Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-07-16
ECLI:NL:GHARL:2024:4737
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
5,950 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/60
uitspraakdatum: 16 juli 2024
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
en het incidentele hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Buren (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 18 november 2021, nummer AWB 21/564, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] voor het jaar 2020 vastgesteld op € 275.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar een aanslag onroerendezaakbelasting aan belanghebbende opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. Voorts heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Partijen hebben voorts nadere stukken ingediend, waaronder een conclusie van repliek en een conclusie van dupliek.
1.5.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 9 juli 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord C.M.L. Poen als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede en [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] (taxateur).
Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een in 1999 gebouwde geschakelde woning.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende de WOZ-waarde van de woning voor het jaar 2020 vastgesteld op € 275.000.
2.3.
De Rechtbank heeft het geschil van partijen inzake de hoogte van de WOZ-waarde ten gunste van de heffingsambtenaar beslist.
2.4.
De Rechtbank heeft belanghebbende niettemin een proceskostenvergoeding ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand toegekend omdat de heffingsambtenaar volgens de Rechtbank in de bezwaarfase de in artikel 40, lid 2, Wet WOZ opgenomen toezendverplichting heeft geschonden.
2.5.
De Rechtbank heeft de proceskostenvergoeding voor bezwaar en beroep vastgesteld op € 799. Daarbij heeft de Rechtbank een wegingsfactor 0,5 gehanteerd. Voor de waarde per punt voor de fase van beroep is de Rechtbank uitgegaan van het in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen lage tarief van € 534 (tekst 2021).
Geschil
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, is tussen partijen de (hoogte van de) door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding in geschil. De WOZ-waarde is in hoger beroep niet in geschil. De grief inzake het ontbreken van een rechtsgeldige machtiging voor het hoger beroep heeft de heffingsambtenaar ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.
Overwegingen
Ontvankelijkheid hoger beroep
4.1.
In zijn incidentele hoger beroep stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat het (principale) hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat belanghebbende in hoger beroep geen procesbelang heeft.
4.2.
Belanghebbende betwist dit standpunt naar het oordeel van het Hof terecht. Nu het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep belanghebbende, ongeacht de gronden waarop het steunt, in een betere positie kan brengen met betrekking tot de beslissing van de Rechtbank inzake de proceskosten heeft hij bij dat hoger beroep een procesbelang (vgl. HR 23 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:265). Dat hier sprake is van vertegenwoordiging op basis van no cure no pay en dat belanghebbende is overeengekomen dat een eventuele proceskostenvergoeding aan de gemachtigde toekomt, doen hieraan niet af.
4.3.
Het principale hoger beroep van belanghebbende is ontvankelijk. Het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar faalt in zoverre.
Schending art. 40 Wet WOZ
4.4.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar het bepaalde in artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft geschonden doordat hij bepaalde gegevens die aan de waardevaststelling ten grondslag hebben gelegen in bezwaar niet aan belanghebbende op diens verzoek heeft toegezonden. Vanwege deze schending heeft de Rechtbank belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend.
4.5.
De heffingsambtenaar bestrijdt in zijn incidentele hoger beroep dat sprake is van schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Dit standpunt is gefundeerd op het betoog, kort gezegd, dat artikel 40, lid 2, Wet WOZ geen toezendverplichting behelst. Dat betoog is evenwel onjuist (zie onder meer HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:861). Het incidentele hoger beroep faalt ook in zoverre.
Hoogte PKV
4.6.
Belanghebbende klaagt erover dat de Rechtbank bij het berekenen van de proceskostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de in Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen lagere puntwaarde voor WOZ-zaken. Deze klacht treft, gelet op het arrest HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 doel.
4.7.
Reeds hierom is het principale hoger beroep van belanghebbende gegrond. Het Hof zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen door zelf de vergoeding van de proceskosten van bewaar en beroep vast te stellen. Daarbij dient te worden uitgegaan van de tarieven van 2024.
4.8.
De heffingsambtenaar heeft in het geval dat wordt geconcludeerd dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding opgemerkt dat moet worden uitgegaan van een wegingsfactor 0,5. De heffingsambtenaar heeft geen gronden of verweren aangevoerd tegen het aantal proceshandelingen dat door de Rechtbank in aanmerking is genomen, zodat het Hof van die proceshandelingen zal uitgaan.
4.9.
In aanmerking genomen dat het geschil tussen partijen in de bezwaar- en beroepsfase ook betrekking had op de vastgestelde WOZ-waarde zal het Hof, overeenkomstig zijn Richtsnoer Proceskostenvergoeding (Hof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10307) voor die fases van de procedure uitgaan van een wegingsfactor 1.
4.10.
Dit leidt, berekend naar de tarieven van 2024, tot een proceskostenvergoeding voor bezwaar van € 620 (2 punten x € 310) en voor beroep tot een bedrag van € 1.750 (2 punten x € 875 x wegingsfactor 1).
4.11.
Omdat het principale hoger beroep van belanghebbende gegrond wordt verklaard en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond, heeft belanghebbende ook recht op vergoeding van de proceskosten voor de hogerberoepsfase. Omdat de rechtsstrijd van partijen in die fase alleen betrekking heeft op de door de Rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding zal het Hof, overeenkomstig genoemd Richtsnoer, voor de fase van hoger beroep een wegingsfactor 0,5 hanteren. Dit leidt tot een vergoeding van € 1.531,25 voor de kosten van in hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand (3,5 punten x € 875 x 0,5. De proceshandelingen betreffen: hogerberoepschrift, conclusie van repliek, schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep en zitting).
4.12.
Opmerking verdient dat voornoemde bedragen op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 30a, lid 4, van de Wet WOZ uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dienen te worden uitbetaald.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het principale hoger beroep gegrond en het incidentele hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het principale hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 134 te vergoeden. Vergoeding van het door belanghebbende voor de procedure in beroep betaalde griffierecht is reeds door de Rechtbank vergoed. Het Hof laat die beslissing in stand.
Wat betreft de proceskostenvergoedingen verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor in 4.10 en 4.11 is overwogen.
Dictum
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de beslissing inzake de proceskosten betreft,
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van totaal € 3.901,25, en
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 134 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
Dictum
De griffier, De raadsheer,
(J. Hollander) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 17 juli 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/60
uitspraakdatum: 16 juli 2024
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
en het incidentele hoger beroep van
de heffingsambtenaar van de gemeente Buren (hierna: de heffingsambtenaar)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 18 november 2021, nummer AWB 21/564, in het geding tussen belanghebbende en de heffingsambtenaar
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] voor het jaar 2020 vastgesteld op € 275.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar een aanslag onroerendezaakbelasting aan belanghebbende opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. Voorts heeft de Rechtbank de heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan belanghebbende.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Partijen hebben voorts nadere stukken ingediend, waaronder een conclusie van repliek en een conclusie van dupliek.
1.5.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 9 juli 2024. Daarbij zijn verschenen en gehoord C.M.L. Poen als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede en [naam1] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam2] (taxateur).
Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak, een in 1999 gebouwde geschakelde woning.
2.2.
De heffingsambtenaar heeft ten aanzien van belanghebbende de WOZ-waarde van de woning voor het jaar 2020 vastgesteld op € 275.000.
2.3.
De Rechtbank heeft het geschil van partijen inzake de hoogte van de WOZ-waarde ten gunste van de heffingsambtenaar beslist.
2.4.
De Rechtbank heeft belanghebbende niettemin een proceskostenvergoeding ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand toegekend omdat de heffingsambtenaar volgens de Rechtbank in de bezwaarfase de in artikel 40, lid 2, Wet WOZ opgenomen toezendverplichting heeft geschonden.
2.5.
De Rechtbank heeft de proceskostenvergoeding voor bezwaar en beroep vastgesteld op € 799. Daarbij heeft de Rechtbank een wegingsfactor 0,5 gehanteerd. Voor de waarde per punt voor de fase van beroep is de Rechtbank uitgegaan van het in het Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen lage tarief van € 534 (tekst 2021).
Geschil
In hoger beroep is tussen partijen in geschil of het hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, is tussen partijen de (hoogte van de) door de Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding in geschil. De WOZ-waarde is in hoger beroep niet in geschil. De grief inzake het ontbreken van een rechtsgeldige machtiging voor het hoger beroep heeft de heffingsambtenaar ter zitting uitdrukkelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.
Overwegingen
Ontvankelijkheid hoger beroep
4.1.
In zijn incidentele hoger beroep stelt de heffingsambtenaar zich op het standpunt dat het (principale) hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat belanghebbende in hoger beroep geen procesbelang heeft.
4.2.
Belanghebbende betwist dit standpunt naar het oordeel van het Hof terecht. Nu het aanwenden van het rechtsmiddel van hoger beroep belanghebbende, ongeacht de gronden waarop het steunt, in een betere positie kan brengen met betrekking tot de beslissing van de Rechtbank inzake de proceskosten heeft hij bij dat hoger beroep een procesbelang (vgl. HR 23 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:265). Dat hier sprake is van vertegenwoordiging op basis van no cure no pay en dat belanghebbende is overeengekomen dat een eventuele proceskostenvergoeding aan de gemachtigde toekomt, doen hieraan niet af.
4.3.
Het principale hoger beroep van belanghebbende is ontvankelijk. Het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar faalt in zoverre.
Schending art. 40 Wet WOZ
4.4.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de heffingsambtenaar het bepaalde in artikel 40, lid 2, Wet WOZ heeft geschonden doordat hij bepaalde gegevens die aan de waardevaststelling ten grondslag hebben gelegen in bezwaar niet aan belanghebbende op diens verzoek heeft toegezonden. Vanwege deze schending heeft de Rechtbank belanghebbende een proceskostenvergoeding toegekend.
4.5.
De heffingsambtenaar bestrijdt in zijn incidentele hoger beroep dat sprake is van schending van artikel 40, lid 2, Wet WOZ. Dit standpunt is gefundeerd op het betoog, kort gezegd, dat artikel 40, lid 2, Wet WOZ geen toezendverplichting behelst. Dat betoog is evenwel onjuist (zie onder meer HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:861). Het incidentele hoger beroep faalt ook in zoverre.
Hoogte PKV
4.6.
Belanghebbende klaagt erover dat de Rechtbank bij het berekenen van de proceskostenvergoeding ten onrechte is uitgegaan van de in Besluit proceskosten bestuursrecht opgenomen lagere puntwaarde voor WOZ-zaken. Deze klacht treft, gelet op het arrest HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752 doel.
4.7.
Reeds hierom is het principale hoger beroep van belanghebbende gegrond. Het Hof zal doen wat de Rechtbank had behoren te doen door zelf de vergoeding van de proceskosten van bewaar en beroep vast te stellen. Daarbij dient te worden uitgegaan van de tarieven van 2024.
4.8.
De heffingsambtenaar heeft in het geval dat wordt geconcludeerd dat belanghebbende recht heeft op een proceskostenvergoeding opgemerkt dat moet worden uitgegaan van een wegingsfactor 0,5. De heffingsambtenaar heeft geen gronden of verweren aangevoerd tegen het aantal proceshandelingen dat door de Rechtbank in aanmerking is genomen, zodat het Hof van die proceshandelingen zal uitgaan.
4.9.
In aanmerking genomen dat het geschil tussen partijen in de bezwaar- en beroepsfase ook betrekking had op de vastgestelde WOZ-waarde zal het Hof, overeenkomstig zijn Richtsnoer Proceskostenvergoeding (Hof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:10307) voor die fases van de procedure uitgaan van een wegingsfactor 1.
4.10.
Dit leidt, berekend naar de tarieven van 2024, tot een proceskostenvergoeding voor bezwaar van € 620 (2 punten x € 310) en voor beroep tot een bedrag van € 1.750 (2 punten x € 875 x wegingsfactor 1).
4.11.
Omdat het principale hoger beroep van belanghebbende gegrond wordt verklaard en het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar ongegrond, heeft belanghebbende ook recht op vergoeding van de proceskosten voor de hogerberoepsfase. Omdat de rechtsstrijd van partijen in die fase alleen betrekking heeft op de door de Rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding zal het Hof, overeenkomstig genoemd Richtsnoer, voor de fase van hoger beroep een wegingsfactor 0,5 hanteren. Dit leidt tot een vergoeding van € 1.531,25 voor de kosten van in hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand (3,5 punten x € 875 x 0,5. De proceshandelingen betreffen: hogerberoepschrift, conclusie van repliek, schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep en zitting).
4.12.
Opmerking verdient dat voornoemde bedragen op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 30a, lid 4, van de Wet WOZ uitsluitend op een op naam van belanghebbende staande bankrekening dienen te worden uitbetaald.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het principale hoger beroep gegrond en het incidentele hoger beroep ongegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het principale hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 134 te vergoeden. Vergoeding van het door belanghebbende voor de procedure in beroep betaalde griffierecht is reeds door de Rechtbank vergoed. Het Hof laat die beslissing in stand.
Wat betreft de proceskostenvergoedingen verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor in 4.10 en 4.11 is overwogen.
Dictum
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor zover het de beslissing inzake de proceskosten betreft,
– bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van totaal € 3.901,25, en
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het voor het hoger beroep betaalde griffierecht van € 134 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. J. Hollander als griffier.
Dictum
De griffier, De raadsheer,
(J. Hollander) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 17 juli 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.