Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-07-16
ECLI:NL:GHARL:2024:4741
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
5,882 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/3107
uitspraakdatum: 16 juli 2024
Uitspraak van de tiende enkelvoudige kamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 19 oktober 2023, nummer ARN 23/602, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Renkum (hierna: de heffingsambtenaar).
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 8-1 te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2021, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 143.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] , namens belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift verzocht om toezending van een taxatieverslag. Daarnaast heeft belanghebbende voor de woning en de vergelijkingsobjecten verzocht om toezending van de grondstaffels, de KOUDV- en liggingsfactoren en de bijbehorende correctiepercentages, alsmede (de onderbouwing van) de indexeringspercentages.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van dit verzoek een taxatiematrix overgelegd, waarin aan de hand van de vergelijkingsobjecten [adres2] 8-1, [adres3] 2-1 en [adres4] 50 wordt geconcludeerd tot een (afgeronde) waarde van € 143.000. In deze bezwaarmatrix zijn van de woning en vergelijkingsobjecten de primaire objectkenmerken opgenomen (zoals bouwjaar, objecttype, gebruiksoppervlak en kaveloppervlak), alsmede een oordeel over de secundaire objectkenmerken (uitgedrukt in KOUDV- en liggingsfactoren).
2.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 11 november 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Daartoe heeft de heffingsambtenaar gewezen op de bezwaarmatrix (zie 2.2.) en twee aanvullende vergelijkingsobjecten: [adres5] 4-2 en [adres1] 4 (hierna verder: de aanvullende vergelijkingsobjecten).
2.4.
Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde in eerste aanleg gewezen op een door [naam3] en [naam4] opgesteld taxatierapport. Hierin wordt aan de hand van drie vergelijkingsobjecten – [adres2] 8-1, [adres6] 294 en [adres6] 300 – geconcludeerd tot een waarde van € 125.000.
2.5.
In beroep heeft de heffingsambtenaar een door [naam5] (taxateur) opgesteld waardeadvies overgelegd. In de hierbij opgenomen taxatiematrix wordt aan de hand van drie vergelijkingsobjecten – [adres6] 294, 300 en 182 – geconcludeerd tot een waarde van € 152.000.
Geschil
3.1.
In hoger beroep is in geschil of de heffingsambtenaar de in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ opgenomen toezendplicht heeft geschonden, en zo ja, of hiervoor een proceskostenvergoeding dient te worden toegekend. De vastgestelde waarde is uitdrukkelijk niet in geschil.
3.2.
Voorts is in geschil of de motiveringsplicht is geschonden, doordat de onderbouwing van de vastgestelde waarde in de beroepsfase op andere vergelijkingsobjecten berust dan in de uitspraak op bezwaar.
3.3.
Belanghebbende beantwoordt de bovengenoemde vragen bevestigend en concludeert tot veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten die belanghebbende in beroep en hoger beroep heeft moeten maken. De heffingsambtenaar beantwoordt de vragen ontkennend.
Overwegingen
Schending toezendplicht
4.1.
Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met hetgeen in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is bepaald, door van de aanvullende vergelijkingsobjecten niet de gegevens te verstrekken waar in het bezwaarschrift door belanghebbende om is verzocht (zie. 2.1.).
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de in de bezwaarmatrix gehanteerde vergelijkingsobjecten alle gegevens zijn verstrekt waar belanghebbende om heeft verzocht. Evenmin is in geschil dat deze gegevens niet voor de aanvullende vergelijkingsobjecten zijn verstrekt.
4.3.
Of de heffingsambtenaar met het niet aanleveren van de door belanghebbende opgevraagde gegevens voor de aanvullende vergelijkingsobjecten in strijd heeft gehandeld met wat in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is bepaald, kan naar oordeel van het Hof in het midden blijven. Voor zover die informatieverstrekking door de heffingsambtenaar al gebrekkig zou zijn en daardoor sprake is van een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, ziet het Hof namelijk geen aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende en het door hem betaalde griffierecht. Belanghebbende heeft in het beroepschrift in eerste aanleg namelijk gesteld dat de aanvullende vergelijkingsobjecten ongeschikt zijn om als onderbouwing voor de gezochte waarde te dienen, aangezien deze verkoopcijfers te ver voor de waardepeildatum zijn gerealiseerd. Nu belanghebbende van de in de bezwaarmatrix gehanteerde vergelijkingsobjecten de van belang zijnde gegevens heeft gekregen, de aanvullende vergelijkingsobjecten slechts ter ‘aanvulling’ zijn weergegeven in de uitspraak op bezwaar en deze volgens belanghebbende ongeschikt waren om als onderbouwing van de WOZ-waarde te dienen, is belanghebbende naar oordeel van het Hof niet benadeeld door een eventueel gebrekkige informatievoorziening. Bovendien acht het Hof aannemelijk dat de eventuele schending niet van doorslaggevende betekenis is geweest voor het instellen van beroep, nu belanghebbende een eigen taxatieverslag – gebaseerd op een eigen onderzoek dat los van de onderbouwing van de heffingsambtenaar heeft plaatsgevonden – heeft aangeleverd (zie 2.4.). Verondersteld moet worden dat belanghebbende ook beroep had ingesteld en kosten had gemaakt, wanneer de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet zou hebben geschonden. De hogerberoepsgrond slaagt derhalve niet.
Schending motiveringsbeginsel
4.4.
In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar, ter staving van de door hem voorgestane waarde, gebruikgemaakt van andere vergelijkingsobjecten dan die in bezwaarfase zijn gehanteerd. Belanghebbende betoogt dat dit in strijd is met het motiveringsbeginsel en dat hieruit volgt dat de waarde in bezwaar onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Nu de heffingsambtenaar die onderbouwing heeft losgelaten, was de motivering van de uitspraken op bezwaar namelijk kennelijk onvoldoende, aldus belanghebbende.
4.5.
De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat in het in beroep opgestelde waarde-advies beter geschikte vergelijkingsobjecten zijn gebruikt dan in de bezwaarfase. Dat wil niet zeggen dat de vergelijkingsobjecten in de bezwaarfase geheel onvergelijkbaar waren, aldus de heffingsambtenaar.
4.6.
Het Hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:12, lid 1, van de Awb, moet de beslissing op bezwaar berusten op een deugdelijke motivering. In dit geval heeft de heffingsambtenaar zijn uitspraak op bezwaar gemotiveerd door te wijzen op een eerder in de bezwaarfase aangeleverde taxatiematrix en door twee aanvullende vergelijkingsobjecten in te brengen. Uit bestendige jurisprudentie volgt dat partijen hun onderbouwing van de respectievelijk door hen voorgestane waarden gedurende de procedure mogen wijzigen. Reeds hierom is er geen sprake van strijd met het motiveringsbeginsel. Ten overvloede merkt het Hof nog op dat de door de heffingsambtenaar in beroep gehanteerde vergelijkingsobjecten [adres6] 294 en 300 eveneens door belanghebbende zijn aangevoerd in de beroepsfase, zodat enkel het vergelijkingsobject [adres6] 182 onbekend was voor belanghebbende. Deze hogerberoepsgrond slaagt derhalve evenmin.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
Dictum
De griffier, De raadsheer,
(J. Hollander) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 17 juli 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
KOUDV staat voor Kwaliteit, Onderhoud, Uitstraling, Doelmatigheid en Voorzieningen.
Vergelijk HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, r.o. 4.3.2.
vlg. HR 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/3107
uitspraakdatum: 16 juli 2024
Uitspraak van de tiende enkelvoudige kamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]
te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 19 oktober 2023, nummer ARN 23/602, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Renkum (hierna: de heffingsambtenaar).
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 8-1 te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2021, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 143.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord [naam1] , namens belanghebbende, alsmede [naam2] namens de heffingsambtenaar.
Feiten
2.1.
Belanghebbende heeft in het bezwaarschrift verzocht om toezending van een taxatieverslag. Daarnaast heeft belanghebbende voor de woning en de vergelijkingsobjecten verzocht om toezending van de grondstaffels, de KOUDV- en liggingsfactoren en de bijbehorende correctiepercentages, alsmede (de onderbouwing van) de indexeringspercentages.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van dit verzoek een taxatiematrix overgelegd, waarin aan de hand van de vergelijkingsobjecten [adres2] 8-1, [adres3] 2-1 en [adres4] 50 wordt geconcludeerd tot een (afgeronde) waarde van € 143.000. In deze bezwaarmatrix zijn van de woning en vergelijkingsobjecten de primaire objectkenmerken opgenomen (zoals bouwjaar, objecttype, gebruiksoppervlak en kaveloppervlak), alsmede een oordeel over de secundaire objectkenmerken (uitgedrukt in KOUDV- en liggingsfactoren).
2.3.
Bij uitspraak op bezwaar van 11 november 2022 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. Daartoe heeft de heffingsambtenaar gewezen op de bezwaarmatrix (zie 2.2.) en twee aanvullende vergelijkingsobjecten: [adres5] 4-2 en [adres1] 4 (hierna verder: de aanvullende vergelijkingsobjecten).
2.4.
Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde in eerste aanleg gewezen op een door [naam3] en [naam4] opgesteld taxatierapport. Hierin wordt aan de hand van drie vergelijkingsobjecten – [adres2] 8-1, [adres6] 294 en [adres6] 300 – geconcludeerd tot een waarde van € 125.000.
2.5.
In beroep heeft de heffingsambtenaar een door [naam5] (taxateur) opgesteld waardeadvies overgelegd. In de hierbij opgenomen taxatiematrix wordt aan de hand van drie vergelijkingsobjecten – [adres6] 294, 300 en 182 – geconcludeerd tot een waarde van € 152.000.
Geschil
3.1.
In hoger beroep is in geschil of de heffingsambtenaar de in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ opgenomen toezendplicht heeft geschonden, en zo ja, of hiervoor een proceskostenvergoeding dient te worden toegekend. De vastgestelde waarde is uitdrukkelijk niet in geschil.
3.2.
Voorts is in geschil of de motiveringsplicht is geschonden, doordat de onderbouwing van de vastgestelde waarde in de beroepsfase op andere vergelijkingsobjecten berust dan in de uitspraak op bezwaar.
3.3.
Belanghebbende beantwoordt de bovengenoemde vragen bevestigend en concludeert tot veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten die belanghebbende in beroep en hoger beroep heeft moeten maken. De heffingsambtenaar beantwoordt de vragen ontkennend.
Overwegingen
Schending toezendplicht
4.1.
Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar in strijd heeft gehandeld met hetgeen in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is bepaald, door van de aanvullende vergelijkingsobjecten niet de gegevens te verstrekken waar in het bezwaarschrift door belanghebbende om is verzocht (zie. 2.1.).
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de in de bezwaarmatrix gehanteerde vergelijkingsobjecten alle gegevens zijn verstrekt waar belanghebbende om heeft verzocht. Evenmin is in geschil dat deze gegevens niet voor de aanvullende vergelijkingsobjecten zijn verstrekt.
4.3.
Of de heffingsambtenaar met het niet aanleveren van de door belanghebbende opgevraagde gegevens voor de aanvullende vergelijkingsobjecten in strijd heeft gehandeld met wat in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ is bepaald, kan naar oordeel van het Hof in het midden blijven. Voor zover die informatieverstrekking door de heffingsambtenaar al gebrekkig zou zijn en daardoor sprake is van een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, ziet het Hof namelijk geen aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende en het door hem betaalde griffierecht. Belanghebbende heeft in het beroepschrift in eerste aanleg namelijk gesteld dat de aanvullende vergelijkingsobjecten ongeschikt zijn om als onderbouwing voor de gezochte waarde te dienen, aangezien deze verkoopcijfers te ver voor de waardepeildatum zijn gerealiseerd. Nu belanghebbende van de in de bezwaarmatrix gehanteerde vergelijkingsobjecten de van belang zijnde gegevens heeft gekregen, de aanvullende vergelijkingsobjecten slechts ter ‘aanvulling’ zijn weergegeven in de uitspraak op bezwaar en deze volgens belanghebbende ongeschikt waren om als onderbouwing van de WOZ-waarde te dienen, is belanghebbende naar oordeel van het Hof niet benadeeld door een eventueel gebrekkige informatievoorziening. Bovendien acht het Hof aannemelijk dat de eventuele schending niet van doorslaggevende betekenis is geweest voor het instellen van beroep, nu belanghebbende een eigen taxatieverslag – gebaseerd op een eigen onderzoek dat los van de onderbouwing van de heffingsambtenaar heeft plaatsgevonden – heeft aangeleverd (zie 2.4.). Verondersteld moet worden dat belanghebbende ook beroep had ingesteld en kosten had gemaakt, wanneer de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet zou hebben geschonden. De hogerberoepsgrond slaagt derhalve niet.
Schending motiveringsbeginsel
4.4.
In de beroepsfase heeft de heffingsambtenaar, ter staving van de door hem voorgestane waarde, gebruikgemaakt van andere vergelijkingsobjecten dan die in bezwaarfase zijn gehanteerd. Belanghebbende betoogt dat dit in strijd is met het motiveringsbeginsel en dat hieruit volgt dat de waarde in bezwaar onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Nu de heffingsambtenaar die onderbouwing heeft losgelaten, was de motivering van de uitspraken op bezwaar namelijk kennelijk onvoldoende, aldus belanghebbende.
4.5.
De heffingsambtenaar heeft zich op het standpunt gesteld dat in het in beroep opgestelde waarde-advies beter geschikte vergelijkingsobjecten zijn gebruikt dan in de bezwaarfase. Dat wil niet zeggen dat de vergelijkingsobjecten in de bezwaarfase geheel onvergelijkbaar waren, aldus de heffingsambtenaar.
4.6.
Het Hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 7:12, lid 1, van de Awb, moet de beslissing op bezwaar berusten op een deugdelijke motivering. In dit geval heeft de heffingsambtenaar zijn uitspraak op bezwaar gemotiveerd door te wijzen op een eerder in de bezwaarfase aangeleverde taxatiematrix en door twee aanvullende vergelijkingsobjecten in te brengen. Uit bestendige jurisprudentie volgt dat partijen hun onderbouwing van de respectievelijk door hen voorgestane waarden gedurende de procedure mogen wijzigen. Reeds hierom is er geen sprake van strijd met het motiveringsbeginsel. Ten overvloede merkt het Hof nog op dat de door de heffingsambtenaar in beroep gehanteerde vergelijkingsobjecten [adres6] 294 en 300 eveneens door belanghebbende zijn aangevoerd in de beroepsfase, zodat enkel het vergelijkingsobject [adres6] 182 onbekend was voor belanghebbende. Deze hogerberoepsgrond slaagt derhalve evenmin.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Hetgeen belanghebbende overigens nog heeft aangevoerd, doet aan deze conclusie niet af.
5Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.
Dictum
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
Dictum
De griffier, De raadsheer,
(J. Hollander) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 17 juli 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
KOUDV staat voor Kwaliteit, Onderhoud, Uitstraling, Doelmatigheid en Voorzieningen.
Vergelijk HR 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1052, r.o. 4.3.2.
vlg. HR 10 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO6786.