Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-07-16
ECLI:NL:GHARL:2024:4724
Civiel recht
Hoger beroep
8,397 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.333.615
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, 10360532)
arrest van 16 juli 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie, verweerder in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. H.H. Jansen
tegen
Stichting Uwoon
die is gevestigd in Harderwijk
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie
hierna: Uwoon
advocaat: mr. P.F.M. Broos
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 12 maart 2024, heeft op 4 juni 2024 een mondelinge behandeling bij het gerechtshof (hierna: hof) plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Vervolgens hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] met zijn inmiddels overleden vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd in de door zijn vader van Uwoon gehuurde woning en of [appellant] de huur mag voortzetten.
2.2.
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat bepaald zal worden dat hij de huurovereenkomst van zijn vader met Uwoon voortzet op grond van artikel 7:268 lid 2 BW, met veroordeling van Uwoon in de kosten van de procedure. Uwoon heeft in reconventie ontruiming van de woning door [appellant] gevorderd met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft in het vonnis van 26 juli 2023 de vorderingen van [appellant] afgewezen. De door Uwoon in reconventie gevorderde ontruiming is door de kantonrechter toegewezen. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter en heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Beoordeling
De beslissing
3.1.
Het hof zal beslissen dat het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding onvoldoende is komen vast te staan. Dit betekent dat het vonnis van de kantonrechter in stand zal blijven. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot dit oordeel komt.
Inleiding
3.2.
Tussen (de rechtsvoorganger van) Uwoon en de vader van [appellant] (hierna: vader) is een huurovereenkomst gesloten op grond waarvan Uwoon de woning aan de [adres] in [woonplaats1] aan vader heeft verhuurd. Op 22 augustus 2022 is vader overleden. [appellant] heeft zich op 6 oktober 2022 laten inschrijven op het adres van de woning. [appellant] stelt dat hij al in 2018, na het verbreken van een relatie, op 44-jarige leeftijd is teruggekeerd naar de ouderlijke woning. Volgens [appellant] heeft hij sinds die tijd zijn hoofdverblijf in de woning. Hij stelt dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, zodat hij op grond van artikel 7:268 lid 2 BW bevoegd is om de huurovereenkomst voort te zetten na het overlijden van vader. Uwoon voert gemotiveerd verweer. Uwoon betwist dat [appellant] zijn hoofdverblijf in de woning had en dat [appellant] met vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad (afwijzingsgrond artikel 7:268 lid 3 onder a BW). Daarnaast stelt Uwoon dat [appellant] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur (afwijzingsgrond artikel 7:268 lid 3 onder b BW). Verder heeft Uwoon ter zitting bij het hof nog aangevoerd dat er een grote kans is dat [appellant] geen huisvestigingsvergunning zal krijgen om in de woning te kunnen wonen (afwijzingsgrond artikel 7:268 lid 3 onder c BW).
3.3.
Ingevolge artikel 7:268 lid 3 sub a BW wijst de rechter een vordering van een achterblijvende huisgenoot, die geen wettelijk medehuurder is, tot het voortzetten van de huur in ieder geval af als die persoon niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde en een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad met de huurder.
3.4.
[appellant] stelt dat hij sinds 2018 zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad. Uwoon heeft dit betwist. Het hof zal er in de verdere beoordeling in het voordeel van [appellant] van uitgaan dat [appellant] sinds 2018 zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning.
Gemeenschappelijke huishouding
3.5.
Bij de beoordeling of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. Daarbij kan mede van belang zijn of de huurder en de medebewoner (i) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, (ii) gezamenlijk huishoudelijke taken verrichten, (iii) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken, (iv) gezamenlijk invulling geven aan de vrije tijd en (v) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer. Het delen van de huisvestingskosten of de kosten van levensonderhoud is geen voorwaarde voor het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding. Als hier geen sprake van is, dan kunnen de hiervoor genoemde andere omstandigheden de huishouding toch gemeenschappelijk maken. Degene die een beroep doet op een gemeenschappelijke huishouding (in dit geval [appellant] ) heeft een verzwaarde stelplicht. Als de verhuurder betwist dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, moet de medebewoner voldoende concrete feiten over de gemeenschappelijke huishouding aanvoeren.
3.6.
Het staat vast dat niet gezamenlijk werd voorzien in de kosten van huisvesting en levensonderhoud. Alle kosten werden door vader gedragen. [appellant] had geen eigen bankrekening en was financieel afhankelijk van vader. De vraag is dan of er voldoende andere omstandigheden zijn waardoor alsnog sprake is geweest van een gemeenschappelijke huishouding.
3.7.
Door [appellant] zijn verschillende omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van de gestelde gemeenschappelijke huishouding. Hij stelt dat hij de zwaardere huishoudelijke taken op zich nam terwijl vader de lichtere taken uitvoerde. [appellant] heeft in dat verband evenwel ter zitting bij het hof aangegeven dat er ook huishoudelijke hulp was (eens per week). [appellant] nam ook de zorg voor zijn vader voor een deel op zich, waarbij de zorg met name de laatste 4 à 5 maanden voor het overlijden van vader intensiever werd. Daarnaast deed [appellant] boodschappen (met de pinpas van vader), zorgde [appellant] voor de bereiding van het (avond)eten en aten zij in de avond vaak samen. Ook heeft [appellant] aangegeven dat zij het sociale leven deelden. Zij gingen samen vissen en bezochten wekelijks de plaatselijke markt. Zij gingen samen bosbessen plukken, aardappelen rapen in de polder of een visje eten. Zij gingen ook vaak samen naar een wijkontmoetingscentrum, alwaar zij biljartten of deelnamen aan bingo- en klaverjasavonden. Zij hadden daar veel gemeenschappelijke vrienden. [appellant] sloot ook aan bij dagjes voor bejaarden om zijn vader te ondersteunen en andere uitjes. Zij hielden zich ook regelmatig samen bezig met oud ijzer. Zij waren altijd samen. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [appellant] diverse verklaringen in het geding gebracht. Uit hetgeen [appellant] heeft gesteld zou wel een zekere mate van wederkerigheid afgeleid kunnen worden. Of dit daadwerkelijk voldoende is om een gemeenschappelijke huishouding aan te kunnen nemen, kan in het midden blijven omdat het hof van oordeel is dat niet aan het duurzaamheidsvereiste is voldaan. Dat zal hierna worden toegelicht.
Niet voldaan aan duurzaamheidsvereiste
3.8.
De duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de duur ervan, en subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning, ook indien het gaat om een volwassen kind dat terugkeert naar de ouderlijke woning.
3.9.
Uit de stellingen van [appellant] en de verklaringen die ter onderbouwing van zijn stellingen zijn ingebracht, volgt dat de reden dat [appellant] in 2018 bij zijn vader ging wonen, was gelegen in het verbreken van de relatie van [appellant] . [appellant] heeft aangegeven dat hij aanvankelijk de hoop had dat de relatie nog goed zou komen. Hieruit leidt het hof af dat er op dat moment geen sprake was van een intentie van [appellant] om duurzaam bij vader te blijven wonen. Ter zitting bij het hof is door [appellant] verder toegelicht dat hij al 19 jaar staat ingeschreven als woningzoekende bij Uwoon en dat hij ieder jaar zijn inschrijving heeft verlengd door het betalen van inschrijfgeld. Tijdens de zitting heeft [appellant] desgevraagd medegedeeld op een andere woning (woonwagen) te hebben gereageerd in de beginperiode dat hij bij zijn vader woonde (in 2018).
3.10.
Volgens [appellant] is zijn intentie naar verloop van tijd veranderd, waardoor hij op enig moment wel de bedoeling had om bij vader te blijven wonen. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst [appellant] onder meer op het feit dat hij verder niet op zoek is geweest naar andere woonruimte en dat er door vader verzoeken zijn gedaan bij Uwoon over het medehuurderschap. Daarnaast heeft [appellant] er nog op gewezen dat het verrichten van zorgtaken en zijn leeftijd ten tijde van terugkeer in zijn ouderlijk huis (44 jaar) indicaties zijn voor het aannemen van duurzaamheid.
3.11.
Het hof ziet in de leeftijd van [appellant] ten tijde van terugkeer naar vader, geen indicatie voor duurzaamheid.
Dictum
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn van 26 juli 2023;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Uwoon:
€ 783,- aan griffierecht
€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van Uwoon (2 procespunten x appeltarief II)
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. Luijten, M. Schoemaker en L.A. de Vrey en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.333.615
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, 10360532)
arrest van 16 juli 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie, verweerder in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. H.H. Jansen
tegen
Stichting Uwoon
die is gevestigd in Harderwijk
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie
hierna: Uwoon
advocaat: mr. P.F.M. Broos
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 12 maart 2024, heeft op 4 juni 2024 een mondelinge behandeling bij het gerechtshof (hierna: hof) plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Vervolgens hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] met zijn inmiddels overleden vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd in de door zijn vader van Uwoon gehuurde woning en of [appellant] de huur mag voortzetten.
2.2.
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat bepaald zal worden dat hij de huurovereenkomst van zijn vader met Uwoon voortzet op grond van artikel 7:268 lid 2 BW, met veroordeling van Uwoon in de kosten van de procedure. Uwoon heeft in reconventie ontruiming van de woning door [appellant] gevorderd met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft in het vonnis van 26 juli 2023 de vorderingen van [appellant] afgewezen. De door Uwoon in reconventie gevorderde ontruiming is door de kantonrechter toegewezen. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter en heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Beoordeling
De beslissing
3.1.
Het hof zal beslissen dat het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding onvoldoende is komen vast te staan. Dit betekent dat het vonnis van de kantonrechter in stand zal blijven. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot dit oordeel komt.
Inleiding
3.2.
Tussen (de rechtsvoorganger van) Uwoon en de vader van [appellant] (hierna: vader) is een huurovereenkomst gesloten op grond waarvan Uwoon de woning aan de [adres] in [woonplaats1] aan vader heeft verhuurd. Op 22 augustus 2022 is vader overleden. [appellant] heeft zich op 6 oktober 2022 laten inschrijven op het adres van de woning. [appellant] stelt dat hij al in 2018, na het verbreken van een relatie, op 44-jarige leeftijd is teruggekeerd naar de ouderlijke woning. Volgens [appellant] heeft hij sinds die tijd zijn hoofdverblijf in de woning. Hij stelt dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, zodat hij op grond van artikel 7:268 lid 2 BW bevoegd is om de huurovereenkomst voort te zetten na het overlijden van vader. Uwoon voert gemotiveerd verweer. Uwoon betwist dat [appellant] zijn hoofdverblijf in de woning had en dat [appellant] met vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad (afwijzingsgrond artikel 7:268 lid 3 onder a BW). Daarnaast stelt Uwoon dat [appellant] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur (afwijzingsgrond artikel 7:268 lid 3 onder b BW). Verder heeft Uwoon ter zitting bij het hof nog aangevoerd dat er een grote kans is dat [appellant] geen huisvestigingsvergunning zal krijgen om in de woning te kunnen wonen (afwijzingsgrond artikel 7:268 lid 3 onder c BW).
3.3.
Ingevolge artikel 7:268 lid 3 sub a BW wijst de rechter een vordering van een achterblijvende huisgenoot, die geen wettelijk medehuurder is, tot het voortzetten van de huur in ieder geval af als die persoon niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde en een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad met de huurder.
3.4.
[appellant] stelt dat hij sinds 2018 zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad. Uwoon heeft dit betwist. Het hof zal er in de verdere beoordeling in het voordeel van [appellant] van uitgaan dat [appellant] sinds 2018 zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning.
Gemeenschappelijke huishouding
3.5.
Bij de beoordeling of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. Daarbij kan mede van belang zijn of de huurder en de medebewoner (i) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, (ii) gezamenlijk huishoudelijke taken verrichten, (iii) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken, (iv) gezamenlijk invulling geven aan de vrije tijd en (v) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer. Het delen van de huisvestingskosten of de kosten van levensonderhoud is geen voorwaarde voor het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding. Als hier geen sprake van is, dan kunnen de hiervoor genoemde andere omstandigheden de huishouding toch gemeenschappelijk maken. Degene die een beroep doet op een gemeenschappelijke huishouding (in dit geval [appellant] ) heeft een verzwaarde stelplicht. Als de verhuurder betwist dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, moet de medebewoner voldoende concrete feiten over de gemeenschappelijke huishouding aanvoeren.
3.6.
Het staat vast dat niet gezamenlijk werd voorzien in de kosten van huisvesting en levensonderhoud. Alle kosten werden door vader gedragen. [appellant] had geen eigen bankrekening en was financieel afhankelijk van vader. De vraag is dan of er voldoende andere omstandigheden zijn waardoor alsnog sprake is geweest van een gemeenschappelijke huishouding.
3.7.
Door [appellant] zijn verschillende omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van de gestelde gemeenschappelijke huishouding. Hij stelt dat hij de zwaardere huishoudelijke taken op zich nam terwijl vader de lichtere taken uitvoerde. [appellant] heeft in dat verband evenwel ter zitting bij het hof aangegeven dat er ook huishoudelijke hulp was (eens per week). [appellant] nam ook de zorg voor zijn vader voor een deel op zich, waarbij de zorg met name de laatste 4 à 5 maanden voor het overlijden van vader intensiever werd. Daarnaast deed [appellant] boodschappen (met de pinpas van vader), zorgde [appellant] voor de bereiding van het (avond)eten en aten zij in de avond vaak samen. Ook heeft [appellant] aangegeven dat zij het sociale leven deelden. Zij gingen samen vissen en bezochten wekelijks de plaatselijke markt. Zij gingen samen bosbessen plukken, aardappelen rapen in de polder of een visje eten. Zij gingen ook vaak samen naar een wijkontmoetingscentrum, alwaar zij biljartten of deelnamen aan bingo- en klaverjasavonden. Zij hadden daar veel gemeenschappelijke vrienden. [appellant] sloot ook aan bij dagjes voor bejaarden om zijn vader te ondersteunen en andere uitjes. Zij hielden zich ook regelmatig samen bezig met oud ijzer. Zij waren altijd samen. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [appellant] diverse verklaringen in het geding gebracht. Uit hetgeen [appellant] heeft gesteld zou wel een zekere mate van wederkerigheid afgeleid kunnen worden. Of dit daadwerkelijk voldoende is om een gemeenschappelijke huishouding aan te kunnen nemen, kan in het midden blijven omdat het hof van oordeel is dat niet aan het duurzaamheidsvereiste is voldaan. Dat zal hierna worden toegelicht.
Niet voldaan aan duurzaamheidsvereiste
3.8.
De duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de duur ervan, en subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning, ook indien het gaat om een volwassen kind dat terugkeert naar de ouderlijke woning.
3.9.
Uit de stellingen van [appellant] en de verklaringen die ter onderbouwing van zijn stellingen zijn ingebracht, volgt dat de reden dat [appellant] in 2018 bij zijn vader ging wonen, was gelegen in het verbreken van de relatie van [appellant] . [appellant] heeft aangegeven dat hij aanvankelijk de hoop had dat de relatie nog goed zou komen. Hieruit leidt het hof af dat er op dat moment geen sprake was van een intentie van [appellant] om duurzaam bij vader te blijven wonen. Ter zitting bij het hof is door [appellant] verder toegelicht dat hij al 19 jaar staat ingeschreven als woningzoekende bij Uwoon en dat hij ieder jaar zijn inschrijving heeft verlengd door het betalen van inschrijfgeld. Tijdens de zitting heeft [appellant] desgevraagd medegedeeld op een andere woning (woonwagen) te hebben gereageerd in de beginperiode dat hij bij zijn vader woonde (in 2018).
3.10.
Volgens [appellant] is zijn intentie naar verloop van tijd veranderd, waardoor hij op enig moment wel de bedoeling had om bij vader te blijven wonen. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst [appellant] onder meer op het feit dat hij verder niet op zoek is geweest naar andere woonruimte en dat er door vader verzoeken zijn gedaan bij Uwoon over het medehuurderschap. Daarnaast heeft [appellant] er nog op gewezen dat het verrichten van zorgtaken en zijn leeftijd ten tijde van terugkeer in zijn ouderlijk huis (44 jaar) indicaties zijn voor het aannemen van duurzaamheid.
3.11.
Het hof ziet in de leeftijd van [appellant] ten tijde van terugkeer naar vader, geen indicatie voor duurzaamheid.
Dictum
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn van 26 juli 2023;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Uwoon:
€ 783,- aan griffierecht
€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van Uwoon (2 procespunten x appeltarief II)
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. Luijten, M. Schoemaker en L.A. de Vrey en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.333.615
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, 10360532)
arrest van 16 juli 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de kantonrechter optrad als eiser in conventie, verweerder in reconventie
hierna: [appellant]
advocaat: mr. H.H. Jansen
tegen
Stichting Uwoon
die is gevestigd in Harderwijk
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie
hierna: Uwoon
advocaat: mr. P.F.M. Broos
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 12 maart 2024, heeft op 4 juni 2024 een mondelinge behandeling bij het gerechtshof (hierna: hof) plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Vervolgens hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.
2De kern van de zaak
2.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant] met zijn inmiddels overleden vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd in de door zijn vader van Uwoon gehuurde woning en of [appellant] de huur mag voortzetten.
2.2.
[appellant] heeft bij de kantonrechter gevorderd dat bepaald zal worden dat hij de huurovereenkomst van zijn vader met Uwoon voortzet op grond van artikel 7:268 lid 2 BW, met veroordeling van Uwoon in de kosten van de procedure. Uwoon heeft in reconventie ontruiming van de woning door [appellant] gevorderd met veroordeling van [appellant] in de proceskosten.
2.3.
De kantonrechter heeft in het vonnis van 26 juli 2023 de vorderingen van [appellant] afgewezen. De door Uwoon in reconventie gevorderde ontruiming is door de kantonrechter toegewezen. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter en heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.
Beoordeling
De beslissing
3.1.
Het hof zal beslissen dat het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding onvoldoende is komen vast te staan. Dit betekent dat het vonnis van de kantonrechter in stand zal blijven. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot dit oordeel komt.
Inleiding
3.2.
Tussen (de rechtsvoorganger van) Uwoon en de vader van [appellant] (hierna: vader) is een huurovereenkomst gesloten op grond waarvan Uwoon de woning aan de [adres] in [woonplaats1] aan vader heeft verhuurd. Op 22 augustus 2022 is vader overleden. [appellant] heeft zich op 6 oktober 2022 laten inschrijven op het adres van de woning. [appellant] stelt dat hij al in 2018, na het verbreken van een relatie, op 44-jarige leeftijd is teruggekeerd naar de ouderlijke woning. Volgens [appellant] heeft hij sinds die tijd zijn hoofdverblijf in de woning. Hij stelt dat sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, zodat hij op grond van artikel 7:268 lid 2 BW bevoegd is om de huurovereenkomst voort te zetten na het overlijden van vader. Uwoon voert gemotiveerd verweer. Uwoon betwist dat [appellant] zijn hoofdverblijf in de woning had en dat [appellant] met vader een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad (afwijzingsgrond artikel 7:268 lid 3 onder a BW). Daarnaast stelt Uwoon dat [appellant] vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur (afwijzingsgrond artikel 7:268 lid 3 onder b BW). Verder heeft Uwoon ter zitting bij het hof nog aangevoerd dat er een grote kans is dat [appellant] geen huisvestigingsvergunning zal krijgen om in de woning te kunnen wonen (afwijzingsgrond artikel 7:268 lid 3 onder c BW).
3.3.
Ingevolge artikel 7:268 lid 3 sub a BW wijst de rechter een vordering van een achterblijvende huisgenoot, die geen wettelijk medehuurder is, tot het voortzetten van de huur in ieder geval af als die persoon niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde en een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gehad met de huurder.
3.4.
[appellant] stelt dat hij sinds 2018 zijn hoofdverblijf in de woning heeft gehad. Uwoon heeft dit betwist. Het hof zal er in de verdere beoordeling in het voordeel van [appellant] van uitgaan dat [appellant] sinds 2018 zijn hoofdverblijf heeft gehad in de woning.
Gemeenschappelijke huishouding
3.5.
Bij de beoordeling of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten volgens vaste rechtspraak alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd. Daarbij kan mede van belang zijn of de huurder en de medebewoner (i) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, (ii) gezamenlijk huishoudelijke taken verrichten, (iii) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken, (iv) gezamenlijk invulling geven aan de vrije tijd en (v) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer. Het delen van de huisvestingskosten of de kosten van levensonderhoud is geen voorwaarde voor het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding. Als hier geen sprake van is, dan kunnen de hiervoor genoemde andere omstandigheden de huishouding toch gemeenschappelijk maken. Degene die een beroep doet op een gemeenschappelijke huishouding (in dit geval [appellant] ) heeft een verzwaarde stelplicht. Als de verhuurder betwist dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, moet de medebewoner voldoende concrete feiten over de gemeenschappelijke huishouding aanvoeren.
3.6.
Het staat vast dat niet gezamenlijk werd voorzien in de kosten van huisvesting en levensonderhoud. Alle kosten werden door vader gedragen. [appellant] had geen eigen bankrekening en was financieel afhankelijk van vader. De vraag is dan of er voldoende andere omstandigheden zijn waardoor alsnog sprake is geweest van een gemeenschappelijke huishouding.
3.7.
Door [appellant] zijn verschillende omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van de gestelde gemeenschappelijke huishouding. Hij stelt dat hij de zwaardere huishoudelijke taken op zich nam terwijl vader de lichtere taken uitvoerde. [appellant] heeft in dat verband evenwel ter zitting bij het hof aangegeven dat er ook huishoudelijke hulp was (eens per week). [appellant] nam ook de zorg voor zijn vader voor een deel op zich, waarbij de zorg met name de laatste 4 à 5 maanden voor het overlijden van vader intensiever werd. Daarnaast deed [appellant] boodschappen (met de pinpas van vader), zorgde [appellant] voor de bereiding van het (avond)eten en aten zij in de avond vaak samen. Ook heeft [appellant] aangegeven dat zij het sociale leven deelden. Zij gingen samen vissen en bezochten wekelijks de plaatselijke markt. Zij gingen samen bosbessen plukken, aardappelen rapen in de polder of een visje eten. Zij gingen ook vaak samen naar een wijkontmoetingscentrum, alwaar zij biljartten of deelnamen aan bingo- en klaverjasavonden. Zij hadden daar veel gemeenschappelijke vrienden. [appellant] sloot ook aan bij dagjes voor bejaarden om zijn vader te ondersteunen en andere uitjes. Zij hielden zich ook regelmatig samen bezig met oud ijzer. Zij waren altijd samen. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [appellant] diverse verklaringen in het geding gebracht. Uit hetgeen [appellant] heeft gesteld zou wel een zekere mate van wederkerigheid afgeleid kunnen worden. Of dit daadwerkelijk voldoende is om een gemeenschappelijke huishouding aan te kunnen nemen, kan in het midden blijven omdat het hof van oordeel is dat niet aan het duurzaamheidsvereiste is voldaan. Dat zal hierna worden toegelicht.
Niet voldaan aan duurzaamheidsvereiste
3.8.
De duurzaamheid van de gemeenschappelijke huishouding wordt bepaald door objectieve factoren, zoals de duur ervan, en subjectieve factoren, zoals de bedoeling van de betrokkenen. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder na het zelfstandig worden van het kind worden aangemerkt als een blijvende samenwoning, ook indien het gaat om een volwassen kind dat terugkeert naar de ouderlijke woning.
3.9.
Uit de stellingen van [appellant] en de verklaringen die ter onderbouwing van zijn stellingen zijn ingebracht, volgt dat de reden dat [appellant] in 2018 bij zijn vader ging wonen, was gelegen in het verbreken van de relatie van [appellant] . [appellant] heeft aangegeven dat hij aanvankelijk de hoop had dat de relatie nog goed zou komen. Hieruit leidt het hof af dat er op dat moment geen sprake was van een intentie van [appellant] om duurzaam bij vader te blijven wonen. Ter zitting bij het hof is door [appellant] verder toegelicht dat hij al 19 jaar staat ingeschreven als woningzoekende bij Uwoon en dat hij ieder jaar zijn inschrijving heeft verlengd door het betalen van inschrijfgeld. Tijdens de zitting heeft [appellant] desgevraagd medegedeeld op een andere woning (woonwagen) te hebben gereageerd in de beginperiode dat hij bij zijn vader woonde (in 2018).
3.10.
Volgens [appellant] is zijn intentie naar verloop van tijd veranderd, waardoor hij op enig moment wel de bedoeling had om bij vader te blijven wonen. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst [appellant] onder meer op het feit dat hij verder niet op zoek is geweest naar andere woonruimte en dat er door vader verzoeken zijn gedaan bij Uwoon over het medehuurderschap. Daarnaast heeft [appellant] er nog op gewezen dat het verrichten van zorgtaken en zijn leeftijd ten tijde van terugkeer in zijn ouderlijk huis (44 jaar) indicaties zijn voor het aannemen van duurzaamheid.
3.11.
Het hof ziet in de leeftijd van [appellant] ten tijde van terugkeer naar vader, geen indicatie voor duurzaamheid.
Dictum
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn van 26 juli 2023;
4.2.
veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van Uwoon:
€ 783,- aan griffierecht
€ 2.428,- aan salaris van de advocaat van Uwoon (2 procespunten x appeltarief II)
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.J. Luijten, M. Schoemaker en L.A. de Vrey en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2024.