3.433,84
7.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door G.R. den Dekker, K. Mans en M.S.A. van Dam en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2024.
HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1194.
Vgl. HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.