Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-08-20
ECLI:NL:GHARL:2024:5375
Civiel recht
Hoger beroep
4,378 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.329.180/02
beschikking van 20 augustus 2024
in de zaak van
1 [verzoeker1]
die woont in [woonplaats1]
verzoeker
hierna: [verzoeker1]
advocaat: mr. P. Stehouwer te Groningen
en
2 [verzoeker2]
3. [verzoeker3]
die wonen in [woonplaats1]
verzoekers
hierna: [verzoeker2] en [verzoeker3]
advocaat: mr. A. Kroondijk te Wolvega
tegen
[verweerder]
die woont in [woonplaats2]
verweerder
hierna: [verweerder]
advocaat: mr. E.Tj. van Dalen te Groningen.
1Het procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een gezamenlijk verzoekschrift (met producties) van de zijde van [verzoeker1] en [verzoeker2] en [verzoeker3] , tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, ingekomen op 18 maart 2024;
- een verweerschrift (met producties) van [verweerder] , ingekomen op 14 mei 2024.
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 9 juli 2024 plaatsgevonden, tezamen met de mondelinge behandeling in de zaak met nummer 200.329.187 (verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht) en in de zaak met nummer 200.341.560 (vordering in kort-geding). Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
1.3
De datum voor beschikking is bepaald op vandaag.
2Waar gaat het in deze zaak om?
2.1
[verzoeker1] (68 jaar oud) en [verweerder] (60 jaar oud) zijn broers. [verzoeker2] en [verzoeker3] zijn de zoons van [verzoeker1] .
2.2
[verzoeker1] en [verweerder] oefenen sinds 1998 in maatschapsverband een landbouw- en veehouderijbedrijf uit (de maatschap [naam1] ). [verzoeker2] en [verzoeker3] verrichten sinds 2013 werkzaamheden voor de maatschap [naam1] . Zij hebben daar geen financiële vergoeding voor ontvangen.
2.3
In de loop der tijd zijn de verhoudingen tussen [verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] enerzijds en [verweerder] anderzijds verstoord geraakt.
2.4
Partijen hebben gesproken over de toekomst van het bedrijf en het uittreden van [verzoeker1] uit de maatschap [naam1] en de toetreding van [verzoeker2] en [verzoeker3] tot de maatschap [naam1] .
2.5
[verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] hebben een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Noord-Nederland waarin zij primair onder meer hebben gevorderd dat de maatschap [naam1] , dan wel [verweerder] , veroordeeld wordt de goederen van de maatschap over te dragen aan [verzoeker2] en [verzoeker3] , dan wel [verweerder] wordt bevolen om zijn aandeel in de maatschap aan [verzoeker2] en [verzoeker3] over te dragen. Subsidiair hebben zij gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld om met hen (dan wel met [verzoeker2] en [verzoeker3] ) door te onderhandelen, zodat een overeenkomst inhoudende de toetreding tot de maatschap [naam1] van [verzoeker2] en [verzoeker3] dan wel de overname van de activa en de activiteiten van de maatschap [naam1] door hen (op basis van de gebruikelijke agrarische voorwaarden) tot stand komt. [verzoeker1] heeft een (voorwaardelijke) vordering ingesteld - voor het geval de vorderingen van [verzoeker2] , [verzoeker3] en hemzelf niet worden toegewezen - die erop neerkomt dat de maatschap [naam1] wordt ontbonden en dat hij het recht heeft de maatschap voort te zetten en [verweerder] zijn aandeel aan hem moet overdragen tegen de agrarische waarde.
2.6
De rechtbank Noord-Nederland heeft in een vonnis van 12 april 2023 alleen de vordering van [verzoeker1] gedeeltelijk toegewezen en heeft de maatschap [naam1] ontbonden.
2.7
Zowel [verzoeker2] en [verzoeker3] als [verzoeker1] hebben bij dit hof beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Hun beroepen zijn onder de rolnummers 200.329.180 en 200.329.187 bekend. In deze zaken heeft op 15 februari 2024 een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden. In het proces-verbaal van die mondelinge behandeling is onder meer vastgelegd dat binnen bekwame tijd een voorlopig deskundigenbericht zal worden gevraagd en dat de uitkomst daarvan zo nodig wordt betrokken bij de grieven en de verwoording van de vordering in hoger beroep. Ook is erin vastgelegd dat [verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] de mogelijkheid overwegen van het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor, waarvan de verklaringen dan zo nodig betrokken zullen worden bij de grieven en de verwoording van de vordering in hoger beroep.
2.8
In deze zaak gaat het om het verzoek dat [verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] hebben ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Het hof zal dat verzoeken toewijzen. Dat wordt hierna gemotiveerd.
3. Het verzoek en de beoordeling van het verzoek
3.1
[verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] hebben een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend. Het voorlopig getuigenverhoor richt zich op twee onderwerpen:a. zij willen duidelijkheid verkrijgen over de in welke versie van het maatschapscontract de (uiteindelijk) gemaakte afspraken over de maatschapsovereenkomst tussen [verzoeker1] en [verweerder] zijn vastgelegd, een op 16 mei 1998 ondertekend contract (productie 3 bij het verzoekschrift) of een latere versie, die op een apart papier zou zijn ondertekend (prod. 4 bij het verzoekschrift);b. ook willen zij duidelijkheid verkrijgen over de gang van zaken die heeft geleid tot een concept-maatschapscontract, waarin is vastgelegd dat [verzoeker2] en [verzoeker3] toetreden tot de maatschap [naam1] (productie 5 bij het verzoekschrift). Het gaat hen erom of overeenstemming is bereikt over deze toetreding, dan wel of door [verweerder] toezeggingen zijn gedaan of gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt bij [verzoeker2] en [verzoeker3] dat zij (en onder welke voorwaarden) kunnen toetreden tot de maatschap, dan wel de door de maatschap [naam1] gedreven onderneming kunnen overnemen.
3.2
[verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] hebben naast zichzelf nog zes andere getuigen vermeld die over (een van) deze) onderwerpen kunnen verklaren.
3.3
[verweerder] heeft in zijn verweerschrift verweer gevoerd tegen het voorlopig getuigenverhoor. Volgens hem ontbreekt het voor toewijzing noodzakelijk belang, in elk geval ten aanzien van het hiervoor onder b. vermelde onderwerp. Ook heeft hij bezwaar tegen het horen van enkele van de vermelde getuigen.
3.4
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] zijn bezwaren tegen het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingetrokken. Daar hoeft het hof dan ook niet meer op te beslissen. Dat neemt niet weg dat het hof nog wel ambtshalve dient te beoordelen of [verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] voldoende belang hebben bij hun verzoek. Het vereiste van voldoende belang raakt immers de openbare orde.
3.5
Naar het oordeel van het hof is sprake van voldoende belang. Dat geldt sowieso voor het eerste onderwerp. Partijen verschillen van mening over de vraag of de eerste of de tweede versie van het maatschapscontract van toepassing is.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de getuigen [getuige1] , [getuige2] , [getuige3] , [getuige4] , [verweerder] , [verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] over de in 3.1 vermelde onderwerpen toe;
bepaalt dat de getuigenverhoren zullen worden gehouden ten overstaan van de bij deze benoemde raadsheer-commissaris W.F. Boele, die nadat partijen uiterlijk 3 september 2024 hun verhinderdata en die van de te horen getuigen voor de maanden oktober 2024 tot en met maart 2025 hebben opgegeven, daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie te Leeuwarden op een door de raadsheer-commissaris te bepalen datum.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. de Hek, R.E. Weening en G.J.M. Verburg en is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.329.180/02
beschikking van 20 augustus 2024
in de zaak van
1 [verzoeker1]
die woont in [woonplaats1]
verzoeker
hierna: [verzoeker1]
advocaat: mr. P. Stehouwer te Groningen
en
2 [verzoeker2]
3. [verzoeker3]
die wonen in [woonplaats1]
verzoekers
hierna: [verzoeker2] en [verzoeker3]
advocaat: mr. A. Kroondijk te Wolvega
tegen
[verweerder]
die woont in [woonplaats2]
verweerder
hierna: [verweerder]
advocaat: mr. E.Tj. van Dalen te Groningen.
1Het procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een gezamenlijk verzoekschrift (met producties) van de zijde van [verzoeker1] en [verzoeker2] en [verzoeker3] , tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, ingekomen op 18 maart 2024;
- een verweerschrift (met producties) van [verweerder] , ingekomen op 14 mei 2024.
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft op 9 juli 2024 plaatsgevonden, tezamen met de mondelinge behandeling in de zaak met nummer 200.329.187 (verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht) en in de zaak met nummer 200.341.560 (vordering in kort-geding). Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.
1.3
De datum voor beschikking is bepaald op vandaag.
2Waar gaat het in deze zaak om?
2.1
[verzoeker1] (68 jaar oud) en [verweerder] (60 jaar oud) zijn broers. [verzoeker2] en [verzoeker3] zijn de zoons van [verzoeker1] .
2.2
[verzoeker1] en [verweerder] oefenen sinds 1998 in maatschapsverband een landbouw- en veehouderijbedrijf uit (de maatschap [naam1] ). [verzoeker2] en [verzoeker3] verrichten sinds 2013 werkzaamheden voor de maatschap [naam1] . Zij hebben daar geen financiële vergoeding voor ontvangen.
2.3
In de loop der tijd zijn de verhoudingen tussen [verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] enerzijds en [verweerder] anderzijds verstoord geraakt.
2.4
Partijen hebben gesproken over de toekomst van het bedrijf en het uittreden van [verzoeker1] uit de maatschap [naam1] en de toetreding van [verzoeker2] en [verzoeker3] tot de maatschap [naam1] .
2.5
[verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] hebben een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Noord-Nederland waarin zij primair onder meer hebben gevorderd dat de maatschap [naam1] , dan wel [verweerder] , veroordeeld wordt de goederen van de maatschap over te dragen aan [verzoeker2] en [verzoeker3] , dan wel [verweerder] wordt bevolen om zijn aandeel in de maatschap aan [verzoeker2] en [verzoeker3] over te dragen. Subsidiair hebben zij gevorderd dat [verweerder] wordt veroordeeld om met hen (dan wel met [verzoeker2] en [verzoeker3] ) door te onderhandelen, zodat een overeenkomst inhoudende de toetreding tot de maatschap [naam1] van [verzoeker2] en [verzoeker3] dan wel de overname van de activa en de activiteiten van de maatschap [naam1] door hen (op basis van de gebruikelijke agrarische voorwaarden) tot stand komt. [verzoeker1] heeft een (voorwaardelijke) vordering ingesteld - voor het geval de vorderingen van [verzoeker2] , [verzoeker3] en hemzelf niet worden toegewezen - die erop neerkomt dat de maatschap [naam1] wordt ontbonden en dat hij het recht heeft de maatschap voort te zetten en [verweerder] zijn aandeel aan hem moet overdragen tegen de agrarische waarde.
2.6
De rechtbank Noord-Nederland heeft in een vonnis van 12 april 2023 alleen de vordering van [verzoeker1] gedeeltelijk toegewezen en heeft de maatschap [naam1] ontbonden.
2.7
Zowel [verzoeker2] en [verzoeker3] als [verzoeker1] hebben bij dit hof beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland. Hun beroepen zijn onder de rolnummers 200.329.180 en 200.329.187 bekend. In deze zaken heeft op 15 februari 2024 een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden. In het proces-verbaal van die mondelinge behandeling is onder meer vastgelegd dat binnen bekwame tijd een voorlopig deskundigenbericht zal worden gevraagd en dat de uitkomst daarvan zo nodig wordt betrokken bij de grieven en de verwoording van de vordering in hoger beroep. Ook is erin vastgelegd dat [verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] de mogelijkheid overwegen van het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor, waarvan de verklaringen dan zo nodig betrokken zullen worden bij de grieven en de verwoording van de vordering in hoger beroep.
2.8
In deze zaak gaat het om het verzoek dat [verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] hebben ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Het hof zal dat verzoeken toewijzen. Dat wordt hierna gemotiveerd.
3. Het verzoek en de beoordeling van het verzoek
3.1
[verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] hebben een verzoekschrift tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingediend. Het voorlopig getuigenverhoor richt zich op twee onderwerpen:a. zij willen duidelijkheid verkrijgen over de in welke versie van het maatschapscontract de (uiteindelijk) gemaakte afspraken over de maatschapsovereenkomst tussen [verzoeker1] en [verweerder] zijn vastgelegd, een op 16 mei 1998 ondertekend contract (productie 3 bij het verzoekschrift) of een latere versie, die op een apart papier zou zijn ondertekend (prod. 4 bij het verzoekschrift);b. ook willen zij duidelijkheid verkrijgen over de gang van zaken die heeft geleid tot een concept-maatschapscontract, waarin is vastgelegd dat [verzoeker2] en [verzoeker3] toetreden tot de maatschap [naam1] (productie 5 bij het verzoekschrift). Het gaat hen erom of overeenstemming is bereikt over deze toetreding, dan wel of door [verweerder] toezeggingen zijn gedaan of gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt bij [verzoeker2] en [verzoeker3] dat zij (en onder welke voorwaarden) kunnen toetreden tot de maatschap, dan wel de door de maatschap [naam1] gedreven onderneming kunnen overnemen.
3.2
[verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] hebben naast zichzelf nog zes andere getuigen vermeld die over (een van) deze) onderwerpen kunnen verklaren.
3.3
[verweerder] heeft in zijn verweerschrift verweer gevoerd tegen het voorlopig getuigenverhoor. Volgens hem ontbreekt het voor toewijzing noodzakelijk belang, in elk geval ten aanzien van het hiervoor onder b. vermelde onderwerp. Ook heeft hij bezwaar tegen het horen van enkele van de vermelde getuigen.
3.4
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] zijn bezwaren tegen het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor ingetrokken. Daar hoeft het hof dan ook niet meer op te beslissen. Dat neemt niet weg dat het hof nog wel ambtshalve dient te beoordelen of [verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] voldoende belang hebben bij hun verzoek. Het vereiste van voldoende belang raakt immers de openbare orde.
3.5
Naar het oordeel van het hof is sprake van voldoende belang. Dat geldt sowieso voor het eerste onderwerp. Partijen verschillen van mening over de vraag of de eerste of de tweede versie van het maatschapscontract van toepassing is.
Dictum
Het hof:
wijst het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van de getuigen [getuige1] , [getuige2] , [getuige3] , [getuige4] , [verweerder] , [verzoeker1] , [verzoeker2] en [verzoeker3] over de in 3.1 vermelde onderwerpen toe;
bepaalt dat de getuigenverhoren zullen worden gehouden ten overstaan van de bij deze benoemde raadsheer-commissaris W.F. Boele, die nadat partijen uiterlijk 3 september 2024 hun verhinderdata en die van de te horen getuigen voor de maanden oktober 2024 tot en met maart 2025 hebben opgegeven, daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie te Leeuwarden op een door de raadsheer-commissaris te bepalen datum.
Deze beschikking is gegeven door mrs. H. de Hek, R.E. Weening en G.J.M. Verburg en is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.