Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-07-23
ECLI:NL:GHARL:2024:4837
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
7,254 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.336.743
(zaaknummer rechtbank Overijssel 281972)
beschikking van 23 juli 2024
in de zaak van
[verzoekster]
, en
[verzoeker]
,
beiden wonende te [woonplaats1] ,verzoekers in het principaal hoger beroep,
verweerders in het incidenteel hoger beroep,
verder gezamenlijk te noemen: de grootouders,
advocaat: mr. D. Beuving te Hengelo (O),
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. N.A.M. Kienhuis te Almelo,
en
[naam1] en [naam2] ,
kantoorhoudende in respectievelijk [plaats1] en [plaats2] ,
in hun hoedanigheid van bijzondere curators van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ,
verder te noemen: de bijzondere curators.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de
rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 26 juli 2022, 21 november 2022, 25 januari 2023 en 20 oktober 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift namens de grootouders met producties, ingekomen op 16 januari 2024;
- het verweerschrift ook incidenteel hoger beroep namens de moeder met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep namens de grootouders met
producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 20 juni 2024 met producties;
- een brief van de bijzondere curatoren van 27 juni 2024 met productie.
2.2
De zitting was op 2 juli 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de grootouders met hun advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- de bijzondere curatoren;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Feiten
3.1
De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag uit over de kinderen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2016 te [woonplaats1] , en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2018 te [woonplaats1] .
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen in gezinsverband met de moeder.
3.2
De vader van de kinderen ( [de vader] ) is overleden [in] 2022.
3.3
De grootouders zijn de ouders van de vader. Sinds 15 april 2022 is er geen contact meer geweest tussen de grootouders, en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
4De omvang van het geschil4.1 Tussen partijen is (de invulling van) het recht op omgang van de grootouders met de kinderen in geschil. De grootouders hadden de rechtbank verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen hen en de kinderen. De moeder heeft de rechtbank gevraagd dat verzoek af te wijzen. In de beschikking van 20 oktober 2023 (verder: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank het verzoek van de grootouders afgewezen.
4.2
De grootouders zijn met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grieven beogen zij het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De grootouders verzoeken het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I de beschikking van de rechtbank van 20 oktober 2023 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
primair: een omgangsregeling vast te stellen, waarbij de kinderen eens per vier weken een weekend van vrijdag uit school tot zondag 16.00 uur bij de grootouders verblijven, waarbij (het hof begrijpt) de grootouders de kinderen zullen halen en brengen;
subsidiair: een omgangsregeling vast te leggen waarbij de kinderen eens per vier weken een dag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de grootouders verblijven, waarbij (het hof begrijpt) de grootouders de kinderen zullen halen en brengen;
meer subsidiair: een omgangsregeling vast te stellen als het hof juist acht;
II partijen te verplichten systeemtherapie te volgen bij een systeemtherapeut met een psychologische achtergrond en/of een deskundigenonderzoek te starten en partijen te verplichten mee te werken aan forensische mediation.
4.3
De moeder voert verweer. Daarnaast is zij met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De moeder vraagt het hof om de grootouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep dan hun de verzoeken af te wijzen. In het incidenteel hoger beroep verzoekt zij, uitvoerbaar bij voorraad:
I. haar incidenteel hoger beroep gegrond te verklaren;
II. te bepalen dat geen sprake is van family life tussen de grootouders en de kinderen;
III. te bepalen dat de beschikking van 20 oktober 2023 voor het overige in stand blijft onder wijziging van de gronden waarop die beschikking is gegeven dan wel een verbetering van de gronden met inachtneming van de namens de moeder ingediende grieven.
4.4
De grootouders voeren verweer en zij vragen de verzoeken in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Motivering
5.1
Het hof ziet geen aanleiding om een onderzoek door een deskundige te gelasten zoals de grootouders hebben verzocht. Het hof acht zich voldoende geïnformeerd op basis van de informatie die de moeder, de grootouders, de bijzondere curators en de raad naar voren hebben gebracht. Het hof sluit na eigen onderzoek aan bij het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waar dat oordeel op rust en neemt die overwegingen, met uitzondering van de overweging in 5.6 voor zover daar is opgenomen: “Bij de harde […] in het leven van de kinderen”, hier over. In aanvulling op die beschikking overweegt het hof nog het volgende.
Family life (gezinsleven)
5.2
De moeder heeft gelijk dat de grootouders die een verzoek doen tot het vaststellen van een omgangsregeling met hun kleinkinderen alleen ontvankelijk kunnen zijn in hun verzoek, als zij in hun verzoekschrift voldoende concrete omstandigheden stellen voor het bestaan tussen hen en de kleinkinderen van ‘gezinsleven’ (family life) als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Als dat is gebeurd, komt het aan op de vraag of uit de gestelde feiten voortvloeit dat tussen de grootouders en kleinkinderen een zo nauwe persoonlijke betrekking bestaat dat voor een onderzoek naar de eventuele gerechtvaardigdheid van een omgangsregeling plaats is. Of aan die eis is voldaan is een kwestie van feitelijke waardering door de rechter. Het hof vindt dat de grootouders voldoende concrete omstandigheden hebben gesteld die blijk geven van een ‘gezinsleven’ als hier bedoeld en dat plaats is voor een onderzoek naar de gerechtvaardigdheid van een omgangsregeling. Ook vindt het hof dat de rechtbank in zijn beschikking van 26 juli 2022 (pagina 4, laatste alinea) goed heeft uitgelegd waarom hier sprake is van ‘gezinsleven’. Het hof neemt die overwegingen hier over en voegt daar nog het volgende aan toe.
5.3
De moeder en de vader hebben meer dan vijftien jaar een relatie gehad waarbij zij ook grotendeels hebben samengewoond. De grootouders hebben gesteld, en dat is door de moeder ook erkend, dat eerst [de minderjarige1] , maar later ook [de minderjarige2] (nagenoeg) iedere vrijdag door de grootouders werden verzorgd en opgevoed. In mei 2021 heeft de moeder de relatie en de samenwoning met de vader verbroken en is de vader tijdelijk bij zijn ouders gaan wonen. Ook in die periode werden de kinderen door de grootouders op de vrijdag verzorgd. Er was daarom sprake van een hechte familieband waarbij de grootouders frequent zorg droegen voor de kinderen. Uit de stukken van de moeder valt daarbij op dat zij de vader, zonder de aanwezigheid van de grootouders, soms onvoldoende vertrouwde als verzorger en opvoeder van de kinderen. Zij heeft daarover benoemd dat de vader alleen zou kunnen zorgen voor de kinderen als de grootouders een zo groot mogelijke (hem-vervangende) rol zouden krijgen en schrijft dat op de ‘papadagen’ (vrijdagen) de grootmoeder steevast langskwam voor hulp, en de zorg voor [de minderjarige1] overnam. Ook voor de periode dat de vader bij zijn grootouders woonde, benoemt de moeder dat de vader de kinderen twee dagen per week zag bij zijn ouders maar de zorgtaken overliet aan de grootmoeder. Dat herhaalt zij ook later tijdens de zitting bij de rechtbank en ook tijdens het onderzoek door de raad. Het hof vindt daarom ook dat sprake is geweest van een ‘gezinsleven’ als hiervoor bedoeld.
De moeder stelt subsidiair dat dat het ‘gezinsleven’ verbroken is geraakt. Voor het hof is het volstrekt helder dat de verstandhouding tussen de moeder en de grootouders zeer verstoord is geraakt. De moeder vindt dat de grootouders haar in de steek hebben gelaten. Zij voelt zich niet gehoord en gesteund in de zorgen die zij eerder over het gedrag van de vader had en welke zorgen zij (ook) bij de grootouders uitte. Ook ervaart zij dat de grootouders zich richting haar en de kinderen respectloos hebben gedragen en de belangen van de kinderen uit het oog hebben verloren in de periode rondom het overlijden en de begrafenis van de vader. Het hof oordeelt evenwel dat uit de omstandigheid dat er tussen de moeder en de grootouders forse moeilijkheden zijn gerezen niet volgt dat het bestaande ‘gezinsleven’ tussen de grootouders en de kleinkinderen is verbroken. Dat geldt ook niet nu er sprake is van een breuk in de contacten tussen de moeder en de kinderen enerzijds en de grootouders anderzijds.
De overweging van de rechtbank onder 5.6
5.4
De moeder heeft een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank in 5.6 voor zover daar is opgenomen: “Bij de harde […] in het leven van de kinderen”. Het hof gaat aan deze grief voorbij omdat het hof hiervoor reeds heeft opgemerkt dat het deze overweging niet overneemt.
Horen van de kinderen
5.5
De bijzondere curators, die zijn benoemd door de rechtbank, hebben op 12 juni 2023 hun verslag uitgebracht. De grootouders hebben een grief gericht tegen het feit dat de bijzondere curators, voorafgaand aan het geven van een advies, niet zelf met de kinderen hebben gesproken. Uit het dictum van de beschikkingen van de rechtbank van 21 november 2022 en die van 25 januari 2023 blijkt dat de bijzondere curators (op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek) zijn benoemd om een standpunt in te nemen over de omgang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met de grootouders. Aan die opdracht, en dat is ook niet in geschil, is vormgegeven. De vraag is hier of de bijzondere curators daarbij gehouden waren om, alvorens een standpunt in te nemen, zelf ook met de kinderen te spreken. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank heeft weliswaar in haar overweging de bijzondere curators verzocht om ook gesprekken te voeren met de kinderen maar het hof vindt dat de bijzondere curators een eigen verantwoordelijkheid hebben om aan zo’n verzoek gehoor te geven. Het is immers de wettelijke taak van de bijzondere curator om een kind, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen waarbij hij of zij de belangen van een door hem of haar vertegenwoordigd kind voorop dient te stellen. Bij een dergelijke belangenafweging past dat het in bijzondere situaties zo kan zijn dat de bijzondere curator beslist om geen gesprek met een kind te voeren zoals ook hier is gebeurd.
Waarom de bijzondere curators niet in gesprek zijn gegaan met de kinderen hebben zij in hun verslag gemotiveerd uitgelegd. De bijzondere curators hebben de rechtbank daarbij verzocht om hen een nadere instructie te geven als de rechtbank (toch) wenst dat de bijzondere curatoren gesprekken met de kinderen voeren. Niet is gebleken dat de rechtbank een dergelijke instructie heeft gegeven.
In de procedure bij het hof hebben de bijzondere curators de inhoud van hun rapportage gehandhaafd en daarnaar verwezen. Zij hebben daarbij ook het hof verzocht om hen nadere instructies te geven als het hof wenst dat zij gesprekken met de kinderen voeren. Het hof heeft die instructie niet gegeven omdat het hof daar geen aanleiding toe ziet. Het hof vindt dat het horen van de nog heel jonge kinderen (5 en 7 jaar) voor hen onnodig belastend zou zijn geweest, gegeven de nog altijd precaire situatie en het gegeven dat een hele roerige tijd achter de rug hebben waar nu juist wat rust in is gekomen. Dat geldt temeer waar de inhoud van die gesprekken niet tot een andere beslissing kan leiden. Immers, de mogelijkheden tot omgang met de grootouders stranden in deze zaak, zie hierna, op de onmogelijkheden van de moeder daartoe (haar draagkracht en draaglast).
Omgangsregeling
5.6
In hoger beroep hebben de bijzondere curators en de raad hun adviezen gehandhaafd.
Dictum
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 20 oktober 2023;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, voorzitter, M.P. den Hollander en
A.E. Grosscurt en is op 23 juli 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Verzoekschrift namens de moeder van 6 juli 2021, onder 5
Verzoekschrift namens de moeder van 6 juli 2021, onder 7
Brief namens de moeder van 19 oktober 2021, onder 15
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 oktober 2021, pagina 4 bovenaan
Rapport van de raad van 1 februari 2022, pagina 4
Verslag bijzondere curatoren van 12 juni 2023, onder 6.1
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.336.743
(zaaknummer rechtbank Overijssel 281972)
beschikking van 23 juli 2024
in de zaak van
[verzoekster]
, en
[verzoeker]
,
beiden wonende te [woonplaats1] ,verzoekers in het principaal hoger beroep,
verweerders in het incidenteel hoger beroep,
verder gezamenlijk te noemen: de grootouders,
advocaat: mr. D. Beuving te Hengelo (O),
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. N.A.M. Kienhuis te Almelo,
en
[naam1] en [naam2] ,
kantoorhoudende in respectievelijk [plaats1] en [plaats2] ,
in hun hoedanigheid van bijzondere curators van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ,
verder te noemen: de bijzondere curators.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de
rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 26 juli 2022, 21 november 2022, 25 januari 2023 en 20 oktober 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift namens de grootouders met producties, ingekomen op 16 januari 2024;
- het verweerschrift ook incidenteel hoger beroep namens de moeder met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep namens de grootouders met
producties;
- een journaalbericht namens de moeder van 20 juni 2024 met producties;
- een brief van de bijzondere curatoren van 27 juni 2024 met productie.
2.2
De zitting was op 2 juli 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de grootouders met hun advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- de bijzondere curatoren;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Feiten
3.1
De moeder oefent van rechtswege alleen het gezag uit over de kinderen:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2016 te [woonplaats1] , en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2018 te [woonplaats1] .
[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen in gezinsverband met de moeder.
3.2
De vader van de kinderen ( [de vader] ) is overleden [in] 2022.
3.3
De grootouders zijn de ouders van de vader. Sinds 15 april 2022 is er geen contact meer geweest tussen de grootouders, en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .
4De omvang van het geschil4.1 Tussen partijen is (de invulling van) het recht op omgang van de grootouders met de kinderen in geschil. De grootouders hadden de rechtbank verzocht een omgangsregeling vast te stellen tussen hen en de kinderen. De moeder heeft de rechtbank gevraagd dat verzoek af te wijzen. In de beschikking van 20 oktober 2023 (verder: de bestreden beschikking) heeft de rechtbank het verzoek van de grootouders afgewezen.
4.2
De grootouders zijn met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Met deze grieven beogen zij het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De grootouders verzoeken het hof om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I de beschikking van de rechtbank van 20 oktober 2023 te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:
primair: een omgangsregeling vast te stellen, waarbij de kinderen eens per vier weken een weekend van vrijdag uit school tot zondag 16.00 uur bij de grootouders verblijven, waarbij (het hof begrijpt) de grootouders de kinderen zullen halen en brengen;
subsidiair: een omgangsregeling vast te leggen waarbij de kinderen eens per vier weken een dag van 10.00 uur tot 18.00 uur bij de grootouders verblijven, waarbij (het hof begrijpt) de grootouders de kinderen zullen halen en brengen;
meer subsidiair: een omgangsregeling vast te stellen als het hof juist acht;
II partijen te verplichten systeemtherapie te volgen bij een systeemtherapeut met een psychologische achtergrond en/of een deskundigenonderzoek te starten en partijen te verplichten mee te werken aan forensische mediation.
4.3
De moeder voert verweer. Daarnaast is zij met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. De moeder vraagt het hof om de grootouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun hoger beroep dan hun de verzoeken af te wijzen. In het incidenteel hoger beroep verzoekt zij, uitvoerbaar bij voorraad:
I. haar incidenteel hoger beroep gegrond te verklaren;
II. te bepalen dat geen sprake is van family life tussen de grootouders en de kinderen;
III. te bepalen dat de beschikking van 20 oktober 2023 voor het overige in stand blijft onder wijziging van de gronden waarop die beschikking is gegeven dan wel een verbetering van de gronden met inachtneming van de namens de moeder ingediende grieven.
4.4
De grootouders voeren verweer en zij vragen de verzoeken in het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
Motivering
5.1
Het hof ziet geen aanleiding om een onderzoek door een deskundige te gelasten zoals de grootouders hebben verzocht. Het hof acht zich voldoende geïnformeerd op basis van de informatie die de moeder, de grootouders, de bijzondere curators en de raad naar voren hebben gebracht. Het hof sluit na eigen onderzoek aan bij het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waar dat oordeel op rust en neemt die overwegingen, met uitzondering van de overweging in 5.6 voor zover daar is opgenomen: “Bij de harde […] in het leven van de kinderen”, hier over. In aanvulling op die beschikking overweegt het hof nog het volgende.
Family life (gezinsleven)
5.2
De moeder heeft gelijk dat de grootouders die een verzoek doen tot het vaststellen van een omgangsregeling met hun kleinkinderen alleen ontvankelijk kunnen zijn in hun verzoek, als zij in hun verzoekschrift voldoende concrete omstandigheden stellen voor het bestaan tussen hen en de kleinkinderen van ‘gezinsleven’ (family life) als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Als dat is gebeurd, komt het aan op de vraag of uit de gestelde feiten voortvloeit dat tussen de grootouders en kleinkinderen een zo nauwe persoonlijke betrekking bestaat dat voor een onderzoek naar de eventuele gerechtvaardigdheid van een omgangsregeling plaats is. Of aan die eis is voldaan is een kwestie van feitelijke waardering door de rechter. Het hof vindt dat de grootouders voldoende concrete omstandigheden hebben gesteld die blijk geven van een ‘gezinsleven’ als hier bedoeld en dat plaats is voor een onderzoek naar de gerechtvaardigdheid van een omgangsregeling. Ook vindt het hof dat de rechtbank in zijn beschikking van 26 juli 2022 (pagina 4, laatste alinea) goed heeft uitgelegd waarom hier sprake is van ‘gezinsleven’. Het hof neemt die overwegingen hier over en voegt daar nog het volgende aan toe.
5.3
De moeder en de vader hebben meer dan vijftien jaar een relatie gehad waarbij zij ook grotendeels hebben samengewoond. De grootouders hebben gesteld, en dat is door de moeder ook erkend, dat eerst [de minderjarige1] , maar later ook [de minderjarige2] (nagenoeg) iedere vrijdag door de grootouders werden verzorgd en opgevoed. In mei 2021 heeft de moeder de relatie en de samenwoning met de vader verbroken en is de vader tijdelijk bij zijn ouders gaan wonen. Ook in die periode werden de kinderen door de grootouders op de vrijdag verzorgd. Er was daarom sprake van een hechte familieband waarbij de grootouders frequent zorg droegen voor de kinderen. Uit de stukken van de moeder valt daarbij op dat zij de vader, zonder de aanwezigheid van de grootouders, soms onvoldoende vertrouwde als verzorger en opvoeder van de kinderen. Zij heeft daarover benoemd dat de vader alleen zou kunnen zorgen voor de kinderen als de grootouders een zo groot mogelijke (hem-vervangende) rol zouden krijgen en schrijft dat op de ‘papadagen’ (vrijdagen) de grootmoeder steevast langskwam voor hulp, en de zorg voor [de minderjarige1] overnam. Ook voor de periode dat de vader bij zijn grootouders woonde, benoemt de moeder dat de vader de kinderen twee dagen per week zag bij zijn ouders maar de zorgtaken overliet aan de grootmoeder. Dat herhaalt zij ook later tijdens de zitting bij de rechtbank en ook tijdens het onderzoek door de raad. Het hof vindt daarom ook dat sprake is geweest van een ‘gezinsleven’ als hiervoor bedoeld.
De moeder stelt subsidiair dat dat het ‘gezinsleven’ verbroken is geraakt. Voor het hof is het volstrekt helder dat de verstandhouding tussen de moeder en de grootouders zeer verstoord is geraakt. De moeder vindt dat de grootouders haar in de steek hebben gelaten. Zij voelt zich niet gehoord en gesteund in de zorgen die zij eerder over het gedrag van de vader had en welke zorgen zij (ook) bij de grootouders uitte. Ook ervaart zij dat de grootouders zich richting haar en de kinderen respectloos hebben gedragen en de belangen van de kinderen uit het oog hebben verloren in de periode rondom het overlijden en de begrafenis van de vader. Het hof oordeelt evenwel dat uit de omstandigheid dat er tussen de moeder en de grootouders forse moeilijkheden zijn gerezen niet volgt dat het bestaande ‘gezinsleven’ tussen de grootouders en de kleinkinderen is verbroken. Dat geldt ook niet nu er sprake is van een breuk in de contacten tussen de moeder en de kinderen enerzijds en de grootouders anderzijds.
De overweging van de rechtbank onder 5.6
5.4
De moeder heeft een grief gericht tegen het oordeel van de rechtbank in 5.6 voor zover daar is opgenomen: “Bij de harde […] in het leven van de kinderen”. Het hof gaat aan deze grief voorbij omdat het hof hiervoor reeds heeft opgemerkt dat het deze overweging niet overneemt.
Horen van de kinderen
5.5
De bijzondere curators, die zijn benoemd door de rechtbank, hebben op 12 juni 2023 hun verslag uitgebracht. De grootouders hebben een grief gericht tegen het feit dat de bijzondere curators, voorafgaand aan het geven van een advies, niet zelf met de kinderen hebben gesproken. Uit het dictum van de beschikkingen van de rechtbank van 21 november 2022 en die van 25 januari 2023 blijkt dat de bijzondere curators (op grond van artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek) zijn benoemd om een standpunt in te nemen over de omgang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met de grootouders. Aan die opdracht, en dat is ook niet in geschil, is vormgegeven. De vraag is hier of de bijzondere curators daarbij gehouden waren om, alvorens een standpunt in te nemen, zelf ook met de kinderen te spreken. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. De rechtbank heeft weliswaar in haar overweging de bijzondere curators verzocht om ook gesprekken te voeren met de kinderen maar het hof vindt dat de bijzondere curators een eigen verantwoordelijkheid hebben om aan zo’n verzoek gehoor te geven. Het is immers de wettelijke taak van de bijzondere curator om een kind, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen waarbij hij of zij de belangen van een door hem of haar vertegenwoordigd kind voorop dient te stellen. Bij een dergelijke belangenafweging past dat het in bijzondere situaties zo kan zijn dat de bijzondere curator beslist om geen gesprek met een kind te voeren zoals ook hier is gebeurd.
Waarom de bijzondere curators niet in gesprek zijn gegaan met de kinderen hebben zij in hun verslag gemotiveerd uitgelegd. De bijzondere curators hebben de rechtbank daarbij verzocht om hen een nadere instructie te geven als de rechtbank (toch) wenst dat de bijzondere curatoren gesprekken met de kinderen voeren. Niet is gebleken dat de rechtbank een dergelijke instructie heeft gegeven.
In de procedure bij het hof hebben de bijzondere curators de inhoud van hun rapportage gehandhaafd en daarnaar verwezen. Zij hebben daarbij ook het hof verzocht om hen nadere instructies te geven als het hof wenst dat zij gesprekken met de kinderen voeren. Het hof heeft die instructie niet gegeven omdat het hof daar geen aanleiding toe ziet. Het hof vindt dat het horen van de nog heel jonge kinderen (5 en 7 jaar) voor hen onnodig belastend zou zijn geweest, gegeven de nog altijd precaire situatie en het gegeven dat een hele roerige tijd achter de rug hebben waar nu juist wat rust in is gekomen. Dat geldt temeer waar de inhoud van die gesprekken niet tot een andere beslissing kan leiden. Immers, de mogelijkheden tot omgang met de grootouders stranden in deze zaak, zie hierna, op de onmogelijkheden van de moeder daartoe (haar draagkracht en draaglast).
Omgangsregeling
5.6
In hoger beroep hebben de bijzondere curators en de raad hun adviezen gehandhaafd.
Dictum
Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo van 20 oktober 2023;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. E. de Boer, voorzitter, M.P. den Hollander en
A.E. Grosscurt en is op 23 juli 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Verzoekschrift namens de moeder van 6 juli 2021, onder 5
Verzoekschrift namens de moeder van 6 juli 2021, onder 7
Brief namens de moeder van 19 oktober 2021, onder 15
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 25 oktober 2021, pagina 4 bovenaan
Rapport van de raad van 1 februari 2022, pagina 4
Verslag bijzondere curatoren van 12 juni 2023, onder 6.1