Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-06-14
ECLI:NL:GHARL:2024:3958
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
4,016 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.336.199/01
CJIB-nummer
: 242295596
Uitspraak d.d.
: 14 juni 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 4 december 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 187,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 418,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 juni 2021 om 19.36 uur op de Spoordreef in Almere met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag gematigd met 25 procent omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. Verder voert de gemachtigde aan dat de verklaring van de ambtenaar te summier is om aan te nemen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. De gemachtigde wijst in dit verband op het arrest van het hof van 28 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9228.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 2,00 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. (…)
Reden geen staandehouding: verbalisant had geen middelen beschikbaar voor het uitvoeren van een staandehouding.”
5. Daarnaast bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 2 december 2023. Hierin verklaart de ambtenaar onder meer het volgende:“Op maandag 28 juni 2021 deed ik, (…), dienst in Almere. Ik was in burger gekleed en reed in een onopvallend politie dienstvoertuig. (…) Ik kon geen staandehouding uitvoeren omdat ik niet in het bezit was van de juiste middelen. Ik reed in een voertuig zonder een stop-transparant. Ik was niet in bezit van geweldsmiddelen en was niet in het bezit van een politie portofoon om te kunnen communiceren met het operationeel centrum. Door het ontbreken van deze middelen heb ik de afweging gemaakt om geen staandehouding uit te voeren en het proces-verbaal van overtreding op kenteken te schrijven.”
6. Het hof ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene het voor hem geldende rood uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd. De enkele ontkenning van de gedraging is daartoe onvoldoende. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht.
7. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8. Voor de beoordeling of staandehouding mogelijk was in dit geval is, in het licht van het door de gemachtigde aangehaalde arrest, onder meer relevant of de ambtenaar al dan niet in een herkenbaar politievoertuig reed. Uit de aanvullende verklaring van de ambtenaar blijkt dat dit niet het geval was. Verder verklaart de ambtenaar dat hij geen (stop)middelen voorhanden had en in burger was gekleed. Ook kan niet worden vastgesteld dat de omstandigheden ter plaatse na de vaststelling van de gedraging zodanig waren dat niettemin staandehouding mogelijk was. Onder deze omstandigheden bestond er naar het oordeel van het hof geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder. De sanctie is dan ook terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
9. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de betrokkene niet is gehoord door de officier van justitie. Daarom moet het bedrag van de sanctie met 25 procent worden gematigd.
10. De grond dat de hoorplicht is geschonden treft doel. Het hof stelt vast dat betrokkene in administratief beroep zelf, zonder (professioneel) gemachtigde heeft geprocedeerd. Er doen zich geen gronden voor waarop van horen kon worden afgezien. In het licht van bestendige vaste rechtspraak van het hof behoeft dit geen nadere motivering. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de betrokkene door die schending in dit geval is komen te verkeren in zodanige omstandigheden dat het door de regelgever vastgestelde sanctiebedrag moet worden gematigd met 25 procent (vlg. het arrest van het hof van 22 november 2022 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2022:9934). Dat gematigde bedrag - dat door de kantonrechter had moeten worden vastgesteld - had vervolgens door de kantonrechter met 25 procent moeten worden gematigd in verband met overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.
11. Het voorgaande brengt mee dat de kosten voor het indienen van het hoger beroepschrift voor vergoeding in aanmerking komen. De kantonrechter heeft een vergoeding toegekend voor de in beroep bij de kantonrechter gemakte proceskosten. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 437,50 (= (1 x € 875,- x 0,5).
12. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het bedrag van de sanctie is vastgesteld op € 187,50;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op€ 140,63;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 437,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.336.199/01
CJIB-nummer
: 242295596
Uitspraak d.d.
: 14 juni 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 4 december 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 187,50. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 418,50.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 juni 2021 om 19.36 uur op de Spoordreef in Almere met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag gematigd met 25 procent omdat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden.
3. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. Verder voert de gemachtigde aan dat de verklaring van de ambtenaar te summier is om aan te nemen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. De gemachtigde wijst in dit verband op het arrest van het hof van 28 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9228.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 2,00 seconden op rood stond op het moment dat betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. (…)
Reden geen staandehouding: verbalisant had geen middelen beschikbaar voor het uitvoeren van een staandehouding.”
5. Daarnaast bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal van 2 december 2023. Hierin verklaart de ambtenaar onder meer het volgende:“Op maandag 28 juni 2021 deed ik, (…), dienst in Almere. Ik was in burger gekleed en reed in een onopvallend politie dienstvoertuig. (…) Ik kon geen staandehouding uitvoeren omdat ik niet in het bezit was van de juiste middelen. Ik reed in een voertuig zonder een stop-transparant. Ik was niet in bezit van geweldsmiddelen en was niet in het bezit van een politie portofoon om te kunnen communiceren met het operationeel centrum. Door het ontbreken van deze middelen heb ik de afweging gemaakt om geen staandehouding uit te voeren en het proces-verbaal van overtreding op kenteken te schrijven.”
6. Het hof ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene het voor hem geldende rood uitstralende verkeerslicht heeft genegeerd. De enkele ontkenning van de gedraging is daartoe onvoldoende. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht.
7. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8. Voor de beoordeling of staandehouding mogelijk was in dit geval is, in het licht van het door de gemachtigde aangehaalde arrest, onder meer relevant of de ambtenaar al dan niet in een herkenbaar politievoertuig reed. Uit de aanvullende verklaring van de ambtenaar blijkt dat dit niet het geval was. Verder verklaart de ambtenaar dat hij geen (stop)middelen voorhanden had en in burger was gekleed. Ook kan niet worden vastgesteld dat de omstandigheden ter plaatse na de vaststelling van de gedraging zodanig waren dat niettemin staandehouding mogelijk was. Onder deze omstandigheden bestond er naar het oordeel van het hof geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder. De sanctie is dan ook terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
9. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de betrokkene niet is gehoord door de officier van justitie. Daarom moet het bedrag van de sanctie met 25 procent worden gematigd.
10. De grond dat de hoorplicht is geschonden treft doel. Het hof stelt vast dat betrokkene in administratief beroep zelf, zonder (professioneel) gemachtigde heeft geprocedeerd. Er doen zich geen gronden voor waarop van horen kon worden afgezien. In het licht van bestendige vaste rechtspraak van het hof behoeft dit geen nadere motivering. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de betrokkene door die schending in dit geval is komen te verkeren in zodanige omstandigheden dat het door de regelgever vastgestelde sanctiebedrag moet worden gematigd met 25 procent (vlg. het arrest van het hof van 22 november 2022 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2022:9934). Dat gematigde bedrag - dat door de kantonrechter had moeten worden vastgesteld - had vervolgens door de kantonrechter met 25 procent moeten worden gematigd in verband met overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Het hof zal doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen.
11. Het voorgaande brengt mee dat de kosten voor het indienen van het hoger beroepschrift voor vergoeding in aanmerking komen. De kantonrechter heeft een vergoeding toegekend voor de in beroep bij de kantonrechter gemakte proceskosten. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 437,50 (= (1 x € 875,- x 0,5).
12. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij het bedrag van de sanctie is vastgesteld op € 187,50;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op€ 140,63;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 437,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.