Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-08-21
ECLI:NL:GHARL:2024:5348
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,562 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.338.494/01
CJIB-nummer
: 236302770
Uitspraak d.d.
: 21 augustus 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 19 februari 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 156,75. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 473,50, in de samenhangende zaken met de CJIB-nummers 236302770, 240936164 en 238033986.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 209,- voor: “23 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 augustus 2020 om 08:11 uur op de A6 links, hmp 110.6, in Emmeloord met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd (met 25%) tot € 156,75 wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
3. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de betrokkene de gedraging ontkent.
4. De gemachtigde ontkent namens de betrokkene de gedraging, maar geeft hiervoor geen argumenten. De gegevens in het zaakoverzicht bieden voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. De enkele ontkenning van de gedraging is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Deze grond treft geen doel.
5. Voorts klaagt de gemachtigde over de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding. De gemachtigde stelt primair dat de kantonrechter de zaken ten onrechte als samenhangend heeft aangemerkt en, subsidiair, dat de kantonrechter, zou hij dat wel hebben kunnen doen, slechts in één zaak een proceskostenveroordeling heeft toegekend, wat gelet op artikel 13a, derde lid, van de Wahv niet kan. De proceskostenvergoedingen moeten immers, in geval van samenhang met zaken van andere betrokkenen, aan de individuele betrokkenen worden toegekend, aldus de gemachtigde.
6. Met betrekking tot de primair aangevoerde grond overweegt het hof dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat, gelet op de inhoud van de beroepschriften bij de kantonrechter in de zaken met bovengenoemde CJIB-nummers, de gelijktijdige behandeling daarvan bij de kantonrechter en het feit dat in alle drie de zaken dezelfde gemachtigde optreedt, de zaken als samenhangend zijn aan te merken. De gemachtigde heeft geen argumenten aangevoerd die ertoe zouden kunnen leiden dat dit oordeel van de kantonrechter onjuist zou zijn. Deze grond slaagt niet.
7. De subsidiair aangevoerde grond van de gemachtigde komt er op neer dat de kantonrechter, indien sprake is van samenhangende zaken, de hoogte van de proceskostenvergoeding per betrokkene moet bepalen, nu in artikel 13a, derde lid, van Wahv is voorgeschreven dat de uitbetaling van de proceskostenvergoeding op de bankrekening van de betrokkene zelf moet plaatsvinden.
8. Ook deze grond faalt. De in artikel 13a, derde lid, van de Wahv neergelegde uitbetalingsregeling staat los van de toekenning van de proceskostenvergoeding. Het is aan degene die de proceskostenvergoeding uitbetaalt om, in geval een proceskostenvergoeding is toegekend voor samenhangende zaken met meer betrokkenen, die proceskostenvergoeding naar rato aan de diverse betrokkenen uit te betalen.
9. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en, nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.338.494/01
CJIB-nummer
: 236302770
Uitspraak d.d.
: 21 augustus 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 19 februari 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 156,75. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 473,50, in de samenhangende zaken met de CJIB-nummers 236302770, 240936164 en 238033986.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 209,- voor: “23 km per uur harder rijden dan mag op een autosnelweg buiten de bebouwde kom (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 augustus 2020 om 08:11 uur op de A6 links, hmp 110.6, in Emmeloord met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het bedrag van de sanctie gematigd (met 25%) tot € 156,75 wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
3. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de betrokkene de gedraging ontkent.
4. De gemachtigde ontkent namens de betrokkene de gedraging, maar geeft hiervoor geen argumenten. De gegevens in het zaakoverzicht bieden voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. De enkele ontkenning van de gedraging is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Deze grond treft geen doel.
5. Voorts klaagt de gemachtigde over de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om een proceskostenvergoeding. De gemachtigde stelt primair dat de kantonrechter de zaken ten onrechte als samenhangend heeft aangemerkt en, subsidiair, dat de kantonrechter, zou hij dat wel hebben kunnen doen, slechts in één zaak een proceskostenveroordeling heeft toegekend, wat gelet op artikel 13a, derde lid, van de Wahv niet kan. De proceskostenvergoedingen moeten immers, in geval van samenhang met zaken van andere betrokkenen, aan de individuele betrokkenen worden toegekend, aldus de gemachtigde.
6. Met betrekking tot de primair aangevoerde grond overweegt het hof dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat, gelet op de inhoud van de beroepschriften bij de kantonrechter in de zaken met bovengenoemde CJIB-nummers, de gelijktijdige behandeling daarvan bij de kantonrechter en het feit dat in alle drie de zaken dezelfde gemachtigde optreedt, de zaken als samenhangend zijn aan te merken. De gemachtigde heeft geen argumenten aangevoerd die ertoe zouden kunnen leiden dat dit oordeel van de kantonrechter onjuist zou zijn. Deze grond slaagt niet.
7. De subsidiair aangevoerde grond van de gemachtigde komt er op neer dat de kantonrechter, indien sprake is van samenhangende zaken, de hoogte van de proceskostenvergoeding per betrokkene moet bepalen, nu in artikel 13a, derde lid, van Wahv is voorgeschreven dat de uitbetaling van de proceskostenvergoeding op de bankrekening van de betrokkene zelf moet plaatsvinden.
8. Ook deze grond faalt. De in artikel 13a, derde lid, van de Wahv neergelegde uitbetalingsregeling staat los van de toekenning van de proceskostenvergoeding. Het is aan degene die de proceskostenvergoeding uitbetaalt om, in geval een proceskostenvergoeding is toegekend voor samenhangende zaken met meer betrokkenen, die proceskostenvergoeding naar rato aan de diverse betrokkenen uit te betalen.
9. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen en, nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.