Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-07-04
ECLI:NL:GHARL:2024:4465
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
4,576 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.339.911
(zaaknummer rechtbank Gelderland 429389)
beschikking van 4 juli 2024
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.R. van Laar,
en
[verweerster]
,
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. van den Heuvel,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 11 januari 2024, uitgesproken onder zaaknummer 429389. Deze beschikking wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 april 2024;
- het verweerschrift van de moeder met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 4 juni 2024 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2.3
Vanwege de onderlinge samenhang is deze zaak gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 200.339.906 die gaat over de zorgregeling.
Feiten
3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2012 en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2016.
3.2
De ouders gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de vader.
3.3
De kinderen hebben van 2 november 2018 tot 2 mei 2022 onder toezicht gestaan.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 11 januari 2024 tot 11 januari 2025.
4.2
De vader is het niet eens met die beslissing en is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] alsnog af te wijzen, dan wel een onderzoek door een onafhankelijke deskundige, als bedoeld in artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), te gelasten, onder aanhouding van onderhavige procedure voor de duur van dat onderzoek, dan wel voor een tijdspanne die het hof juist acht. Daarnaast verzoekt de vader de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3
De moeder voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
Deskundigenonderzoek
5.1
De rechter kan op grond van artikel 810a lid 2 Rv een onafhankelijk deskundigenonderzoek gelasten, wanneer dit onderzoek mede tot de beslissing van de zaak kan leiden, voldoende concreet is en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
5.2
Het hof zal het verzoek van de vader om een deskundige te benoemen afwijzen. Dat verzoek is onvoldoende concreet, omdat de vader dat verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Zo geeft hij niet aan door wie er (tegen)onderzoek zou moeten worden verricht en heeft hij geen concrete onderzoeksvragen geformuleerd. Daar komt bij dat het naar het oordeel van het hof in onderhavige zaak, anders dan de vader stelt, niet noodzakelijk is dat de opvoedkwaliteiten van beide ouders afzonderlijk worden onderzocht.
Ondertoezichtstelling
5.3
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.4
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof na eigen onderzoek overneemt, is het hof van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen en voegt daar het volgende aan toe.
5.5
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de door de rechtbank omschreven ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen nog steeds aanwezig is. Zo is gebleken dat alle hulpverlening is gestopt en dat de omgang tussen de kinderen de moeder nog steeds niet van de grond is gekomen. Ook heeft de vader tijdens de mondelinge behandeling laten weten niet met de moeder te communiceren en haar dan ook niet te betrekken bij het nemen van (gezags)beslissingen over de kinderen.
5.6
Gelet op de bestaande ontwikkelingsbedreiging acht het hof professionele en deskundige hulp voor de kinderen en de ouders dringend geboden. De eerder aanwezige hulpverlening is sinds het beëindigen van de eerdere ondertoezichtstelling echter gestopt. Ten aanzien van de omgang tussen de moeder en de kinderen geven beide ouders aan het belangrijk te vinden dat die er komt en geldt dat de ouders het erover zijn dat de omgang begeleid dient te worden door een professionele instantie. De ouders zijn in het afgelopen half jaar echter onvoldoende in staat gebleken dit in het vrijwillig kader te bewerkstelligen. Ook is gebleken dat de vader het niet noodzakelijk vindt om de moeder te informeren over de kinderen en om haar te betrekken bij het nemen van beslissingen over de kinderen, zodat het hof niet verwacht dat de vader zich binnen het vrijwillig kader zal inzetten om daar verandering in te brengen.
Voor het hof is gelet op het voorgaande voldoende duidelijk dat de benodigde hulpverlening in het vrijwillig kader niet van de grond komt. Dit betekent dat de ontwikkelingsbedreiging zonder een ondertoezichtstelling niet zal worden weggenomen.
5.7
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Het hof staat achter de door de rechtbank omschreven doelen van de ondertoezichtstelling, maar niet is gebleken dat die inmiddels zijn opgepakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI in dat kader laten weten dat er vanwege de bestaande wachtlijsten en de complexe dynamiek tussen de ouders nog geen (vaste) jeugdbeschermer is en dat het ook nog onduidelijk is wanneer een geschikte jeugdbeschermer beschikbaar zal zijn. Het hof acht dit zorgelijk en onaanvaardbaar: deze kinderen en hun ouders wachten nu al bijna een half jaar op een jeugdbeschermer die uitvoering geeft aan zijn wettelijke taak. Juist in meer complexe situaties zoals die waarin [de minderjarige1] en [de minderjarige2] opgroeien en vooralsnog moeten opgroeien is haast geboden: tijdsverloop maakt dergelijke situaties doorgaans niet eenvoudiger. Het hof benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van de GI is om ervoor te zorgen dat er zo snel mogelijk een jeugdbeschermer betrokken raakt bij de kinderen om hun ontwikkeling te volgen en hun belangen te behartigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 11 januari 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, M.P. den Hollander en
C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers en is op 4 juli 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.339.911
(zaaknummer rechtbank Gelderland 429389)
beschikking van 4 juli 2024
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. S.R. van Laar,
en
[verweerster]
,
wonende op een geheim adres,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F. van den Heuvel,
en
de raad voor de kinderbescherming,
gevestigd te Arnhem,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Gelderland,
gevestigd te Arnhem,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 11 januari 2024, uitgesproken onder zaaknummer 429389. Deze beschikking wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 april 2024;
- het verweerschrift van de moeder met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 4 juni 2024 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2.3
Vanwege de onderlinge samenhang is deze zaak gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 200.339.906 die gaat over de zorgregeling.
Feiten
3.1
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2012 en
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2016.
3.2
De ouders gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de vader.
3.3
De kinderen hebben van 2 november 2018 tot 2 mei 2022 onder toezicht gestaan.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI, met ingang van 11 januari 2024 tot 11 januari 2025.
4.2
De vader is het niet eens met die beslissing en is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] alsnog af te wijzen, dan wel een onderzoek door een onafhankelijke deskundige, als bedoeld in artikel 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), te gelasten, onder aanhouding van onderhavige procedure voor de duur van dat onderzoek, dan wel voor een tijdspanne die het hof juist acht. Daarnaast verzoekt de vader de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.3
De moeder voert verweer en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4.4
De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd en vraagt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
Deskundigenonderzoek
5.1
De rechter kan op grond van artikel 810a lid 2 Rv een onafhankelijk deskundigenonderzoek gelasten, wanneer dit onderzoek mede tot de beslissing van de zaak kan leiden, voldoende concreet is en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
5.2
Het hof zal het verzoek van de vader om een deskundige te benoemen afwijzen. Dat verzoek is onvoldoende concreet, omdat de vader dat verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Zo geeft hij niet aan door wie er (tegen)onderzoek zou moeten worden verricht en heeft hij geen concrete onderzoeksvragen geformuleerd. Daar komt bij dat het naar het oordeel van het hof in onderhavige zaak, anders dan de vader stelt, niet noodzakelijk is dat de opvoedkwaliteiten van beide ouders afzonderlijk worden onderzocht.
Ondertoezichtstelling
5.3
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.4
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof na eigen onderzoek overneemt, is het hof van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen en voegt daar het volgende aan toe.
5.5
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de door de rechtbank omschreven ernstige ontwikkelingsbedreiging van de kinderen nog steeds aanwezig is. Zo is gebleken dat alle hulpverlening is gestopt en dat de omgang tussen de kinderen de moeder nog steeds niet van de grond is gekomen. Ook heeft de vader tijdens de mondelinge behandeling laten weten niet met de moeder te communiceren en haar dan ook niet te betrekken bij het nemen van (gezags)beslissingen over de kinderen.
5.6
Gelet op de bestaande ontwikkelingsbedreiging acht het hof professionele en deskundige hulp voor de kinderen en de ouders dringend geboden. De eerder aanwezige hulpverlening is sinds het beëindigen van de eerdere ondertoezichtstelling echter gestopt. Ten aanzien van de omgang tussen de moeder en de kinderen geven beide ouders aan het belangrijk te vinden dat die er komt en geldt dat de ouders het erover zijn dat de omgang begeleid dient te worden door een professionele instantie. De ouders zijn in het afgelopen half jaar echter onvoldoende in staat gebleken dit in het vrijwillig kader te bewerkstelligen. Ook is gebleken dat de vader het niet noodzakelijk vindt om de moeder te informeren over de kinderen en om haar te betrekken bij het nemen van beslissingen over de kinderen, zodat het hof niet verwacht dat de vader zich binnen het vrijwillig kader zal inzetten om daar verandering in te brengen.
Voor het hof is gelet op het voorgaande voldoende duidelijk dat de benodigde hulpverlening in het vrijwillig kader niet van de grond komt. Dit betekent dat de ontwikkelingsbedreiging zonder een ondertoezichtstelling niet zal worden weggenomen.
5.7
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Het hof staat achter de door de rechtbank omschreven doelen van de ondertoezichtstelling, maar niet is gebleken dat die inmiddels zijn opgepakt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI in dat kader laten weten dat er vanwege de bestaande wachtlijsten en de complexe dynamiek tussen de ouders nog geen (vaste) jeugdbeschermer is en dat het ook nog onduidelijk is wanneer een geschikte jeugdbeschermer beschikbaar zal zijn. Het hof acht dit zorgelijk en onaanvaardbaar: deze kinderen en hun ouders wachten nu al bijna een half jaar op een jeugdbeschermer die uitvoering geeft aan zijn wettelijke taak. Juist in meer complexe situaties zoals die waarin [de minderjarige1] en [de minderjarige2] opgroeien en vooralsnog moeten opgroeien is haast geboden: tijdsverloop maakt dergelijke situaties doorgaans niet eenvoudiger. Het hof benadrukt dat het de verantwoordelijkheid van de GI is om ervoor te zorgen dat er zo snel mogelijk een jeugdbeschermer betrokken raakt bij de kinderen om hun ontwikkeling te volgen en hun belangen te behartigen.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 11 januari 2024;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.F. van Vugt, M.P. den Hollander en
C.F.L.A. van der Vegt-Boshouwers en is op 4 juli 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.