Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-06-27
ECLI:NL:GHARL:2024:4310
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
8,841 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.335.918
(zaaknummer rechtbank Gelderland 417621)
beschikking van 27 juni 2024
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. J.A.N. Lap te Malden, gemeente Heumen,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.J. Germs te Nijmegen.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 september 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 december 2023;
het verweerschrift met producties;
een journaalbericht van mr. Lap van 2 mei 2024 met productie;
een journaalbericht van mr. Lap van 3 mei 2024 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 mei 2024 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de advocaat van de man;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat (die spreekaantekeningen heeft overgelegd).
Feiten
3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2013.
[de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
Geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hiervan belang, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 april 2020 bepaald op € 325,- per maand.
4.2
De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de vraag of sprake is van een overeenkomst over de kinderalimentatie. De tweede grief hangt daarmee samen en ziet op de mogelijkheid tot verrekening. De derde grief ziet op de omkering van de stelplicht en bewijslast. De vierde grief ziet op de terugwerkende kracht. De vijfde grief ziet op het niet berekenen van de kinderalimentatie.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
- primair: het verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen;
- subsidiair: te bepalen dat de man met ingang van 7 april 2023 een bedrag van € 52,- per maand aan de vrouw moet voldoen als kinderalimentatie voor [de minderjarige] , kosten rechtens.
4.3
De vrouw voert verweer en zij vraagt het hof de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Overwegingen
Leningsovereenkomst
5.1
Er staat niet ter discussie dat de man aan de vrouw € 12.100,- heeft geleend. Wel in geschil is de (wijze van) terugbetaling van dit bedrag door de vrouw. De vrouw stelt dat partijen destijds hebben afgesproken dat het door de vrouw bij de man geleende bedrag van € 12.100,- zou worden terugbetaald in de vorm van/door verrekening met de door de man aan haar ten behoeve van [de minderjarige] te betalen kinderalimentatie van € 300,- per maand. Tot april 2020 heeft de man op die manier de kinderalimentatie ook voldaan. Daarna moest de man weer maandelijks betalen.
De man verweert zich hiertegen en voert aan dat hij nooit heeft ingestemd met het voorstel dat de vrouw daartoe destijds heeft gedaan tot verrekening van de kinderalimentatie.
5.2
Het hof is, net als de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen partijen conform de door de vrouw overgelegde leningsovereenkomst van 14 september 2016. In aanvulling hierop overweegt het hof dat de vrouw op de mondelinge behandeling van het hof heeft uiteengezet hoe deze afspraak tot stand is gekomen. Die toelichting komt het hof zeer plausibel voor. De hoogte van het bedrag komt overeen met het bedrag van € 600,- per maand dat de man destijds voor zijn twee dochters betaalde. Omdat de man voor [de minderjarige] hetzelfde bedrag wilde betalen, zijn partijen het bedrag van € 300,- per maand overeengekomen. Verder heeft de vrouw gesteld dat de leningsovereenkomst tot stand is gekomen in samenspraak met de financieel adviseur. Partijen hadden afgesproken dat de vrouw het geleende bedrag van € 12.100,- zou terugbetalen door middel van verrekening met de door de man aan haar ten behoeve van [de minderjarige] te betalen kinderalimentatie, zoals vermeld in de leningsovereenkomst. Nadat de vrouw de leningsovereenkomst aan de man had gemaild, hebben zij deze samen – fysiek – besproken. De man heeft deze stellingen van de vrouw niet betwist, zodat het hof die als vaststaand beschouwt. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de man had kunnen en moeten begrijpen dat de vrouw ervan uitging dat de leningsovereenkomst gold tussen partijen. De man heeft vervolgens namelijk, nadat het geleende bedrag in deze vorm was ‘terugbetaald’ –dat was in april 2020 – een tijd stilgezeten en de vrouw heeft hem niet gevraagd om een bedrag van € 300,- per maand voor [de minderjarige] te betalen, terwijl het de man duidelijk moest zijn geweest dat de vrouw dat anders op basis van artikel 6 van de overeenkomst wel zou doen, aangezien van verrekening geen sprake meer was. Hierbij neemt het hof mee dat de man, hoewel hij naar eigen zeggen op 24 november 2017 de vrouw om terugbetaling van het gehele bedrag heeft gevraagd, geen actie heeft ondernomen nadat de vrouw hem had geantwoord dat zij zich aan de afspraken als vastgelegd in genoemde overeenkomst wenste te houden en wel met hem wilde meedenken als hij door het niet in een keer terugbetalen van het geleende bedrag door de vrouw in financiële problemen zou komen. Dit bevestigt de lezing van de vrouw.
Het hof volgt de man niet in zijn standpunt dat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst omdat hij het totaalbedrag van € 12.100,- al eerder voor het aangaan van de overeenkomst aan de vrouw had overgemaakt. De vrouw heeft hiertoe namelijk onbestreden gesteld dat de man haar destijds heeft gezegddat zij eerst haar zaken met de schuldeisers moest regelen – het bedrag was bedoeld ter afkoop – en dat partijen daarna zouden bespreken hoe zij de afwikkeling in hun onderlinge verhoudingen zouden regelen.
5.3
Omdat het hof ervan uitgaat dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw het geleende bedrag aan de man zou terugbetalen door verrekening van een bedrag van € 300,- per maand aan kinderalimentatie, gaat het hof er vervolgens met de vrouw vanuit dat zij op deze manier in april 2020 het volledige bedrag van € 12.100,- aan de man heeft terugbetaald. In de periode daarna heeft de vrouw de man meermalen verzocht (maandelijks) tot betaling van de overeengekomen kinderalimentatie over te gaan. De vrouw heeft de man in ieder geval op 16 augustus 2020, zowel op het adres van de broer van de man in [woonplaats2] als – aangetekend – op het adres van de man in Duitsland, op 15 september 2021 per mail, op 12 september 2022 – aangetekend – aan het adres [adres] in [woonplaats1] en op 24 februari 2023 via de advocaat aan het adres [adres] in [woonplaats1] aangeschreven met het verzoek tot betaling van de overeengekomen kinderalimentatie over te gaan. Aan het verweer van de man dat de vrouw na april 2020 heeft stilgezeten en dat hem de berichten van de vrouw tot nakoming van de afspraak niet hebben bereikt, gaat het hof voorbij. Volgens de (onbestreden stelling van) de vrouw heeft de man de aangetekende brief van 16 augustus 2020 geweigerd. Dat die brief hem mogelijk niet heeft bereikt, is dus het gevolg van zijn eigen handeling en dat kan niet aan de vrouw worden tegengeworpen. Het hof gaat er ook vanuit dat de man het bericht van de vrouw van 15 september 2021 heeft ontvangen, aangezien de vrouw dit heeft toegezonden aan het mailadres [verzoeker] @hotmail.com dat de man zelf ook gebruikt in zijn communicatie met de vrouw. Wat betreft de door de vrouw per aangetekende post verzonden brief van 12 september 2022, overweegt het hof dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat deze brief geopend aan haar is geretourneerd en daartoe een bewijs ‘retour afzender’ heeft overgelegd. Daarbij heeft de vrouw deze brief verzonden aan het adres [adres] in [woonplaats1] , naar welk adres haar advocaat op 24 februari 2023 ook een betalingsverzoek heeft gestuurd die de man wel zegt te hebben ontvangen.
5.4
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de man nog steeds gehouden is om aan de afspraak te voldoen, vanaf april 2020 in de vorm van maandelijkse betalingen. Het hof vat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage dan ook op als nakoming van de tussen partijen in 2016 gemaakte afspraak dat de man een bedrag van (afgerond na indexering) € 325,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw zou voldoen.
Grove miskenning van de wettelijke maatstaven dan wel wijziging van omstandigheden
5.5
Een overeenkomst die betrekking heeft op (een bijdrage in kosten van) levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1 van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek) of indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5). Met dit laatste is bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen.
5.6
De man doet subsidiair een beroep op de ‘grove miskenning van de wettelijke maatstaven’ dan wel vindt hij dat sprake is van een wijziging van omstandigheden – in die zin dat zijn inkomen sinds het maken van de afspraak ter zake van de kinderalimentatie in 2016 is verminderd – als gevolg waarvan de kinderalimentatie volgens de man moet worden verlaagd.
De vrouw verweert zich hiertegen en stelt daartoe dat sprake is van zelfstandige verzoeken die de man voor het eerst in hoger beroep doet en dat op grond van artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet is toegestaan.
5.7
Naar het oordeel van het hof is het subsidiaire verzoek van de man tot vermindering van de kinderalimentatie niet een verzoek dat hij voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan, zoals bedoeld in artikel 362 Rv.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 september 2023, voor zover het de kinderalimentatie betreft;
compenseert de proceskosten in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en A.T. Bol, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 27 juni 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.335.918
(zaaknummer rechtbank Gelderland 417621)
beschikking van 27 juni 2024
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. J.A.N. Lap te Malden, gemeente Heumen,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.J. Germs te Nijmegen.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 september 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 december 2023;
het verweerschrift met producties;
een journaalbericht van mr. Lap van 2 mei 2024 met productie;
een journaalbericht van mr. Lap van 3 mei 2024 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 mei 2024 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de advocaat van de man;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat (die spreekaantekeningen heeft overgelegd).
Feiten
3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2013.
[de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
Geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hiervan belang, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 april 2020 bepaald op € 325,- per maand.
4.2
De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de vraag of sprake is van een overeenkomst over de kinderalimentatie. De tweede grief hangt daarmee samen en ziet op de mogelijkheid tot verrekening. De derde grief ziet op de omkering van de stelplicht en bewijslast. De vierde grief ziet op de terugwerkende kracht. De vijfde grief ziet op het niet berekenen van de kinderalimentatie.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
- primair: het verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen;
- subsidiair: te bepalen dat de man met ingang van 7 april 2023 een bedrag van € 52,- per maand aan de vrouw moet voldoen als kinderalimentatie voor [de minderjarige] , kosten rechtens.
4.3
De vrouw voert verweer en zij vraagt het hof de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Overwegingen
Leningsovereenkomst
5.1
Er staat niet ter discussie dat de man aan de vrouw € 12.100,- heeft geleend. Wel in geschil is de (wijze van) terugbetaling van dit bedrag door de vrouw. De vrouw stelt dat partijen destijds hebben afgesproken dat het door de vrouw bij de man geleende bedrag van € 12.100,- zou worden terugbetaald in de vorm van/door verrekening met de door de man aan haar ten behoeve van [de minderjarige] te betalen kinderalimentatie van € 300,- per maand. Tot april 2020 heeft de man op die manier de kinderalimentatie ook voldaan. Daarna moest de man weer maandelijks betalen.
De man verweert zich hiertegen en voert aan dat hij nooit heeft ingestemd met het voorstel dat de vrouw daartoe destijds heeft gedaan tot verrekening van de kinderalimentatie.
5.2
Het hof is, net als de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen partijen conform de door de vrouw overgelegde leningsovereenkomst van 14 september 2016. In aanvulling hierop overweegt het hof dat de vrouw op de mondelinge behandeling van het hof heeft uiteengezet hoe deze afspraak tot stand is gekomen. Die toelichting komt het hof zeer plausibel voor. De hoogte van het bedrag komt overeen met het bedrag van € 600,- per maand dat de man destijds voor zijn twee dochters betaalde. Omdat de man voor [de minderjarige] hetzelfde bedrag wilde betalen, zijn partijen het bedrag van € 300,- per maand overeengekomen. Verder heeft de vrouw gesteld dat de leningsovereenkomst tot stand is gekomen in samenspraak met de financieel adviseur. Partijen hadden afgesproken dat de vrouw het geleende bedrag van € 12.100,- zou terugbetalen door middel van verrekening met de door de man aan haar ten behoeve van [de minderjarige] te betalen kinderalimentatie, zoals vermeld in de leningsovereenkomst. Nadat de vrouw de leningsovereenkomst aan de man had gemaild, hebben zij deze samen – fysiek – besproken. De man heeft deze stellingen van de vrouw niet betwist, zodat het hof die als vaststaand beschouwt. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de man had kunnen en moeten begrijpen dat de vrouw ervan uitging dat de leningsovereenkomst gold tussen partijen. De man heeft vervolgens namelijk, nadat het geleende bedrag in deze vorm was ‘terugbetaald’ –dat was in april 2020 – een tijd stilgezeten en de vrouw heeft hem niet gevraagd om een bedrag van € 300,- per maand voor [de minderjarige] te betalen, terwijl het de man duidelijk moest zijn geweest dat de vrouw dat anders op basis van artikel 6 van de overeenkomst wel zou doen, aangezien van verrekening geen sprake meer was. Hierbij neemt het hof mee dat de man, hoewel hij naar eigen zeggen op 24 november 2017 de vrouw om terugbetaling van het gehele bedrag heeft gevraagd, geen actie heeft ondernomen nadat de vrouw hem had geantwoord dat zij zich aan de afspraken als vastgelegd in genoemde overeenkomst wenste te houden en wel met hem wilde meedenken als hij door het niet in een keer terugbetalen van het geleende bedrag door de vrouw in financiële problemen zou komen. Dit bevestigt de lezing van de vrouw.
Het hof volgt de man niet in zijn standpunt dat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst omdat hij het totaalbedrag van € 12.100,- al eerder voor het aangaan van de overeenkomst aan de vrouw had overgemaakt. De vrouw heeft hiertoe namelijk onbestreden gesteld dat de man haar destijds heeft gezegddat zij eerst haar zaken met de schuldeisers moest regelen – het bedrag was bedoeld ter afkoop – en dat partijen daarna zouden bespreken hoe zij de afwikkeling in hun onderlinge verhoudingen zouden regelen.
5.3
Omdat het hof ervan uitgaat dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw het geleende bedrag aan de man zou terugbetalen door verrekening van een bedrag van € 300,- per maand aan kinderalimentatie, gaat het hof er vervolgens met de vrouw vanuit dat zij op deze manier in april 2020 het volledige bedrag van € 12.100,- aan de man heeft terugbetaald. In de periode daarna heeft de vrouw de man meermalen verzocht (maandelijks) tot betaling van de overeengekomen kinderalimentatie over te gaan. De vrouw heeft de man in ieder geval op 16 augustus 2020, zowel op het adres van de broer van de man in [woonplaats2] als – aangetekend – op het adres van de man in Duitsland, op 15 september 2021 per mail, op 12 september 2022 – aangetekend – aan het adres [adres] in [woonplaats1] en op 24 februari 2023 via de advocaat aan het adres [adres] in [woonplaats1] aangeschreven met het verzoek tot betaling van de overeengekomen kinderalimentatie over te gaan. Aan het verweer van de man dat de vrouw na april 2020 heeft stilgezeten en dat hem de berichten van de vrouw tot nakoming van de afspraak niet hebben bereikt, gaat het hof voorbij. Volgens de (onbestreden stelling van) de vrouw heeft de man de aangetekende brief van 16 augustus 2020 geweigerd. Dat die brief hem mogelijk niet heeft bereikt, is dus het gevolg van zijn eigen handeling en dat kan niet aan de vrouw worden tegengeworpen. Het hof gaat er ook vanuit dat de man het bericht van de vrouw van 15 september 2021 heeft ontvangen, aangezien de vrouw dit heeft toegezonden aan het mailadres [verzoeker] @hotmail.com dat de man zelf ook gebruikt in zijn communicatie met de vrouw. Wat betreft de door de vrouw per aangetekende post verzonden brief van 12 september 2022, overweegt het hof dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat deze brief geopend aan haar is geretourneerd en daartoe een bewijs ‘retour afzender’ heeft overgelegd. Daarbij heeft de vrouw deze brief verzonden aan het adres [adres] in [woonplaats1] , naar welk adres haar advocaat op 24 februari 2023 ook een betalingsverzoek heeft gestuurd die de man wel zegt te hebben ontvangen.
5.4
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de man nog steeds gehouden is om aan de afspraak te voldoen, vanaf april 2020 in de vorm van maandelijkse betalingen. Het hof vat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage dan ook op als nakoming van de tussen partijen in 2016 gemaakte afspraak dat de man een bedrag van (afgerond na indexering) € 325,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw zou voldoen.
Grove miskenning van de wettelijke maatstaven dan wel wijziging van omstandigheden
5.5
Een overeenkomst die betrekking heeft op (een bijdrage in kosten van) levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1 van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek) of indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5). Met dit laatste is bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen.
5.6
De man doet subsidiair een beroep op de ‘grove miskenning van de wettelijke maatstaven’ dan wel vindt hij dat sprake is van een wijziging van omstandigheden – in die zin dat zijn inkomen sinds het maken van de afspraak ter zake van de kinderalimentatie in 2016 is verminderd – als gevolg waarvan de kinderalimentatie volgens de man moet worden verlaagd.
De vrouw verweert zich hiertegen en stelt daartoe dat sprake is van zelfstandige verzoeken die de man voor het eerst in hoger beroep doet en dat op grond van artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet is toegestaan.
5.7
Naar het oordeel van het hof is het subsidiaire verzoek van de man tot vermindering van de kinderalimentatie niet een verzoek dat hij voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan, zoals bedoeld in artikel 362 Rv.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 september 2023, voor zover het de kinderalimentatie betreft;
compenseert de proceskosten in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en A.T. Bol, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 27 juni 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.335.918
(zaaknummer rechtbank Gelderland 417621)
beschikking van 27 juni 2024
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. J.A.N. Lap te Malden, gemeente Heumen,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M.J. Germs te Nijmegen.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 september 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer, hierna: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het beroepschrift met producties, ingekomen op 20 december 2023;
het verweerschrift met producties;
een journaalbericht van mr. Lap van 2 mei 2024 met productie;
een journaalbericht van mr. Lap van 3 mei 2024 met producties.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 16 mei 2024 plaatsgevonden.
Aanwezig waren:
- de advocaat van de man;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat (die spreekaantekeningen heeft overgelegd).
Feiten
3.1
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige] ), geboren [in] 2013.
[de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.
Geschil
4.1
Bij de bestreden beschikking is, voor zover hiervan belang, de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 1 april 2020 bepaald op € 325,- per maand.
4.2
De man is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De eerste grief ziet op de vraag of sprake is van een overeenkomst over de kinderalimentatie. De tweede grief hangt daarmee samen en ziet op de mogelijkheid tot verrekening. De derde grief ziet op de omkering van de stelplicht en bewijslast. De vierde grief ziet op de terugwerkende kracht. De vijfde grief ziet op het niet berekenen van de kinderalimentatie.
De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
- primair: het verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen;
- subsidiair: te bepalen dat de man met ingang van 7 april 2023 een bedrag van € 52,- per maand aan de vrouw moet voldoen als kinderalimentatie voor [de minderjarige] , kosten rechtens.
4.3
De vrouw voert verweer en zij vraagt het hof de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Overwegingen
Leningsovereenkomst
5.1
Er staat niet ter discussie dat de man aan de vrouw € 12.100,- heeft geleend. Wel in geschil is de (wijze van) terugbetaling van dit bedrag door de vrouw. De vrouw stelt dat partijen destijds hebben afgesproken dat het door de vrouw bij de man geleende bedrag van € 12.100,- zou worden terugbetaald in de vorm van/door verrekening met de door de man aan haar ten behoeve van [de minderjarige] te betalen kinderalimentatie van € 300,- per maand. Tot april 2020 heeft de man op die manier de kinderalimentatie ook voldaan. Daarna moest de man weer maandelijks betalen.
De man verweert zich hiertegen en voert aan dat hij nooit heeft ingestemd met het voorstel dat de vrouw daartoe destijds heeft gedaan tot verrekening van de kinderalimentatie.
5.2
Het hof is, net als de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen partijen conform de door de vrouw overgelegde leningsovereenkomst van 14 september 2016. In aanvulling hierop overweegt het hof dat de vrouw op de mondelinge behandeling van het hof heeft uiteengezet hoe deze afspraak tot stand is gekomen. Die toelichting komt het hof zeer plausibel voor. De hoogte van het bedrag komt overeen met het bedrag van € 600,- per maand dat de man destijds voor zijn twee dochters betaalde. Omdat de man voor [de minderjarige] hetzelfde bedrag wilde betalen, zijn partijen het bedrag van € 300,- per maand overeengekomen. Verder heeft de vrouw gesteld dat de leningsovereenkomst tot stand is gekomen in samenspraak met de financieel adviseur. Partijen hadden afgesproken dat de vrouw het geleende bedrag van € 12.100,- zou terugbetalen door middel van verrekening met de door de man aan haar ten behoeve van [de minderjarige] te betalen kinderalimentatie, zoals vermeld in de leningsovereenkomst. Nadat de vrouw de leningsovereenkomst aan de man had gemaild, hebben zij deze samen – fysiek – besproken. De man heeft deze stellingen van de vrouw niet betwist, zodat het hof die als vaststaand beschouwt. Het hof is net als de rechtbank van oordeel dat de man had kunnen en moeten begrijpen dat de vrouw ervan uitging dat de leningsovereenkomst gold tussen partijen. De man heeft vervolgens namelijk, nadat het geleende bedrag in deze vorm was ‘terugbetaald’ –dat was in april 2020 – een tijd stilgezeten en de vrouw heeft hem niet gevraagd om een bedrag van € 300,- per maand voor [de minderjarige] te betalen, terwijl het de man duidelijk moest zijn geweest dat de vrouw dat anders op basis van artikel 6 van de overeenkomst wel zou doen, aangezien van verrekening geen sprake meer was. Hierbij neemt het hof mee dat de man, hoewel hij naar eigen zeggen op 24 november 2017 de vrouw om terugbetaling van het gehele bedrag heeft gevraagd, geen actie heeft ondernomen nadat de vrouw hem had geantwoord dat zij zich aan de afspraken als vastgelegd in genoemde overeenkomst wenste te houden en wel met hem wilde meedenken als hij door het niet in een keer terugbetalen van het geleende bedrag door de vrouw in financiële problemen zou komen. Dit bevestigt de lezing van de vrouw.
Het hof volgt de man niet in zijn standpunt dat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de overeenkomst omdat hij het totaalbedrag van € 12.100,- al eerder voor het aangaan van de overeenkomst aan de vrouw had overgemaakt. De vrouw heeft hiertoe namelijk onbestreden gesteld dat de man haar destijds heeft gezegddat zij eerst haar zaken met de schuldeisers moest regelen – het bedrag was bedoeld ter afkoop – en dat partijen daarna zouden bespreken hoe zij de afwikkeling in hun onderlinge verhoudingen zouden regelen.
5.3
Omdat het hof ervan uitgaat dat partijen zijn overeengekomen dat de vrouw het geleende bedrag aan de man zou terugbetalen door verrekening van een bedrag van € 300,- per maand aan kinderalimentatie, gaat het hof er vervolgens met de vrouw vanuit dat zij op deze manier in april 2020 het volledige bedrag van € 12.100,- aan de man heeft terugbetaald. In de periode daarna heeft de vrouw de man meermalen verzocht (maandelijks) tot betaling van de overeengekomen kinderalimentatie over te gaan. De vrouw heeft de man in ieder geval op 16 augustus 2020, zowel op het adres van de broer van de man in [woonplaats2] als – aangetekend – op het adres van de man in Duitsland, op 15 september 2021 per mail, op 12 september 2022 – aangetekend – aan het adres [adres] in [woonplaats1] en op 24 februari 2023 via de advocaat aan het adres [adres] in [woonplaats1] aangeschreven met het verzoek tot betaling van de overeengekomen kinderalimentatie over te gaan. Aan het verweer van de man dat de vrouw na april 2020 heeft stilgezeten en dat hem de berichten van de vrouw tot nakoming van de afspraak niet hebben bereikt, gaat het hof voorbij. Volgens de (onbestreden stelling van) de vrouw heeft de man de aangetekende brief van 16 augustus 2020 geweigerd. Dat die brief hem mogelijk niet heeft bereikt, is dus het gevolg van zijn eigen handeling en dat kan niet aan de vrouw worden tegengeworpen. Het hof gaat er ook vanuit dat de man het bericht van de vrouw van 15 september 2021 heeft ontvangen, aangezien de vrouw dit heeft toegezonden aan het mailadres [verzoeker] @hotmail.com dat de man zelf ook gebruikt in zijn communicatie met de vrouw. Wat betreft de door de vrouw per aangetekende post verzonden brief van 12 september 2022, overweegt het hof dat de vrouw onbetwist heeft gesteld dat deze brief geopend aan haar is geretourneerd en daartoe een bewijs ‘retour afzender’ heeft overgelegd. Daarbij heeft de vrouw deze brief verzonden aan het adres [adres] in [woonplaats1] , naar welk adres haar advocaat op 24 februari 2023 ook een betalingsverzoek heeft gestuurd die de man wel zegt te hebben ontvangen.
5.4
Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de man nog steeds gehouden is om aan de afspraak te voldoen, vanaf april 2020 in de vorm van maandelijkse betalingen. Het hof vat het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage dan ook op als nakoming van de tussen partijen in 2016 gemaakte afspraak dat de man een bedrag van (afgerond na indexering) € 325,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw zou voldoen.
Grove miskenning van de wettelijke maatstaven dan wel wijziging van omstandigheden
5.5
Een overeenkomst die betrekking heeft op (een bijdrage in kosten van) levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen (lid 1 van artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek) of indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven (lid 5). Met dit laatste is bedoeld dat, uitgaande van dezelfde gegevens, er geen duidelijke wanverhouding mag bestaan tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechter zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen.
5.6
De man doet subsidiair een beroep op de ‘grove miskenning van de wettelijke maatstaven’ dan wel vindt hij dat sprake is van een wijziging van omstandigheden – in die zin dat zijn inkomen sinds het maken van de afspraak ter zake van de kinderalimentatie in 2016 is verminderd – als gevolg waarvan de kinderalimentatie volgens de man moet worden verlaagd.
De vrouw verweert zich hiertegen en stelt daartoe dat sprake is van zelfstandige verzoeken die de man voor het eerst in hoger beroep doet en dat op grond van artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) niet is toegestaan.
5.7
Naar het oordeel van het hof is het subsidiaire verzoek van de man tot vermindering van de kinderalimentatie niet een verzoek dat hij voor het eerst in hoger beroep heeft gedaan, zoals bedoeld in artikel 362 Rv.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 september 2023, voor zover het de kinderalimentatie betreft;
compenseert de proceskosten in hoger beroep;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, E. de Boer en A.T. Bol, bijgestaan door mr. L.J.G. Scheffer-Overbeek als griffier, en is op 27 juni 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.