Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-07-02
ECLI:NL:GHARL:2024:4398
Civiel recht
Hoger beroep kort geding
8,310 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.315.310
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 279783)
arrest in kort geding van 2 juli 2024
in de zaak van
Dutch Solar Systems B.V.
die is gevestigd in Goor
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als een van de gedaagden
hierna: DSS
advocaat: onttrokken
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
die ook hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. P.L. Tjiam
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Op 6 mei 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
1.2
Kort voor de aanvang van de mondelinge behandeling heeft [naam1] (hierna: [naam1] ) namens DSS per e-mail een wrakingsverzoek gericht tegen de raadsheren die deze zaak behandelen en de overige raadsheren van dit hof. In antwoord daarop heeft de Wrakingskamer laten weten dit verzoek vooralsnog niet in behandeling te nemen, omdat het niet is ingediend door een advocaat, en voor zover het verzoek is gericht tegen alle leden van het hof, dit niet mogelijk is.
1.3
Vervolgens heeft de zitting plaatsgevonden, waarbij alleen [geïntimeerde] bij advocaat is verschenen Van de zitting is een verslag (proces-verbaal) gemaakt. [geïntimeerde] heeft arrest gevraagd en het hof heeft arrest bepaald.
1.4
DSS heeft na daartoe door de Wrakingskamer in de gelegenheid te zijn gesteld haar wrakingsverzoek en ook een tweede wrakingsverzoek niet tijdig alsnog door een advocaat ingediend, waarna zij bij beslissing van de Wrakingskamer van 29 mei 2024 niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoeken.
2Kern van de zaak
Het gaat in dit kort geding om de vraag of een door DSS ten laste van [geïntimeerde] gelegd conservatoir derdenbeslag onder haar indirect bestuurder/aandeelhouder [naam1] opgeheven moet worden. De voorzieningenrechter heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het hof deelt dat oordeel. Het hof vindt ook dat misbruik van recht is gemaakt en dat DSS veroordeeld moet worden in de werkelijke proceskosten van dit kort geding. Het hof zal uitleggen hoe het tot dit oordeel is gekomen.
Feiten
3.1
Partijen gaan in hoger beroep uit van de feiten die de voorzieningenrechter in zijn vonnis (zie ECLI:NL:RBOVE:2022:1415) heeft genoemd (rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.11). Daarom zal ook het hof van die feiten uitgaan.
3.2
Sterk samengevat, gaat het hierom. [geïntimeerde] en [naam1] hebben in het verleden een zakelijke en een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze banden zijn in 2018/2019 verbroken. Daarna zijn er diverse geschillen tussen hen ontstaan, waarover zij veelvuldig hebben geprocedeerd. [geïntimeerde] heeft executoriaal beslag gelegd ten laste van [naam1] voor door hem uit hoofde van diverse veroordelingen verbeurde dwangsommen.
In het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 25 november 2021 is voorlopig overwogen dat [naam1] tot dat moment tot een bedrag van € 1.960.000 aan dwangsommen heeft verbeurd. [naam1] heeft op enig moment aan [geïntimeerde] een termijn van 10 dagen gevraagd en gekregen om genoemd bedrag te voldoen, om zo een door [geïntimeerde] in gang gezette veiling van executoriaal beslagen onroerende zaken te voorkomen. Enkele dagen na het (zonder betaling) verstrijken van die termijn en voordat de opdracht van [geïntimeerde] tot voortzetting van de veiling was geëffectueerd hebben DSS en Centric na verkregen verlof voor een bedrag van (ook) € 1.960.000 ten laste van [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag gelegd onder [naam1] . DSS is een vennootschap waarvan [naam1] indirect enig aandeelhouder/bestuurder is (en waarvan [geïntimeerde] in het verleden bestuurder is geweest). Van Centric was [naam1] destijds indirect enig aandeelhouder.
3.3
Na het vonnis van de voorzieningenrechter hebben nog een aantal voor deze zaak relevante gebeurtenissen plaatsgevonden. [naam1] heeft het bedrag aan dwangsommen van € 1.960.000 aan [geïntimeerde] betaald. Het hof Den Haag heeft het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 25 november 2021 in die zin vernietigd dat volgens het hof [naam1] in totaal voor € 4.610.000 aan dwangsommen heeft verbeurd (arrest van 16 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:847). Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in deze (onderhavige) zaak is door de advocaat van [geïntimeerde] onweersproken verklaard dat [naam1] het meerdere inmiddels ook heeft betaald, dus in totaal is € 4.610.000 aan dwangsommen betaald.
Procesverloop
4.1
[geïntimeerde] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd, samengevat:
I. het genoemde conservatoire derdenbeslag op te heffen;
II. DSS c.s. te verbieden de tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 25 november 2021 te frustreren, waaronder wordt begrepen een verbod tot het leggen van (nieuw) beslag, op straffe van een hoofdelijk te betalen dwangsom;
III. DSS c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de volledige advocaatkosten van [geïntimeerde] .
4.2
De voorzieningenrechter heeft de eerste vordering (opheffing beslag) toegewezen. De tweede vordering is in die zin toegewezen dat DSS c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom is verboden om gedurende de executie van het vonnis van 25 november 2021 beslag te leggen op de vordering van [geïntimeerde] op [naam1] . De proceskosten zijn toegewezen conform het liquidatietarief, vermeerderd met rente. Voor toewijzing van de volledige proceskosten zag de voorzieningenrechter geen aanleiding.
Beoordeling
5.1
De bedoeling van het hoger beroep van DSS is alleen dat de vordering van [geïntimeerde] tot veroordeling van DSS in de proceskosten alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde] is dat alsnog de volledige proceskostenveroordeling wordt toegewezen. Ook vraagt zij die in het hoger beroep.
5.2
Vaststaat dat het bedrag aan dwangsommen van € 1.960.000 door [naam1] aan [geïntimeerde] is betaald (en daarna aanvullend € 2.650.000). Partijen zijn het erover eens dat als gevolg van die betaling een ander oordeel in dit hoger beroep niet ertoe kan leiden dat de inmiddels voldane vordering van [geïntimeerde] op [naam1] weer door beslag kan worden getroffen. Het (principaal) hoger beroep heeft daarom slechts tot inzet of DSS terecht in de proceskosten is veroordeeld, en of [geïntimeerde] in de proceskosten moet worden veroordeeld. Daartoe moet het hof onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht grotendeels is toegewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep, afgezien van de omstandigheid dat het spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen.
5.3
Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter dat het gelegde beslag misbruik van bevoegdheid oplevert en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Het hof neemt die overwegingen hier over (zie rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.12 van het bestreden vonnis).
5.4
Het hof voegt daar het volgende aan toe. Kort na het verstrijken van de termijn waarbinnen [naam1] had beloofd de verbeurde dwangsommen te betalen is het derdenbeslag gelegd. Vaststaat dat dit beslag is gelegd door vennootschappen, waaronder DSS, waarin [naam1] destijds volledige of vergaande zeggenschap had. Ook staat vast dat het gaat om vorderingen waarvoor [geïntimeerde] nog nooit aansprakelijk was gesteld (tegen die vaststelling van de voorzieningenrechter is geen grief aangevoerd). Ook op dit moment is voor de vorderingen waarvoor het beslag was gelegd nog steeds geen procedure met als inzet betaling door [geïntimeerde] ingesteld, zo bevestigde de advocaat van [geïntimeerde] ter zitting van het hof. Daar komt dan nog bij dat de vorderingen zeer uitgebreid en gemotiveerd door [geïntimeerde] zijn betwist en de onderbouwing van die vorderingen daar schril tegen afsteekt, waardoor zij summierlijk ondeugdelijk zijn gebleken. In het beslagrekest wordt verder geen openheid van zaken gegeven: de opdracht tot de veiling en het aanbod van [naam1] om de vordering te voldoen worden verzwegen, daar waar die feiten wel vermeld hadden moeten worden (aldus ook de voorzieningenrechter in r.o. 4.9, waartegen geen grief is aangevoerd). Dit alles bij elkaar is ruimschoots voldoende om aannemelijk te achten dat de werkelijke bedoeling van het beslag niet was om het verhaal van vorderingen veilig te stellen, maar om de executie van de dwangsommen te dwarsbomen. De door [geïntimeerde] overgelegde verklaringen van betrokkenen binnen Centric geven ruim steun aan die aanname.
5.5
DSS heeft geen steekhoudende bezwaren aangevoerd om tot een ander oordeel te komen. Ook als DSS niet met [naam1] is te vereenzelvigen en niet per definitie alleen de belangen van [naam1] dient, zoals DSS aanvoert, doet dat niet af aan het feit dat dit beslag wel is gelegd om de belangen van [naam1] te dienen, te weten het frustreren van de executie van de dwangsommen. Daarbij acht het hof niet beslissend of daar het etiket “verkapt eigenbeslag” op kan worden geplakt. Als enig indirect bestuurder en aandeelhouder van DSS had [naam1] in elk geval volledige zeggenschap over DSS. Ook van Centric was hij destijds indirect enig aandeelhouder en vanaf december 2021 heeft hij binnen Centric feitelijk de regie aan zich getrokken in relatie tot het conflict met [geïntimeerde] (zie ook de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 3 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3139). De Ondernemingskamer heeft in zijn beslissing van 27 januari 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:149) geoordeeld (r.o. 3.6) dat [naam1] de belangen van Centric onvoldoende gescheiden heeft gehouden van zijn privébelangen en noemt daarbij met zoveel woorden de gang van zaken rondom de onderhavige beslaglegging.
5.6
Ook als (“het idee voor”) de vorderingen waarvoor het beslag is gelegd in de opvatting van DSS al enkele jaren (sinds 2018) zou(den) bestaan of daar een vermoeden van bestond, zoals DSS betoogt, dan doet dat niet af aan wat hiervoor is overwogen over het nooit eerder aansprakelijk stellen en de ontoereikende onderbouwing van de vorderingen. In 2021 liep er dan weliswaar een mediation, maar in de jaren daarvoor is ook nooit aansprakelijk gesteld (evenmin als na de mediation).
5.7
DSS voert verder geen grief aan tegen de constatering van de voorzieningenrechter (r.o. 4.10) dat zich niet de situatie voordoet dat de vordering van [geïntimeerde] nauw met die van DSS en Centric is verweven, of dat [geïntimeerde] zelf misbruik van recht maakt door de dwangsommen te incasseren. Het hof ziet niet in hoe ondanks al het voorgaande een (verdere) belangenafweging (grief 3) er in dit geval dan toch toe kan leiden dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid of dat misbruik daardoor kan worden gerechtvaardigd, zoals DSS kennelijk voorstaat met haar derde grief.
5.8
De belangen die DSS noemt zijn kort gezegd: (i) [geïntimeerde] bood geen verhaal, (ii) DSS had belang bij het beslag, (iii) [geïntimeerde] heeft geen nadeel door handhaving van het beslag en (iv) DSS heeft wel nadeel door het opheffen van het beslag. De belangen (i), (ii) en (iv) hebben gezien de toelichting daarop allemaal als uitgangspunt dat het beslag, zoals normaal gesproken, is gelegd om tot verhaal van vorderingen te komen. Maar daar loopt de redenering mank omdat hiervoor is vastgesteld dat het doel van het beslag uitsluitend of hoofdzakelijk was om de executie van de dwangsommen te frustreren. Dat (iii) [geïntimeerde] geen nadeel ondervindt doordat de dwangsommen niet strekken tot vergoeding van schade valt verder niet in te zien.
5.9
De vierde grief van DSS heeft geen zelfstandige betekenis en deelt dan ook het lot van de andere grieven. Het hoger beroep van DSS faalt.
5.10
DSS zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter en in die van de procedure in hoger beroep.
5.11
Het (incidenteel) hoger beroep van [geïntimeerde] strekt ertoe dat DSS in de volledige proceskosten wordt veroordeeld, zowel in die van de procedure bij de voorzieningenrechter als die van het hoger beroep.
5.12
De artikelen 237 e.v. Rv bevatten een limitatieve en exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld, en die dus ook derogeert aan de verplichting tot volledige schadevergoeding van de partij die aansprakelijk is uit onrechtmatige daad. Op deze regel kan slechts een uitzondering worden gemaakt in bijzondere omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatig procederen. Zoals hiervoor overwogen, heeft DSS misbruik gemaakt van de bevoegdheid tot beslaglegging. De gevoerde procedure is daar het gevolg van. Dit gevoegd bij het gegeven dat DSS in het beslagrekest essentiële informatie heeft verzwegen (zie hiervoor onder 5.4) acht het hof voldoende om bij wijze van uitzondering in deze procedure in beide instanties een veroordeling in de volledige proceskosten toewijsbaar te achten. Het incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre.
Dictum
Het hof, recht doende in kort geding:
1. bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel (zittingsplaats Almelo) van 2 mei 2022 (zaaknummer 279783) behalve ten aanzien van de proceskostenveroordeling van DSS en vernietigt dat vonnis in zoverre;
2. veroordeelt DSS tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] tot aan de uitspraak van de voorzieningenrechter:
€ 314,- aan griffierecht
€ 125,03 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan DSS
€ 20.147,07 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde]
en tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep:
€ 343,- aan griffierecht
€ 2.827,08 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] in het principaal hoger beroep en € 1.413,55 in het incidenteel hoger beroep
3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5. wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, A.W. Steeg en V. van der Kuil en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2024.
Met dien verstande dat “25 november 2022” in r.o. 2.5 moet worden gelezen als “25 november 2021” en “8 maart 2020” in r.o. 2.6 moet worden gelezen als “8 maart 2022”
Hiermee worden bedoeld: Centric Netherlands B.V., Centric Netherlands Holding B.V en Centric Holding B.V.
HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:661
Tegen rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.8 is bovendien geen grief aangevoerd
Het dossier bevat geen informatie (het beslagverlof) waaruit het hof kan afleiden binnen welke termijn de eis in de hoofdzaak had moeten worden ingesteld. Nu de voorzieningenrechter niet heeft geoordeeld dat het beslag ten tijde van de beoordeling van de vordering tot opheffing al was vervallen langs de weg van artikel 700 lid 3, slot, Rv, en partijen daar blijkbaar ook vanuit gaan, zal het hof dat ook doen.
HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600 en Asser Procesrecht 2 Eerste aanleg, 128 De omvang van de proceskostenvergoeding.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.315.310
(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 279783)
arrest in kort geding van 2 juli 2024
in de zaak van
Dutch Solar Systems B.V.
die is gevestigd in Goor
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als een van de gedaagden
hierna: DSS
advocaat: onttrokken
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
die ook hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. P.L. Tjiam
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
Op 6 mei 2024 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
1.2
Kort voor de aanvang van de mondelinge behandeling heeft [naam1] (hierna: [naam1] ) namens DSS per e-mail een wrakingsverzoek gericht tegen de raadsheren die deze zaak behandelen en de overige raadsheren van dit hof. In antwoord daarop heeft de Wrakingskamer laten weten dit verzoek vooralsnog niet in behandeling te nemen, omdat het niet is ingediend door een advocaat, en voor zover het verzoek is gericht tegen alle leden van het hof, dit niet mogelijk is.
1.3
Vervolgens heeft de zitting plaatsgevonden, waarbij alleen [geïntimeerde] bij advocaat is verschenen Van de zitting is een verslag (proces-verbaal) gemaakt. [geïntimeerde] heeft arrest gevraagd en het hof heeft arrest bepaald.
1.4
DSS heeft na daartoe door de Wrakingskamer in de gelegenheid te zijn gesteld haar wrakingsverzoek en ook een tweede wrakingsverzoek niet tijdig alsnog door een advocaat ingediend, waarna zij bij beslissing van de Wrakingskamer van 29 mei 2024 niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoeken.
2Kern van de zaak
Het gaat in dit kort geding om de vraag of een door DSS ten laste van [geïntimeerde] gelegd conservatoir derdenbeslag onder haar indirect bestuurder/aandeelhouder [naam1] opgeheven moet worden. De voorzieningenrechter heeft die vraag bevestigend beantwoord. Het hof deelt dat oordeel. Het hof vindt ook dat misbruik van recht is gemaakt en dat DSS veroordeeld moet worden in de werkelijke proceskosten van dit kort geding. Het hof zal uitleggen hoe het tot dit oordeel is gekomen.
Feiten
3.1
Partijen gaan in hoger beroep uit van de feiten die de voorzieningenrechter in zijn vonnis (zie ECLI:NL:RBOVE:2022:1415) heeft genoemd (rechtsoverweging 2.1 tot en met 2.11). Daarom zal ook het hof van die feiten uitgaan.
3.2
Sterk samengevat, gaat het hierom. [geïntimeerde] en [naam1] hebben in het verleden een zakelijke en een affectieve relatie met elkaar gehad. Deze banden zijn in 2018/2019 verbroken. Daarna zijn er diverse geschillen tussen hen ontstaan, waarover zij veelvuldig hebben geprocedeerd. [geïntimeerde] heeft executoriaal beslag gelegd ten laste van [naam1] voor door hem uit hoofde van diverse veroordelingen verbeurde dwangsommen.
In het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 25 november 2021 is voorlopig overwogen dat [naam1] tot dat moment tot een bedrag van € 1.960.000 aan dwangsommen heeft verbeurd. [naam1] heeft op enig moment aan [geïntimeerde] een termijn van 10 dagen gevraagd en gekregen om genoemd bedrag te voldoen, om zo een door [geïntimeerde] in gang gezette veiling van executoriaal beslagen onroerende zaken te voorkomen. Enkele dagen na het (zonder betaling) verstrijken van die termijn en voordat de opdracht van [geïntimeerde] tot voortzetting van de veiling was geëffectueerd hebben DSS en Centric na verkregen verlof voor een bedrag van (ook) € 1.960.000 ten laste van [geïntimeerde] conservatoir derdenbeslag gelegd onder [naam1] . DSS is een vennootschap waarvan [naam1] indirect enig aandeelhouder/bestuurder is (en waarvan [geïntimeerde] in het verleden bestuurder is geweest). Van Centric was [naam1] destijds indirect enig aandeelhouder.
3.3
Na het vonnis van de voorzieningenrechter hebben nog een aantal voor deze zaak relevante gebeurtenissen plaatsgevonden. [naam1] heeft het bedrag aan dwangsommen van € 1.960.000 aan [geïntimeerde] betaald. Het hof Den Haag heeft het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 25 november 2021 in die zin vernietigd dat volgens het hof [naam1] in totaal voor € 4.610.000 aan dwangsommen heeft verbeurd (arrest van 16 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:847). Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in deze (onderhavige) zaak is door de advocaat van [geïntimeerde] onweersproken verklaard dat [naam1] het meerdere inmiddels ook heeft betaald, dus in totaal is € 4.610.000 aan dwangsommen betaald.
Procesverloop
4.1
[geïntimeerde] heeft bij de voorzieningenrechter gevorderd, samengevat:
I. het genoemde conservatoire derdenbeslag op te heffen;
II. DSS c.s. te verbieden de tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 25 november 2021 te frustreren, waaronder wordt begrepen een verbod tot het leggen van (nieuw) beslag, op straffe van een hoofdelijk te betalen dwangsom;
III. DSS c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de volledige advocaatkosten van [geïntimeerde] .
4.2
De voorzieningenrechter heeft de eerste vordering (opheffing beslag) toegewezen. De tweede vordering is in die zin toegewezen dat DSS c.s. op straffe van verbeurte van een dwangsom is verboden om gedurende de executie van het vonnis van 25 november 2021 beslag te leggen op de vordering van [geïntimeerde] op [naam1] . De proceskosten zijn toegewezen conform het liquidatietarief, vermeerderd met rente. Voor toewijzing van de volledige proceskosten zag de voorzieningenrechter geen aanleiding.
Beoordeling
5.1
De bedoeling van het hoger beroep van DSS is alleen dat de vordering van [geïntimeerde] tot veroordeling van DSS in de proceskosten alsnog wordt afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde] is dat alsnog de volledige proceskostenveroordeling wordt toegewezen. Ook vraagt zij die in het hoger beroep.
5.2
Vaststaat dat het bedrag aan dwangsommen van € 1.960.000 door [naam1] aan [geïntimeerde] is betaald (en daarna aanvullend € 2.650.000). Partijen zijn het erover eens dat als gevolg van die betaling een ander oordeel in dit hoger beroep niet ertoe kan leiden dat de inmiddels voldane vordering van [geïntimeerde] op [naam1] weer door beslag kan worden getroffen. Het (principaal) hoger beroep heeft daarom slechts tot inzet of DSS terecht in de proceskosten is veroordeeld, en of [geïntimeerde] in de proceskosten moet worden veroordeeld. Daartoe moet het hof onderzoeken of de vordering die in eerste aanleg ter beoordeling voorlag terecht grotendeels is toegewezen, met inachtneming van het in appel gevoerde debat en naar de toestand zoals die zich voordoet ten tijde van zijn beslissing in hoger beroep, afgezien van de omstandigheid dat het spoedeisend belang inmiddels is komen te vervallen.
5.3
Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de voorzieningenrechter dat het gelegde beslag misbruik van bevoegdheid oplevert en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Het hof neemt die overwegingen hier over (zie rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.12 van het bestreden vonnis).
5.4
Het hof voegt daar het volgende aan toe. Kort na het verstrijken van de termijn waarbinnen [naam1] had beloofd de verbeurde dwangsommen te betalen is het derdenbeslag gelegd. Vaststaat dat dit beslag is gelegd door vennootschappen, waaronder DSS, waarin [naam1] destijds volledige of vergaande zeggenschap had. Ook staat vast dat het gaat om vorderingen waarvoor [geïntimeerde] nog nooit aansprakelijk was gesteld (tegen die vaststelling van de voorzieningenrechter is geen grief aangevoerd). Ook op dit moment is voor de vorderingen waarvoor het beslag was gelegd nog steeds geen procedure met als inzet betaling door [geïntimeerde] ingesteld, zo bevestigde de advocaat van [geïntimeerde] ter zitting van het hof. Daar komt dan nog bij dat de vorderingen zeer uitgebreid en gemotiveerd door [geïntimeerde] zijn betwist en de onderbouwing van die vorderingen daar schril tegen afsteekt, waardoor zij summierlijk ondeugdelijk zijn gebleken. In het beslagrekest wordt verder geen openheid van zaken gegeven: de opdracht tot de veiling en het aanbod van [naam1] om de vordering te voldoen worden verzwegen, daar waar die feiten wel vermeld hadden moeten worden (aldus ook de voorzieningenrechter in r.o. 4.9, waartegen geen grief is aangevoerd). Dit alles bij elkaar is ruimschoots voldoende om aannemelijk te achten dat de werkelijke bedoeling van het beslag niet was om het verhaal van vorderingen veilig te stellen, maar om de executie van de dwangsommen te dwarsbomen. De door [geïntimeerde] overgelegde verklaringen van betrokkenen binnen Centric geven ruim steun aan die aanname.
5.5
DSS heeft geen steekhoudende bezwaren aangevoerd om tot een ander oordeel te komen. Ook als DSS niet met [naam1] is te vereenzelvigen en niet per definitie alleen de belangen van [naam1] dient, zoals DSS aanvoert, doet dat niet af aan het feit dat dit beslag wel is gelegd om de belangen van [naam1] te dienen, te weten het frustreren van de executie van de dwangsommen. Daarbij acht het hof niet beslissend of daar het etiket “verkapt eigenbeslag” op kan worden geplakt. Als enig indirect bestuurder en aandeelhouder van DSS had [naam1] in elk geval volledige zeggenschap over DSS. Ook van Centric was hij destijds indirect enig aandeelhouder en vanaf december 2021 heeft hij binnen Centric feitelijk de regie aan zich getrokken in relatie tot het conflict met [geïntimeerde] (zie ook de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 3 november 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3139). De Ondernemingskamer heeft in zijn beslissing van 27 januari 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:149) geoordeeld (r.o. 3.6) dat [naam1] de belangen van Centric onvoldoende gescheiden heeft gehouden van zijn privébelangen en noemt daarbij met zoveel woorden de gang van zaken rondom de onderhavige beslaglegging.
5.6
Ook als (“het idee voor”) de vorderingen waarvoor het beslag is gelegd in de opvatting van DSS al enkele jaren (sinds 2018) zou(den) bestaan of daar een vermoeden van bestond, zoals DSS betoogt, dan doet dat niet af aan wat hiervoor is overwogen over het nooit eerder aansprakelijk stellen en de ontoereikende onderbouwing van de vorderingen. In 2021 liep er dan weliswaar een mediation, maar in de jaren daarvoor is ook nooit aansprakelijk gesteld (evenmin als na de mediation).
5.7
DSS voert verder geen grief aan tegen de constatering van de voorzieningenrechter (r.o. 4.10) dat zich niet de situatie voordoet dat de vordering van [geïntimeerde] nauw met die van DSS en Centric is verweven, of dat [geïntimeerde] zelf misbruik van recht maakt door de dwangsommen te incasseren. Het hof ziet niet in hoe ondanks al het voorgaande een (verdere) belangenafweging (grief 3) er in dit geval dan toch toe kan leiden dat geen sprake is van misbruik van bevoegdheid of dat misbruik daardoor kan worden gerechtvaardigd, zoals DSS kennelijk voorstaat met haar derde grief.
5.8
De belangen die DSS noemt zijn kort gezegd: (i) [geïntimeerde] bood geen verhaal, (ii) DSS had belang bij het beslag, (iii) [geïntimeerde] heeft geen nadeel door handhaving van het beslag en (iv) DSS heeft wel nadeel door het opheffen van het beslag. De belangen (i), (ii) en (iv) hebben gezien de toelichting daarop allemaal als uitgangspunt dat het beslag, zoals normaal gesproken, is gelegd om tot verhaal van vorderingen te komen. Maar daar loopt de redenering mank omdat hiervoor is vastgesteld dat het doel van het beslag uitsluitend of hoofdzakelijk was om de executie van de dwangsommen te frustreren. Dat (iii) [geïntimeerde] geen nadeel ondervindt doordat de dwangsommen niet strekken tot vergoeding van schade valt verder niet in te zien.
5.9
De vierde grief van DSS heeft geen zelfstandige betekenis en deelt dan ook het lot van de andere grieven. Het hoger beroep van DSS faalt.
5.10
DSS zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure bij de voorzieningenrechter en in die van de procedure in hoger beroep.
5.11
Het (incidenteel) hoger beroep van [geïntimeerde] strekt ertoe dat DSS in de volledige proceskosten wordt veroordeeld, zowel in die van de procedure bij de voorzieningenrechter als die van het hoger beroep.
5.12
De artikelen 237 e.v. Rv bevatten een limitatieve en exclusieve regeling van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld, en die dus ook derogeert aan de verplichting tot volledige schadevergoeding van de partij die aansprakelijk is uit onrechtmatige daad. Op deze regel kan slechts een uitzondering worden gemaakt in bijzondere omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatig procederen. Zoals hiervoor overwogen, heeft DSS misbruik gemaakt van de bevoegdheid tot beslaglegging. De gevoerde procedure is daar het gevolg van. Dit gevoegd bij het gegeven dat DSS in het beslagrekest essentiële informatie heeft verzwegen (zie hiervoor onder 5.4) acht het hof voldoende om bij wijze van uitzondering in deze procedure in beide instanties een veroordeling in de volledige proceskosten toewijsbaar te achten. Het incidenteel hoger beroep slaagt in zoverre.
Dictum
Het hof, recht doende in kort geding:
1. bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel (zittingsplaats Almelo) van 2 mei 2022 (zaaknummer 279783) behalve ten aanzien van de proceskostenveroordeling van DSS en vernietigt dat vonnis in zoverre;
2. veroordeelt DSS tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] tot aan de uitspraak van de voorzieningenrechter:
€ 314,- aan griffierecht
€ 125,03 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan DSS
€ 20.147,07 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde]
en tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in hoger beroep:
€ 343,- aan griffierecht
€ 2.827,08 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] in het principaal hoger beroep en € 1.413,55 in het incidenteel hoger beroep
3. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;
4. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5. wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, A.W. Steeg en V. van der Kuil en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2024.
Met dien verstande dat “25 november 2022” in r.o. 2.5 moet worden gelezen als “25 november 2021” en “8 maart 2020” in r.o. 2.6 moet worden gelezen als “8 maart 2022”
Hiermee worden bedoeld: Centric Netherlands B.V., Centric Netherlands Holding B.V en Centric Holding B.V.
HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:661
Tegen rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.8 is bovendien geen grief aangevoerd
Het dossier bevat geen informatie (het beslagverlof) waaruit het hof kan afleiden binnen welke termijn de eis in de hoofdzaak had moeten worden ingesteld. Nu de voorzieningenrechter niet heeft geoordeeld dat het beslag ten tijde van de beoordeling van de vordering tot opheffing al was vervallen langs de weg van artikel 700 lid 3, slot, Rv, en partijen daar blijkbaar ook vanuit gaan, zal het hof dat ook doen.
HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600 en Asser Procesrecht 2 Eerste aanleg, 128 De omvang van de proceskostenvergoeding.
HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.