Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-06-11
ECLI:NL:GHARL:2024:3872
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
3,740 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.337.464
(zaaknummer rechtbank Overijssel 302096)
beschikking van 11 juni 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen te Vaassen,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.E.M. Messink te Wijchen,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Hengelo,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 november 2023, uitgesproken onder zaaknummer 302096, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 7 februari 2024;
- het verweerschrift van de vader;
- het verweerschrift van de GI met producties;
- journaalberichten van mr. De Blieck-Willemsen van 3, 7 en 8 mei 2024 met producties 5 tot en met 10.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 14 mei 2024 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, met haar advocaat;
de vader, met zijn advocaat, en
een vertegenwoordiger van de GI.
De raad voor de kinderbescherming heeft vooraf laten weten niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.
2.3
Vanwege de onderlinge samenhang is deze zaak gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 200.337.473 die gaat over de zorgregeling.
Feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is [in] 2014 in [woonplaats2] geboren.
3.2
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . Zij heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.3
Bij beschikking van 8 november 2021 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld voor de termijn van een jaar, welke termijn de laatste keer bij beschikking van de kinderrechter van 19 oktober 2022 is verlengd tot 8 november 2023.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd van 8 november 2023 tot 8 november 2024.
4.2
De moeder is het niet eens met die beslissing en is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI, tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met een jaar, alsnog af te wijzen.
4.3
De vader voert verweer en vraagt het hof om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans de verzoeken van de moeder af te wijzen.
4.4
De GI voert verweer en vraagt het hof om de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
5.1
Op grond van artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof na eigen onderzoek overneemt, is het hof van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling ook op dit moment nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen en voegt daar het volgende aan toe.
5.3
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de door de rechtbank omschreven ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] nog steeds aanwezig is. Zo zijn het beeld dat [de minderjarige] van de vader heeft en de mening van [de minderjarige] over contactherstel met de vader onveranderd. Het hof is het met de rechtbank eens dat het in dat kader van belang is dat gekeken wordt naar de rol van de moeder – die ook het contact tussen [de minderjarige] en de GI belemmert – en naar de gang van zaken bij de moeder thuis. Van belang is dat de moeder zich bewust wordt van het effect van haar gedag op het loyaliteitsgevoel van [de minderjarige] en van de effecten op [de minderjarige] van het ontbreken van contact tussen haar en haar vader op lange(re) termijn. In dat kader acht het hof van belang dat de ouders zo snel mogelijk beginnen met de hulpverlening vanuit InZicht.
5.4
Gelet op de bestaande ontwikkelingsbedreiging acht het hof professionele en deskundige hulp voor [de minderjarige] en de ouders dringend geboden. Dat de benodigde hulpverlening in het vrijwillig kader van de grond zal komen, is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan. Integendeel: de moeder heeft gezegd dat zij en [de minderjarige] behoefte hebben aan rust. Anders dan de moeder verwacht het hof echter niet dat de door haar gewenste rust ertoe zal leiden dat [de minderjarige] tot een ander en daarmee nieuw beeld van haar vader komt. Dit betekent dat de ontwikkelingsbedreiging zonder een ondertoezichtstelling niet zal worden weggenomen.
5.5
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder laten weten dat zij tegen een burn-out aanzit. Gelet op de belangrijke rol van de moeder in het leven van [de minderjarige] , vindt het hof het van belang dat de moeder ook in dat kader hulpverlening krijgt. Dit laat onverlet dat het hof van de moeder verlangt dat zij in het belang van [de minderjarige] zonder nadere eisen gaat samenwerken met de GI.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 november 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.B. de Groot en E. de Boer, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 11 juni 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.337.464
(zaaknummer rechtbank Overijssel 302096)
beschikking van 11 juni 2024
inzake
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. P.K. de Blieck-Willemsen te Vaassen,
en
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. E.E.M. Messink te Wijchen,
en
de gecertificeerde instelling
Stichting Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Hengelo,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de GI.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 november 2023, uitgesproken onder zaaknummer 302096, verder ook te noemen: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 7 februari 2024;
- het verweerschrift van de vader;
- het verweerschrift van de GI met producties;
- journaalberichten van mr. De Blieck-Willemsen van 3, 7 en 8 mei 2024 met producties 5 tot en met 10.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 14 mei 2024 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, met haar advocaat;
de vader, met zijn advocaat, en
een vertegenwoordiger van de GI.
De raad voor de kinderbescherming heeft vooraf laten weten niet bij de mondelinge behandeling aanwezig te zullen zijn.
2.3
Vanwege de onderlinge samenhang is deze zaak gelijktijdig behandeld met de zaak met nummer 200.337.473 die gaat over de zorgregeling.
Feiten
3.1
De moeder en de vader zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is [in] 2014 in [woonplaats2] geboren.
3.2
De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] . Zij heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
3.3
Bij beschikking van 8 november 2021 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht gesteld voor de termijn van een jaar, welke termijn de laatste keer bij beschikking van de kinderrechter van 19 oktober 2022 is verlengd tot 8 november 2023.
4De omvang van het geschil
4.1
Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de kinderrechter de termijn van de ondertoezichtstelling verlengd van 8 november 2023 tot 8 november 2024.
4.2
De moeder is het niet eens met die beslissing en is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking.
De moeder verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de GI, tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met een jaar, alsnog af te wijzen.
4.3
De vader voert verweer en vraagt het hof om de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans de verzoeken van de moeder af te wijzen.
4.4
De GI voert verweer en vraagt het hof om de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Motivering
5.1
Op grond van artikel 1:260, eerste lid, in verband met artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de ondertoezichtstelling van een minderjarige verlengen met ten hoogste een jaar indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
5.2
Net als de rechtbank en op dezelfde gronden, die het hof na eigen onderzoek overneemt, is het hof van oordeel dat de gronden voor de ondertoezichtstelling ook op dit moment nog steeds aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking daarom bekrachtigen en voegt daar het volgende aan toe.
5.3
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de door de rechtbank omschreven ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] nog steeds aanwezig is. Zo zijn het beeld dat [de minderjarige] van de vader heeft en de mening van [de minderjarige] over contactherstel met de vader onveranderd. Het hof is het met de rechtbank eens dat het in dat kader van belang is dat gekeken wordt naar de rol van de moeder – die ook het contact tussen [de minderjarige] en de GI belemmert – en naar de gang van zaken bij de moeder thuis. Van belang is dat de moeder zich bewust wordt van het effect van haar gedag op het loyaliteitsgevoel van [de minderjarige] en van de effecten op [de minderjarige] van het ontbreken van contact tussen haar en haar vader op lange(re) termijn. In dat kader acht het hof van belang dat de ouders zo snel mogelijk beginnen met de hulpverlening vanuit InZicht.
5.4
Gelet op de bestaande ontwikkelingsbedreiging acht het hof professionele en deskundige hulp voor [de minderjarige] en de ouders dringend geboden. Dat de benodigde hulpverlening in het vrijwillig kader van de grond zal komen, is naar het oordeel van het hof niet komen vast te staan. Integendeel: de moeder heeft gezegd dat zij en [de minderjarige] behoefte hebben aan rust. Anders dan de moeder verwacht het hof echter niet dat de door haar gewenste rust ertoe zal leiden dat [de minderjarige] tot een ander en daarmee nieuw beeld van haar vader komt. Dit betekent dat de ontwikkelingsbedreiging zonder een ondertoezichtstelling niet zal worden weggenomen.
5.5
In aanvulling op het voorgaande merkt het hof het volgende op. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder laten weten dat zij tegen een burn-out aanzit. Gelet op de belangrijke rol van de moeder in het leven van [de minderjarige] , vindt het hof het van belang dat de moeder ook in dat kader hulpverlening krijgt. Dit laat onverlet dat het hof van de moeder verlangt dat zij in het belang van [de minderjarige] zonder nadere eisen gaat samenwerken met de GI.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 8 november 2023.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, J.B. de Groot en E. de Boer, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 11 juni 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.