Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-07-09
ECLI:NL:GHARL:2024:4577
Civiel recht
Hoger beroep kort geding
5,260 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof: 200.337.059
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 564549)
arrest in kort geding van 9 juli 2024
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: de moeder
advocaat: mr. A.F. Mandos
tegen
[verweerder]
die woont in [woonplaats1]
en bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: de vader
advocaat: mr. B. Anik
1Het (verdere) verloop van de procedure in hoger beroep
De moeder heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de voorzieningenrechter) op 14 december 2023 (hierna ook: het bestreden vonnis) tussen partijen heeft uitgesproken. Het (verdere) procesverloop in hoger beroep blijkt uit een arrest van dit hof van 16 april 2024 naar aanleiding waarvan op 4 juni 2024 een mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Daarin staan ook de nagekomen stukken vermeld. Hierna hebben
partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
Dictum
2.1.
Partijen zijn de ouders van: [de minderjarige] , geboren [in] [in] 2019. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] woonde aanvankelijk bij de moeder en sinds 2020 gold een zorgregeling met de vader. Het (niet) nakomen van de zorgregeling door de moeder is sindsdien inzet geweest van een veelvoud aan procedures, waarbij met dwangsommen en een ondertoezichtstelling (met aanwijzingen van de GI) is geprobeerd om contact en omgang tussen de vader en [de minderjarige] weer op gang te brengen. Moeder heeft op haar beurt zich tegen al deze beslissingen verzet. Inzet van het onderhavige kort geding is de vordering van de vader om de laatst vastgestelde zorgregeling uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren. Die vordering is door de voorzieningenrechter toegewezen in het bestreden vonnis. Daarover gaat dit hoger beroep, omdat de moeder die beslissing vernietigd wil zien. Uit het over en weer gestelde blijkt dat de moeder de dwangsommen niet kan betalen, en dat de vader de lijfsdwang niet kan effectueren omdat hij de kosten daarvan niet kan voorschieten. Daarmee zat het conflict ten tijde van het instellen van dit hoger beroep muurvast, terwijl [de minderjarige] de vader nog steeds niet zag. Het hoger beroep is echter ingehaald door de feiten en andere rechterlijke beslissingen. In een bodemzaak bij de rechtbank is inmiddels de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader bepaald en zij woont ook al daadwerkelijk bij de vader, zo bleek op zitting. Uitvoering van de vastgestelde zorgregeling met de vader, al dan niet met lijfsdwang, is daarom niet meer aan de orde. Er is sprake van een nieuwe situatie waarop die beslissing in kort geding niet ziet, dus die beslissing geldt al niet meer. Dat maakt dat dit hoger beroep niet kan slagen.
2.2.
Hieronder volgt een uitgebreidere weergave van alles wat er is gebeurd, overwogen en beslist.
3Achtergrond van de zaak
3.1.
Bij beschikking van 1 december 2020 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] die inhoudt dat de vader één keer per week voor de duur van een uur onder begeleiding voor [de minderjarige] zorgt, in aanwezigheid van de oma van [de minderjarige] (aan moederszijde, hierna: mz).
3.2.
Tijdens een zitting op 17 maart 2021, in een kortgedingprocedure tussen partijen in
verband met een vordering tot nakoming van de zorgregeling, spraken partijen af dat de
vader elke maandag van 9:00 uur tot 10:00 uur contact heeft met [de minderjarige] op een
politiebureau in [woonplaats1] onder begeleiding van oma (mz). De voorzieningenrechter verbond
daaraan een dwangsom van € 100,- per keer dat de moeder de zorgregeling niet nakomt met
een maximum van € 5.000,-.
3.3.
Bij beschikking van dit hof van 21 oktober 2021 is de moeder veroordeeld om mee te werken aan een voorlopige zorgregeling waarbij de vader en [de minderjarige] één uur per
week onder begeleiding van [naam1] omgang hebben, op straffe van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder de zorgregeling niet nakomt met een maximum van € 5.000,-.
3.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 3 maart 2022 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (verder: de GI), tot 3 maart 2023. Deze beslissing is door dit hof bij beschikking van 6 oktober 2022 bekrachtigd. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, de laatste keer bij beschikking van 26 februari 2024 tot 3 maart 2025.
3.5.
Op 16 maart 2022 heeft de vader de deurwaarder opdracht gegeven om de verbeurde dwangsommen te innen. Op 21 maart 2022 heeft de deurwaarder een dwangbevel
uitgebracht.
3.6.
Bij beschikking van 15 augustus 2022 heeft de rechtbank Gelderland bepaald dat
de ouders hun volledige medewerking dienen te verlenen aan het traject bij [naam2] en de
door [naam2] en/of de jeugdbeschermer geïndiceerde begeleide omgang (vanaf augustus
2022) tussen de vader en [de minderjarige] op straffe van een dwangsom.
3.7.
Bij beschikking van de rechtbank van 30 januari 2023 is een zorgregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] die inhoudt dat zij minimaal twee uur per week contact hebben met elkaar, waarbij de aard, frequentie, duur, locatie en wijze van begeleiding door de Gl worden bepaald, op straffe van een dwangsom van € 100,- per keer dat de moeder de zorgregeling niet nakomt met een maximum van € 2.500,-.
3.8.
Op 3 april 2023 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin onder andere staat:
“U dient mee te werken aan de door de rechter vastgestelde contactregeling tussen [de minderjarige] en haar vader. Dit betekent concreet dat Save een omgang tussen [de minderjarige] en haar vader zal plannen op: 6 april 2023 van 13.00 uur tot 14.00 uur. De omgang zal plaatsvinden bij [naam2] en zal begeleid worden door de medewerker van Save. U dient hieraan mee te werken in die zin dat u [de minderjarige] om 13.00 uur brengt naar [naam2] , en haar na afloop ophaalt. Verder dient u ook mee te werken aan de hierop volgende omgangsmomenten, die Save conform genoemde beschikking zal inplannen. Mocht u om welke reden dan ook niet op deze datum samen met [de minderjarige] op de omgang verschijnen, dan zal Save een verzoek indienen bij de rechtbank voor wijziging van de zorgregeling van [de minderjarige] .”
3.9.
Op 24 mei 2023 en 27 juni 2023 heeft de vader nogmaals opdracht gegeven aan de
deurwaarder om de verbeurde dwangsommen te innen.
3.10.
Bij beschikking van de kinderrechter van 16 augustus 2023 is het verzoek van de
moeder tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing van de GI afgewezen en is
het verzoek van de moeder om de GI te vervangen aangehouden.
3.11.
De GI heeft op 25 oktober 2023 een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven
over de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
“De afspraken met SAVE nakomen, dit houdt in:
- Moeder komt de omgangsafspraken tussen [de minderjarige] en haar vader na die door SAVE
worden gepland en uitgebreid worden. Gezien het feit dat [de minderjarige] haar vader ruim zes
maanden niet heeft gezien zal de omgang in eerste instantie drie keer worden
begeleid door SA VE en vervolgens is de omgang tussen [de minderjarige] en haar vader
onbegeleid De dag. lijd en de plaats van de omgang zal door SA VE bepaald
worden.
- Moeder geeft zicht op de thuissituatie van [de minderjarige] .
Beoordeling
spoedeisendheid en inhoudelijk (grief 1 t/m 4)
Een beslissing van de voorzieningenrechter is naar zijn aard tijdelijk en betreft een voorlopige maatregel, die door een latere uitspraak in de procedure in de hoofdzaak terzijde kan worden gesteld. Inmiddels heeft de rechtbank in de door de man gestarte bodemprocedure op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek bij beschikking van 16 mei 2024 (zie de productie bij de brief van mr. Anik van 23 mei 2024) bepaald dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats voortaan bij de vader heeft en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Met die bodembeschikking is daarom de grondslag aan de in het kort geding gegeven voorlopige voorziening komen te ontvallen en is de werking van de voorlopige voorziening geëindigd. Dit betekent dat de moeder geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar grieven. De grieven worden gepasseerd.
5De slotsom
5.1.
Nu de grieven worden gepasseerd zal het hoger beroep worden verworpen.
5.2.
Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.
Dictum
Het hof:
verwerpt het hof hoger beroep en
bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Mans, S. Kuijpers en A.T. Bol, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof: 200.337.059
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht: 564549)
arrest in kort geding van 9 juli 2024
in de zaak van
[verzoekster]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: de moeder
advocaat: mr. A.F. Mandos
tegen
[verweerder]
die woont in [woonplaats1]
en bij de rechtbank optrad als eiser
hierna: de vader
advocaat: mr. B. Anik
1Het (verdere) verloop van de procedure in hoger beroep
De moeder heeft tijdig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, (hierna: de voorzieningenrechter) op 14 december 2023 (hierna ook: het bestreden vonnis) tussen partijen heeft uitgesproken. Het (verdere) procesverloop in hoger beroep blijkt uit een arrest van dit hof van 16 april 2024 naar aanleiding waarvan op 4 juni 2024 een mondelinge behandeling bij het hof heeft plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Daarin staan ook de nagekomen stukken vermeld. Hierna hebben
partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
Dictum
2.1.
Partijen zijn de ouders van: [de minderjarige] , geboren [in] [in] 2019. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] uit. [de minderjarige] woonde aanvankelijk bij de moeder en sinds 2020 gold een zorgregeling met de vader. Het (niet) nakomen van de zorgregeling door de moeder is sindsdien inzet geweest van een veelvoud aan procedures, waarbij met dwangsommen en een ondertoezichtstelling (met aanwijzingen van de GI) is geprobeerd om contact en omgang tussen de vader en [de minderjarige] weer op gang te brengen. Moeder heeft op haar beurt zich tegen al deze beslissingen verzet. Inzet van het onderhavige kort geding is de vordering van de vader om de laatst vastgestelde zorgregeling uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren. Die vordering is door de voorzieningenrechter toegewezen in het bestreden vonnis. Daarover gaat dit hoger beroep, omdat de moeder die beslissing vernietigd wil zien. Uit het over en weer gestelde blijkt dat de moeder de dwangsommen niet kan betalen, en dat de vader de lijfsdwang niet kan effectueren omdat hij de kosten daarvan niet kan voorschieten. Daarmee zat het conflict ten tijde van het instellen van dit hoger beroep muurvast, terwijl [de minderjarige] de vader nog steeds niet zag. Het hoger beroep is echter ingehaald door de feiten en andere rechterlijke beslissingen. In een bodemzaak bij de rechtbank is inmiddels de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader bepaald en zij woont ook al daadwerkelijk bij de vader, zo bleek op zitting. Uitvoering van de vastgestelde zorgregeling met de vader, al dan niet met lijfsdwang, is daarom niet meer aan de orde. Er is sprake van een nieuwe situatie waarop die beslissing in kort geding niet ziet, dus die beslissing geldt al niet meer. Dat maakt dat dit hoger beroep niet kan slagen.
2.2.
Hieronder volgt een uitgebreidere weergave van alles wat er is gebeurd, overwogen en beslist.
3Achtergrond van de zaak
3.1.
Bij beschikking van 1 december 2020 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] die inhoudt dat de vader één keer per week voor de duur van een uur onder begeleiding voor [de minderjarige] zorgt, in aanwezigheid van de oma van [de minderjarige] (aan moederszijde, hierna: mz).
3.2.
Tijdens een zitting op 17 maart 2021, in een kortgedingprocedure tussen partijen in
verband met een vordering tot nakoming van de zorgregeling, spraken partijen af dat de
vader elke maandag van 9:00 uur tot 10:00 uur contact heeft met [de minderjarige] op een
politiebureau in [woonplaats1] onder begeleiding van oma (mz). De voorzieningenrechter verbond
daaraan een dwangsom van € 100,- per keer dat de moeder de zorgregeling niet nakomt met
een maximum van € 5.000,-.
3.3.
Bij beschikking van dit hof van 21 oktober 2021 is de moeder veroordeeld om mee te werken aan een voorlopige zorgregeling waarbij de vader en [de minderjarige] één uur per
week onder begeleiding van [naam1] omgang hebben, op straffe van een dwangsom van € 250,- per keer dat de moeder de zorgregeling niet nakomt met een maximum van € 5.000,-.
3.4.
Bij beschikking van de kinderrechter van 3 maart 2022 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland (verder: de GI), tot 3 maart 2023. Deze beslissing is door dit hof bij beschikking van 6 oktober 2022 bekrachtigd. De ondertoezichtstelling is nadien verlengd, de laatste keer bij beschikking van 26 februari 2024 tot 3 maart 2025.
3.5.
Op 16 maart 2022 heeft de vader de deurwaarder opdracht gegeven om de verbeurde dwangsommen te innen. Op 21 maart 2022 heeft de deurwaarder een dwangbevel
uitgebracht.
3.6.
Bij beschikking van 15 augustus 2022 heeft de rechtbank Gelderland bepaald dat
de ouders hun volledige medewerking dienen te verlenen aan het traject bij [naam2] en de
door [naam2] en/of de jeugdbeschermer geïndiceerde begeleide omgang (vanaf augustus
2022) tussen de vader en [de minderjarige] op straffe van een dwangsom.
3.7.
Bij beschikking van de rechtbank van 30 januari 2023 is een zorgregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] die inhoudt dat zij minimaal twee uur per week contact hebben met elkaar, waarbij de aard, frequentie, duur, locatie en wijze van begeleiding door de Gl worden bepaald, op straffe van een dwangsom van € 100,- per keer dat de moeder de zorgregeling niet nakomt met een maximum van € 2.500,-.
3.8.
Op 3 april 2023 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven waarin onder andere staat:
“U dient mee te werken aan de door de rechter vastgestelde contactregeling tussen [de minderjarige] en haar vader. Dit betekent concreet dat Save een omgang tussen [de minderjarige] en haar vader zal plannen op: 6 april 2023 van 13.00 uur tot 14.00 uur. De omgang zal plaatsvinden bij [naam2] en zal begeleid worden door de medewerker van Save. U dient hieraan mee te werken in die zin dat u [de minderjarige] om 13.00 uur brengt naar [naam2] , en haar na afloop ophaalt. Verder dient u ook mee te werken aan de hierop volgende omgangsmomenten, die Save conform genoemde beschikking zal inplannen. Mocht u om welke reden dan ook niet op deze datum samen met [de minderjarige] op de omgang verschijnen, dan zal Save een verzoek indienen bij de rechtbank voor wijziging van de zorgregeling van [de minderjarige] .”
3.9.
Op 24 mei 2023 en 27 juni 2023 heeft de vader nogmaals opdracht gegeven aan de
deurwaarder om de verbeurde dwangsommen te innen.
3.10.
Bij beschikking van de kinderrechter van 16 augustus 2023 is het verzoek van de
moeder tot vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing van de GI afgewezen en is
het verzoek van de moeder om de GI te vervangen aangehouden.
3.11.
De GI heeft op 25 oktober 2023 een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven
over de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
“De afspraken met SAVE nakomen, dit houdt in:
- Moeder komt de omgangsafspraken tussen [de minderjarige] en haar vader na die door SAVE
worden gepland en uitgebreid worden. Gezien het feit dat [de minderjarige] haar vader ruim zes
maanden niet heeft gezien zal de omgang in eerste instantie drie keer worden
begeleid door SA VE en vervolgens is de omgang tussen [de minderjarige] en haar vader
onbegeleid De dag. lijd en de plaats van de omgang zal door SA VE bepaald
worden.
- Moeder geeft zicht op de thuissituatie van [de minderjarige] .
Beoordeling
spoedeisendheid en inhoudelijk (grief 1 t/m 4)
Een beslissing van de voorzieningenrechter is naar zijn aard tijdelijk en betreft een voorlopige maatregel, die door een latere uitspraak in de procedure in de hoofdzaak terzijde kan worden gesteld. Inmiddels heeft de rechtbank in de door de man gestarte bodemprocedure op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek bij beschikking van 16 mei 2024 (zie de productie bij de brief van mr. Anik van 23 mei 2024) bepaald dat [de minderjarige] haar hoofdverblijfplaats voortaan bij de vader heeft en die beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Met die bodembeschikking is daarom de grondslag aan de in het kort geding gegeven voorlopige voorziening komen te ontvallen en is de werking van de voorlopige voorziening geëindigd. Dit betekent dat de moeder geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar grieven. De grieven worden gepasseerd.
5De slotsom
5.1.
Nu de grieven worden gepasseerd zal het hoger beroep worden verworpen.
5.2.
Gelet op de omstandigheid dat partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan en het geschil hieruit voortvloeit, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.
Dictum
Het hof:
verwerpt het hof hoger beroep en
bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Mans, S. Kuijpers en A.T. Bol, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2024.