Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-07-09
ECLI:NL:GHARL:2024:4537
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,806 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.340.424
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 566543)
beschikking van 9 juli 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de vader.
1
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (verder: de kinderrechter), van 24 januari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Die beschikking wordt verder ook ‘de bestreden beschikking’ genoemd.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 april 2024, en
het standpuntstuk van de GI.
2.2
De hierna nader te noemen [de minderjarige1] heeft in een brief aan het hof geschreven wat hij van de zaak vindt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
namens de moeder haar advocaat, en
twee vertegenwoordigers van de GI.
De raad voor de kinderbescherming heeft het hof in een e-mailbericht van 6 juni 2024 laten weten niet naar de mondelinge behandeling te zullen komen. De vader is ook niet naar de mondelinge behandeling gekomen.
Feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
[de minderjarige1] , geboren [in] 2012 in [plaats1] ;
[de minderjarige2] , geboren [in] 2015 in [woonplaats2] , en
[de minderjarige3] , geboren [in] 2016 in [woonplaats2] .
3.2
De kinderen staan sinds 4 oktober 2019 onder toezicht, eerst onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam en sinds september 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt nog tot 4 april 2025.
3.3
De kinderen zijn op 23 september 2020 met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst, aanvankelijk bij de grootouders van vaderszijde. Sinds augustus 2021 wonen de kinderen bij de vader en zijn partner, in eerste instantie met een machtiging uithuisplaatsing. Bij beschikking van 30 mei 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat de vader het eenhoofdig gezag over de kinderen uitoefent.
3.4
Op 8 februari 2022 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven over de omgang tussen haar en de kinderen. Bij (afzonderlijke) beschikking van 30 mei 2022 heeft de kinderrechter het verzoek van de moeder om deze schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en een uitgebreidere omgangsregeling vast te stellen, afgewezen. De moeder is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Bij beschikking van 17 november 2022 heeft het hof deze beschikking van de kinderrechter van 30 mei 2022 bekrachtigd.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter op verzoek van de GI een omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en de kinderen van eenmaal per acht weken een begeleid bezoek voor de duur van één uur. De kinderrechter heeft de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair te bepalen dat het verzoek van de GI wordt afgewezen, subsidiair een omgangsregeling vast te stellen die het hof in het belang van de kinderen noodzakelijk acht.
4.3
De GI voert verweer en vraagt het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
5.1
Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een omgangsregeling vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.2
De moeder vindt dat de GI onvoldoende heeft onderbouwd waarom begeleiding en beperking van de omgang tussen haar en de kinderen in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Zij voert aan dat uit het verzoek van de GI niet blijkt dat de GI een meetinstrument heeft gebruikt om te bepalen welke frequentie van de omgang in het belang is van de kinderen. Volgens haar is het begrijpelijk dat de omgangsmomenten tussen haar en de kinderen in september en november 2023 minder soepel zijn verlopen, omdat er lange tijd geen contact tussen hen was geweest en zij daardoor aan elkaar moesten wennen.
5.3
De GI vindt dat de door de kinderrechter vastgestelde omgangregeling op dit moment het maximaal haalbare is voor de kinderen. Volgens haar is begeleiding van de omgang noodzakelijk om de moeder bij te sturen en is een hogere frequentie van de omgang te belastend voor de kinderen. De omgang wordt begeleid door de GI en door een hulpverlener van de reclassering waarmee de moeder een goed contact heeft. De GI voert aan dat iedere omgang met de moeder wordt voor- en nabesproken, waarbij steeds dezelfde (verbeter)punten aan de orde komen. Volgens de GI laat de moeder hierin geen groei zien en toont zij zich niet leerbaar. De moeder blijft het lastig vinden om aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen en zij blijft beslag leggen op de kinderen tijdens de omgang, bijvoorbeeld door aan ze te vragen wanneer ze weer bij haar komen wonen.
5.4
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de juiste beslissing heeft genomen en dat de kinderrechter die beslissing ook goed heeft uitgelegd. Het hof neemt die uitleg over omdat het hof er na eigen onderzoek net zo over denkt. In hoger beroep zijn geen (nieuwe) feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel leiden. Naar het oordeel van het hof heeft de GI voldoende onderbouwd dat een keer in de acht weken een begeleid bezoek voor de duur van een uur op dit moment het maximaal haalbare is voor de kinderen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 januari 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Grosscurt, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en R. Krijger, bijgestaan door de griffier, en is op 9 juli 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.340.424
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 566543)
beschikking van 9 juli 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. Pool te Rotterdam,
en
de gecertificeerde instelling Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[de vader]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: de vader.
1
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (verder: de kinderrechter), van 24 januari 2024, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. Die beschikking wordt verder ook ‘de bestreden beschikking’ genoemd.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 23 april 2024, en
het standpuntstuk van de GI.
2.2
De hierna nader te noemen [de minderjarige1] heeft in een brief aan het hof geschreven wat hij van de zaak vindt.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 20 juni 2024 plaatsgevonden. Aanwezig waren:
namens de moeder haar advocaat, en
twee vertegenwoordigers van de GI.
De raad voor de kinderbescherming heeft het hof in een e-mailbericht van 6 juni 2024 laten weten niet naar de mondelinge behandeling te zullen komen. De vader is ook niet naar de mondelinge behandeling gekomen.
Feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van:
[de minderjarige1] , geboren [in] 2012 in [plaats1] ;
[de minderjarige2] , geboren [in] 2015 in [woonplaats2] , en
[de minderjarige3] , geboren [in] 2016 in [woonplaats2] .
3.2
De kinderen staan sinds 4 oktober 2019 onder toezicht, eerst onder toezicht van de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam en sinds september 2021 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling loopt nog tot 4 april 2025.
3.3
De kinderen zijn op 23 september 2020 met een machtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst, aanvankelijk bij de grootouders van vaderszijde. Sinds augustus 2021 wonen de kinderen bij de vader en zijn partner, in eerste instantie met een machtiging uithuisplaatsing. Bij beschikking van 30 mei 2022 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en bepaald dat de vader het eenhoofdig gezag over de kinderen uitoefent.
3.4
Op 8 februari 2022 heeft de GI de moeder een schriftelijke aanwijzing gegeven over de omgang tussen haar en de kinderen. Bij (afzonderlijke) beschikking van 30 mei 2022 heeft de kinderrechter het verzoek van de moeder om deze schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren en een uitgebreidere omgangsregeling vast te stellen, afgewezen. De moeder is van deze beschikking in hoger beroep gekomen. Bij beschikking van 17 november 2022 heeft het hof deze beschikking van de kinderrechter van 30 mei 2022 bekrachtigd.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter op verzoek van de GI een omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en de kinderen van eenmaal per acht weken een begeleid bezoek voor de duur van één uur. De kinderrechter heeft de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.2
De moeder is met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair te bepalen dat het verzoek van de GI wordt afgewezen, subsidiair een omgangsregeling vast te stellen die het hof in het belang van de kinderen noodzakelijk acht.
4.3
De GI voert verweer en vraagt het hof het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
5.1
Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een omgangsregeling vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
5.2
De moeder vindt dat de GI onvoldoende heeft onderbouwd waarom begeleiding en beperking van de omgang tussen haar en de kinderen in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Zij voert aan dat uit het verzoek van de GI niet blijkt dat de GI een meetinstrument heeft gebruikt om te bepalen welke frequentie van de omgang in het belang is van de kinderen. Volgens haar is het begrijpelijk dat de omgangsmomenten tussen haar en de kinderen in september en november 2023 minder soepel zijn verlopen, omdat er lange tijd geen contact tussen hen was geweest en zij daardoor aan elkaar moesten wennen.
5.3
De GI vindt dat de door de kinderrechter vastgestelde omgangregeling op dit moment het maximaal haalbare is voor de kinderen. Volgens haar is begeleiding van de omgang noodzakelijk om de moeder bij te sturen en is een hogere frequentie van de omgang te belastend voor de kinderen. De omgang wordt begeleid door de GI en door een hulpverlener van de reclassering waarmee de moeder een goed contact heeft. De GI voert aan dat iedere omgang met de moeder wordt voor- en nabesproken, waarbij steeds dezelfde (verbeter)punten aan de orde komen. Volgens de GI laat de moeder hierin geen groei zien en toont zij zich niet leerbaar. De moeder blijft het lastig vinden om aan te sluiten bij de belevingswereld van de kinderen en zij blijft beslag leggen op de kinderen tijdens de omgang, bijvoorbeeld door aan ze te vragen wanneer ze weer bij haar komen wonen.
5.4
Het hof is van oordeel dat de kinderrechter de juiste beslissing heeft genomen en dat de kinderrechter die beslissing ook goed heeft uitgelegd. Het hof neemt die uitleg over omdat het hof er na eigen onderzoek net zo over denkt. In hoger beroep zijn geen (nieuwe) feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel leiden. Naar het oordeel van het hof heeft de GI voldoende onderbouwd dat een keer in de acht weken een begeleid bezoek voor de duur van een uur op dit moment het maximaal haalbare is voor de kinderen. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 januari 2024.
Deze beschikking is gegeven door mrs. A.E. Grosscurt, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en R. Krijger, bijgestaan door de griffier, en is op 9 juli 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.