Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-05-28
ECLI:NL:GHARL:2024:3655
Bestuursrecht; Belastingrecht
Hoger beroep
10,362 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1162
uitspraakdatum: 28 mei 2024
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 13 januari 2023, nummer AWB 22/3783, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2022 een aanslag zuiveringsheffing opgelegd naar een bedrag van € 168,27.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2024. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar is niemand verschenen.
1.6.
Bij een bericht van 4 april 2024 van de griffier van het Hof is de heffingsambtenaar uitgenodigd voor de zitting van 30 april 2024 om 10.00 uur te Arnhem. De uitnodiging is op 4 april 2024 aan het digitale dossier toegevoegd en tevens is op die dag om 12.44 uur hiervan een notificatie aan de heffingsambtenaar gezonden. Omdat de uitnodiging voor de zitting tijdig en op de juiste wijze aan de heffingsambtenaar is verzonden, heeft het Hof het onderzoek ter zitting doorgang laten vinden.
Feiten
Belanghebbende is gebruiker van de woonruimte aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). Vanaf 9 januari 2022 is de dochter van belanghebbende medegebruiker van de woonruimte.
Overwegingen
4.1.
Het betoog van belanghebbende komt kort gezegd erop neer dat berekening van de zuiveringsheffing op basis van drie vervuilingseenheden in zijn geval in strijd komt met het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Voordat het Hof aan behandeling van dit betoog kan toekomen, moet eerst de vraag worden beantwoord of de zuiveringsheffing bij belanghebbende inderdaad op basis van drie vervuilingseenheden moet worden berekend. Deze vraag heeft het Hof ter zitting besproken met belanghebbende, maar niet met de heffingsambtenaar, omdat hij, zoals ook in de beroepsfase, niet ter zitting is verschenen. Dit staat aan behandeling van deze vraag echter niet in de weg, omdat het hier gaat om een beoordeling van de juridische gevolgen die aan het tussen partijen vaststaande feitencomplex moeten worden verbonden.
Toepassing van de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Rivierenland 2022 (hierna: de Verordening)
4.2.
Op grond van artikel 4, lid 1, van de Verordening is de zuiveringsheffing ter zake van woonruimten, voor zover hier van belang, verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar. Op grond van artikel 5 van de Verordening is het heffingsjaar gelijk aan het kalenderjaar.
4.3.
Artikel 18, lid 1, van de Verordening regelt voor woonruimten dat de vervuilingswaarde wordt gesteld op drie vervuilingseenheden, tenzij sprake is van een door één persoon gebruikte woonruimte, in welk geval van één vervuilingseenheid wordt uitgegaan.
4.4.
Indien de in 4.3 bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op grond van artikel 18, lid 3, van de Verordening op één vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin die situatie is ontstaan.
4.5.
Ter toelichting op artikel 4, lid 1, van de Verordening is opgemerkt dat de zuiveringsheffing weliswaar een tijdvakheffing is, maar dat niettemin is gekozen voor een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin van het heffingsjaar te ontstaan. Dit heeft volgens de toelichting als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd. Volgens de toelichting vereist de geldende jurisprudentie dan wel dat een voorziening wordt getroffen voor vermindering van de heffing indien de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt. Die voorziening is getroffen met het in 4.4 genoemde artikel 18, lid 3, van de Verordening.
4.6.
Niet in geschil is dat belanghebbende aan het begin van het heffingsjaar de enige gebruiker van de woning was. Gelet op wat in 4.2 en 4.3 is overwogen, ontstond op dat moment een heffingsschuld die correspondeert met één vervuilingseenheid. Het feit dat in de loop van het heffingsjaar het aantal gebruikers van de woning is toegenomen, maakt naar het oordeel van het Hof niet dat de heffingsschuld die op 1 januari 2022 is ontstaan, navenant hoger wordt. Gelet op wat in 4.4 en 4.5 is overwogen, heeft de waterschapswetgever namelijk bewust slechts een regeling getroffen voor vermindering van de heffing indien het aantal gebruikers van een woonruimte afneemt. Een regeling voor verhoging van de heffing indien het aantal gebruikers toeneemt, is bewust in de Verordening niet opgenomen.
4.7.
Gelet op het voorgaande, heeft de heffingsambtenaar ten onrechte de onderhavige aanslag berekend naar drie vervuilingseenheden met ingang van 10 januari 2022, nu een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt. De door belanghebbende verschuldigde zuiveringsheffing bedraagt € 59,39 (één vervuilingseenheid). Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.
Toetsing van de Verordening aan het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel
4.8.
Aangezien belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat zijn situatie in 2023 en 2024 niet is gewijzigd en dat hij ook voor die jaren is opgekomen tegen de aanslagen zuiveringsheffing, acht het Hof het wenselijk belanghebbende reeds in deze uitspraak duidelijkheid te bieden over zijn klachten met betrekking tot het forfait voor meerpersoonshuishoudens. Het Hof zal die klachten daarom hierna behandelen, ook al bestaat daarbij (gelet op wat in 4.7 is overwogen) voor het onderhavige jaar geen belang meer.
4.9.
Belanghebbende betoogt dat hij ten onrechte wordt benadeeld, omdat de zuiveringsheffing standaard wordt geheven op basis van drie vervuilingseenheden en niet op basis van de daadwerkelijke eenheden. Belanghebbende maakt daarbij een vergelijking met zijn buren, die een huishouden van zes personen hebben, maar niettemin evenveel betalen als belanghebbende.
4.10.
Het Hof is van oordeel dat dit betoog faalt. Het Hof motiveert dat oordeel als volgt.
4.11.
Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt op grond van artikel 122d, lid 1, Waterschapswet onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren. Op grond van artikel 122f, lid 1, Waterschapswet geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, uitgedrukt in vervuilingseenheden. Het aantal vervuilingseenheden wordt volgens artikel 122h, lid 1, Waterschapswet voor woonruimten als hoofdregel gesteld op drie, met dien verstande dat voor een door één persoon gebruikte woonruimte wordt uitgegaan van één vervuilingseenheid (hierna: het woonruimteforfait).
4.12.
De tekst van artikel 18, lid 1, van de Verordening laat geen andere lezing toe dan dat zuiveringsheffing wordt geheven op basis van drie vervuilingseenheden, tenzij sprake is van een door één persoon gebruikte woonruimte. Uit de toelichting op artikel 18, lid 1, van de Verordening blijkt dat de waterschapswetgever hiermee bewust navolging heeft gegeven aan artikel 122h, lid 1, Waterschapswet.
4.13.
Voor zover belanghebbende betoogt dat artikel 18, lid 1, van de Verordening vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel of een andere (ongeschreven) regel buiten toepassing moet worden gelaten, overweegt het Hof als volgt. Het onderscheid dat in artikel 18, lid 1, van de Verordening wordt gemaakt tussen woonruimten die door één persoon worden gebruikt enerzijds en andere woonruimten anderzijds stemt overeen met het onderscheid dat op dit punt wordt gemaakt in artikel 122h, lid 1, Waterschapswet. Gelet op het bepaalde in artikel 120 van de Grondwet kan dit onderscheid daarom niet worden getoetst aan het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 1 van de Grondwet of aan ongeschreven rechtsbeginselen. Wel kan het onderhavige onderscheid worden getoetst aan (de discriminatieverboden die zijn opgenomen in) internationale verdragen. Daarbij is het uitgangspunt dat aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Het oordeel van de wetgever dient op dit punt te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond is ontbloot.
4.14.
Artikel 122h Waterschapswet is ontleend aan de voormalige regeling van hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo). Uit de geschiedenis van de Wvo volgt dat het woonruimteforfait tot strekking heeft de heffing te vereenvoudigen voor een groot aantal gevallen van in omvang gelijke vervuiling te weten die door een gezin of daarmee gelijk te stellen andere leefeenheid in een afzonderlijke woning. Verder volgt uit de parlementaire geschiedenis van artikel 122h Waterschapswet dat aan waterschappen bewust niet de mogelijkheid is gelaten voor meerpersoonshuishoudens uit te gaan van minder dan drie vervuilingseenheden. Deze keuze is gemaakt mede met het oog op uniformiteit en transparantie. Daarbij heeft de wetgever ook gelet op de destijds geldende gemiddelde woningbezetting van 2,95.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op zijn reiskosten voor het beroep en het hoger beroep, begroot op € 63.
Dictum
Het Hof:
– vernietigt de uitspraken van de Rechtbank en de heffingsambtenaar,
– vermindert de aanslag tot € 59,39,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 63 en
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 136 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. M.T.M. Hennevelt als griffier.
Dictum
De griffier, De raadsheer,
(M.T.M. Hennevelt) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 30 mei 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:917.
Kamerstukken II 2005/06, 30 601, nr. 3, blz. 58.
Kamerstukken II 1998/99, 26 367, nr. 3, blz. 22.
Kamerstukken II 2005/06, 30 601, nr. 3, blz. 27 en Kamerstukken II 2006/07, 30 601, nr. 6, blz. 15-16.
Vgl. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
Kamerstukken II 2005/06, 30 601, nr. 3, blz. 27-28.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1162
uitspraakdatum: 28 mei 2024
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 13 januari 2023, nummer AWB 22/3783, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2022 een aanslag zuiveringsheffing opgelegd naar een bedrag van € 168,27.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2024. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar is niemand verschenen.
1.6.
Bij een bericht van 4 april 2024 van de griffier van het Hof is de heffingsambtenaar uitgenodigd voor de zitting van 30 april 2024 om 10.00 uur te Arnhem. De uitnodiging is op 4 april 2024 aan het digitale dossier toegevoegd en tevens is op die dag om 12.44 uur hiervan een notificatie aan de heffingsambtenaar gezonden. Omdat de uitnodiging voor de zitting tijdig en op de juiste wijze aan de heffingsambtenaar is verzonden, heeft het Hof het onderzoek ter zitting doorgang laten vinden.
Feiten
Belanghebbende is gebruiker van de woonruimte aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). Vanaf 9 januari 2022 is de dochter van belanghebbende medegebruiker van de woonruimte.
Overwegingen
4.1.
Het betoog van belanghebbende komt kort gezegd erop neer dat berekening van de zuiveringsheffing op basis van drie vervuilingseenheden in zijn geval in strijd komt met het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Voordat het Hof aan behandeling van dit betoog kan toekomen, moet eerst de vraag worden beantwoord of de zuiveringsheffing bij belanghebbende inderdaad op basis van drie vervuilingseenheden moet worden berekend. Deze vraag heeft het Hof ter zitting besproken met belanghebbende, maar niet met de heffingsambtenaar, omdat hij, zoals ook in de beroepsfase, niet ter zitting is verschenen. Dit staat aan behandeling van deze vraag echter niet in de weg, omdat het hier gaat om een beoordeling van de juridische gevolgen die aan het tussen partijen vaststaande feitencomplex moeten worden verbonden.
Toepassing van de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Rivierenland 2022 (hierna: de Verordening)
4.2.
Op grond van artikel 4, lid 1, van de Verordening is de zuiveringsheffing ter zake van woonruimten, voor zover hier van belang, verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar. Op grond van artikel 5 van de Verordening is het heffingsjaar gelijk aan het kalenderjaar.
4.3.
Artikel 18, lid 1, van de Verordening regelt voor woonruimten dat de vervuilingswaarde wordt gesteld op drie vervuilingseenheden, tenzij sprake is van een door één persoon gebruikte woonruimte, in welk geval van één vervuilingseenheid wordt uitgegaan.
4.4.
Indien de in 4.3 bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op grond van artikel 18, lid 3, van de Verordening op één vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin die situatie is ontstaan.
4.5.
Ter toelichting op artikel 4, lid 1, van de Verordening is opgemerkt dat de zuiveringsheffing weliswaar een tijdvakheffing is, maar dat niettemin is gekozen voor een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin van het heffingsjaar te ontstaan. Dit heeft volgens de toelichting als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd. Volgens de toelichting vereist de geldende jurisprudentie dan wel dat een voorziening wordt getroffen voor vermindering van de heffing indien de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt. Die voorziening is getroffen met het in 4.4 genoemde artikel 18, lid 3, van de Verordening.
4.6.
Niet in geschil is dat belanghebbende aan het begin van het heffingsjaar de enige gebruiker van de woning was. Gelet op wat in 4.2 en 4.3 is overwogen, ontstond op dat moment een heffingsschuld die correspondeert met één vervuilingseenheid. Het feit dat in de loop van het heffingsjaar het aantal gebruikers van de woning is toegenomen, maakt naar het oordeel van het Hof niet dat de heffingsschuld die op 1 januari 2022 is ontstaan, navenant hoger wordt. Gelet op wat in 4.4 en 4.5 is overwogen, heeft de waterschapswetgever namelijk bewust slechts een regeling getroffen voor vermindering van de heffing indien het aantal gebruikers van een woonruimte afneemt. Een regeling voor verhoging van de heffing indien het aantal gebruikers toeneemt, is bewust in de Verordening niet opgenomen.
4.7.
Gelet op het voorgaande, heeft de heffingsambtenaar ten onrechte de onderhavige aanslag berekend naar drie vervuilingseenheden met ingang van 10 januari 2022, nu een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt. De door belanghebbende verschuldigde zuiveringsheffing bedraagt € 59,39 (één vervuilingseenheid). Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.
Toetsing van de Verordening aan het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel
4.8.
Aangezien belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat zijn situatie in 2023 en 2024 niet is gewijzigd en dat hij ook voor die jaren is opgekomen tegen de aanslagen zuiveringsheffing, acht het Hof het wenselijk belanghebbende reeds in deze uitspraak duidelijkheid te bieden over zijn klachten met betrekking tot het forfait voor meerpersoonshuishoudens. Het Hof zal die klachten daarom hierna behandelen, ook al bestaat daarbij (gelet op wat in 4.7 is overwogen) voor het onderhavige jaar geen belang meer.
4.9.
Belanghebbende betoogt dat hij ten onrechte wordt benadeeld, omdat de zuiveringsheffing standaard wordt geheven op basis van drie vervuilingseenheden en niet op basis van de daadwerkelijke eenheden. Belanghebbende maakt daarbij een vergelijking met zijn buren, die een huishouden van zes personen hebben, maar niettemin evenveel betalen als belanghebbende.
4.10.
Het Hof is van oordeel dat dit betoog faalt. Het Hof motiveert dat oordeel als volgt.
4.11.
Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt op grond van artikel 122d, lid 1, Waterschapswet onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren. Op grond van artikel 122f, lid 1, Waterschapswet geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, uitgedrukt in vervuilingseenheden. Het aantal vervuilingseenheden wordt volgens artikel 122h, lid 1, Waterschapswet voor woonruimten als hoofdregel gesteld op drie, met dien verstande dat voor een door één persoon gebruikte woonruimte wordt uitgegaan van één vervuilingseenheid (hierna: het woonruimteforfait).
4.12.
De tekst van artikel 18, lid 1, van de Verordening laat geen andere lezing toe dan dat zuiveringsheffing wordt geheven op basis van drie vervuilingseenheden, tenzij sprake is van een door één persoon gebruikte woonruimte. Uit de toelichting op artikel 18, lid 1, van de Verordening blijkt dat de waterschapswetgever hiermee bewust navolging heeft gegeven aan artikel 122h, lid 1, Waterschapswet.
4.13.
Voor zover belanghebbende betoogt dat artikel 18, lid 1, van de Verordening vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel of een andere (ongeschreven) regel buiten toepassing moet worden gelaten, overweegt het Hof als volgt. Het onderscheid dat in artikel 18, lid 1, van de Verordening wordt gemaakt tussen woonruimten die door één persoon worden gebruikt enerzijds en andere woonruimten anderzijds stemt overeen met het onderscheid dat op dit punt wordt gemaakt in artikel 122h, lid 1, Waterschapswet. Gelet op het bepaalde in artikel 120 van de Grondwet kan dit onderscheid daarom niet worden getoetst aan het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 1 van de Grondwet of aan ongeschreven rechtsbeginselen. Wel kan het onderhavige onderscheid worden getoetst aan (de discriminatieverboden die zijn opgenomen in) internationale verdragen. Daarbij is het uitgangspunt dat aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Het oordeel van de wetgever dient op dit punt te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond is ontbloot.
4.14.
Artikel 122h Waterschapswet is ontleend aan de voormalige regeling van hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo). Uit de geschiedenis van de Wvo volgt dat het woonruimteforfait tot strekking heeft de heffing te vereenvoudigen voor een groot aantal gevallen van in omvang gelijke vervuiling te weten die door een gezin of daarmee gelijk te stellen andere leefeenheid in een afzonderlijke woning. Verder volgt uit de parlementaire geschiedenis van artikel 122h Waterschapswet dat aan waterschappen bewust niet de mogelijkheid is gelaten voor meerpersoonshuishoudens uit te gaan van minder dan drie vervuilingseenheden. Deze keuze is gemaakt mede met het oog op uniformiteit en transparantie. Daarbij heeft de wetgever ook gelet op de destijds geldende gemiddelde woningbezetting van 2,95.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op zijn reiskosten voor het beroep en het hoger beroep, begroot op € 63.
Dictum
Het Hof:
– vernietigt de uitspraken van de Rechtbank en de heffingsambtenaar,
– vermindert de aanslag tot € 59,39,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 63 en
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 136 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. M.T.M. Hennevelt als griffier.
Dictum
De griffier, De raadsheer,
(M.T.M. Hennevelt) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 30 mei 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:917.
Kamerstukken II 2005/06, 30 601, nr. 3, blz. 58.
Kamerstukken II 1998/99, 26 367, nr. 3, blz. 22.
Kamerstukken II 2005/06, 30 601, nr. 3, blz. 27 en Kamerstukken II 2006/07, 30 601, nr. 6, blz. 15-16.
Vgl. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
Kamerstukken II 2005/06, 30 601, nr. 3, blz. 27-28.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/1162
uitspraakdatum: 28 mei 2024
Uitspraak van de tiende enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 13 januari 2023, nummer AWB 22/3783, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Rivierenland (hierna: de heffingsambtenaar)
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2022 een aanslag zuiveringsheffing opgelegd naar een bedrag van € 168,27.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 april 2024. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende. Namens de heffingsambtenaar is niemand verschenen.
1.6.
Bij een bericht van 4 april 2024 van de griffier van het Hof is de heffingsambtenaar uitgenodigd voor de zitting van 30 april 2024 om 10.00 uur te Arnhem. De uitnodiging is op 4 april 2024 aan het digitale dossier toegevoegd en tevens is op die dag om 12.44 uur hiervan een notificatie aan de heffingsambtenaar gezonden. Omdat de uitnodiging voor de zitting tijdig en op de juiste wijze aan de heffingsambtenaar is verzonden, heeft het Hof het onderzoek ter zitting doorgang laten vinden.
Feiten
Belanghebbende is gebruiker van de woonruimte aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). Vanaf 9 januari 2022 is de dochter van belanghebbende medegebruiker van de woonruimte.
Overwegingen
4.1.
Het betoog van belanghebbende komt kort gezegd erop neer dat berekening van de zuiveringsheffing op basis van drie vervuilingseenheden in zijn geval in strijd komt met het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel. Voordat het Hof aan behandeling van dit betoog kan toekomen, moet eerst de vraag worden beantwoord of de zuiveringsheffing bij belanghebbende inderdaad op basis van drie vervuilingseenheden moet worden berekend. Deze vraag heeft het Hof ter zitting besproken met belanghebbende, maar niet met de heffingsambtenaar, omdat hij, zoals ook in de beroepsfase, niet ter zitting is verschenen. Dit staat aan behandeling van deze vraag echter niet in de weg, omdat het hier gaat om een beoordeling van de juridische gevolgen die aan het tussen partijen vaststaande feitencomplex moeten worden verbonden.
Toepassing van de Verordening zuiveringsheffing Waterschap Rivierenland 2022 (hierna: de Verordening)
4.2.
Op grond van artikel 4, lid 1, van de Verordening is de zuiveringsheffing ter zake van woonruimten, voor zover hier van belang, verschuldigd bij het begin van het heffingsjaar. Op grond van artikel 5 van de Verordening is het heffingsjaar gelijk aan het kalenderjaar.
4.3.
Artikel 18, lid 1, van de Verordening regelt voor woonruimten dat de vervuilingswaarde wordt gesteld op drie vervuilingseenheden, tenzij sprake is van een door één persoon gebruikte woonruimte, in welk geval van één vervuilingseenheid wordt uitgegaan.
4.4.
Indien de in 4.3 bedoelde situatie dat een woonruimte wordt gebruikt door één persoon ontstaat in de loop van het heffingsjaar, wordt de vervuilingswaarde op grond van artikel 18, lid 3, van de Verordening op één vervuilingseenheid vastgesteld met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin die situatie is ontstaan.
4.5.
Ter toelichting op artikel 4, lid 1, van de Verordening is opgemerkt dat de zuiveringsheffing weliswaar een tijdvakheffing is, maar dat niettemin is gekozen voor een regeling op grond waarvan de belastingschuld wordt geacht bij het begin van het heffingsjaar te ontstaan. Dit heeft volgens de toelichting als voordeel dat al in het heffingsjaar zelf aanslagen kunnen worden opgelegd. Volgens de toelichting vereist de geldende jurisprudentie dan wel dat een voorziening wordt getroffen voor vermindering van de heffing indien de heffingsmaatstaf in de loop van het heffingsjaar wijzigt. Die voorziening is getroffen met het in 4.4 genoemde artikel 18, lid 3, van de Verordening.
4.6.
Niet in geschil is dat belanghebbende aan het begin van het heffingsjaar de enige gebruiker van de woning was. Gelet op wat in 4.2 en 4.3 is overwogen, ontstond op dat moment een heffingsschuld die correspondeert met één vervuilingseenheid. Het feit dat in de loop van het heffingsjaar het aantal gebruikers van de woning is toegenomen, maakt naar het oordeel van het Hof niet dat de heffingsschuld die op 1 januari 2022 is ontstaan, navenant hoger wordt. Gelet op wat in 4.4 en 4.5 is overwogen, heeft de waterschapswetgever namelijk bewust slechts een regeling getroffen voor vermindering van de heffing indien het aantal gebruikers van een woonruimte afneemt. Een regeling voor verhoging van de heffing indien het aantal gebruikers toeneemt, is bewust in de Verordening niet opgenomen.
4.7.
Gelet op het voorgaande, heeft de heffingsambtenaar ten onrechte de onderhavige aanslag berekend naar drie vervuilingseenheden met ingang van 10 januari 2022, nu een wettelijke grondslag daarvoor ontbreekt. De door belanghebbende verschuldigde zuiveringsheffing bedraagt € 59,39 (één vervuilingseenheid). Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond.
Toetsing van de Verordening aan het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel
4.8.
Aangezien belanghebbende ter zitting heeft verklaard dat zijn situatie in 2023 en 2024 niet is gewijzigd en dat hij ook voor die jaren is opgekomen tegen de aanslagen zuiveringsheffing, acht het Hof het wenselijk belanghebbende reeds in deze uitspraak duidelijkheid te bieden over zijn klachten met betrekking tot het forfait voor meerpersoonshuishoudens. Het Hof zal die klachten daarom hierna behandelen, ook al bestaat daarbij (gelet op wat in 4.7 is overwogen) voor het onderhavige jaar geen belang meer.
4.9.
Belanghebbende betoogt dat hij ten onrechte wordt benadeeld, omdat de zuiveringsheffing standaard wordt geheven op basis van drie vervuilingseenheden en niet op basis van de daadwerkelijke eenheden. Belanghebbende maakt daarbij een vergelijking met zijn buren, die een huishouden van zes personen hebben, maar niettemin evenveel betalen als belanghebbende.
4.10.
Het Hof is van oordeel dat dit betoog faalt. Het Hof motiveert dat oordeel als volgt.
4.11.
Ter bestrijding van kosten die zijn verbonden aan de behartiging van de taak inzake het zuiveren van afvalwater, wordt op grond van artikel 122d, lid 1, Waterschapswet onder de naam zuiveringsheffing een heffing ingesteld ter zake van afvoeren. Op grond van artikel 122f, lid 1, Waterschapswet geldt als heffingsmaatstaf de vervuilingswaarde van de stoffen die in een kalenderjaar worden afgevoerd, uitgedrukt in vervuilingseenheden. Het aantal vervuilingseenheden wordt volgens artikel 122h, lid 1, Waterschapswet voor woonruimten als hoofdregel gesteld op drie, met dien verstande dat voor een door één persoon gebruikte woonruimte wordt uitgegaan van één vervuilingseenheid (hierna: het woonruimteforfait).
4.12.
De tekst van artikel 18, lid 1, van de Verordening laat geen andere lezing toe dan dat zuiveringsheffing wordt geheven op basis van drie vervuilingseenheden, tenzij sprake is van een door één persoon gebruikte woonruimte. Uit de toelichting op artikel 18, lid 1, van de Verordening blijkt dat de waterschapswetgever hiermee bewust navolging heeft gegeven aan artikel 122h, lid 1, Waterschapswet.
4.13.
Voor zover belanghebbende betoogt dat artikel 18, lid 1, van de Verordening vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel of een andere (ongeschreven) regel buiten toepassing moet worden gelaten, overweegt het Hof als volgt. Het onderscheid dat in artikel 18, lid 1, van de Verordening wordt gemaakt tussen woonruimten die door één persoon worden gebruikt enerzijds en andere woonruimten anderzijds stemt overeen met het onderscheid dat op dit punt wordt gemaakt in artikel 122h, lid 1, Waterschapswet. Gelet op het bepaalde in artikel 120 van de Grondwet kan dit onderscheid daarom niet worden getoetst aan het discriminatieverbod dat is neergelegd in artikel 1 van de Grondwet of aan ongeschreven rechtsbeginselen. Wel kan het onderhavige onderscheid worden getoetst aan (de discriminatieverboden die zijn opgenomen in) internationale verdragen. Daarbij is het uitgangspunt dat aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Het oordeel van de wetgever dient op dit punt te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond is ontbloot.
4.14.
Artikel 122h Waterschapswet is ontleend aan de voormalige regeling van hoofdstuk IV van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (hierna: Wvo). Uit de geschiedenis van de Wvo volgt dat het woonruimteforfait tot strekking heeft de heffing te vereenvoudigen voor een groot aantal gevallen van in omvang gelijke vervuiling te weten die door een gezin of daarmee gelijk te stellen andere leefeenheid in een afzonderlijke woning. Verder volgt uit de parlementaire geschiedenis van artikel 122h Waterschapswet dat aan waterschappen bewust niet de mogelijkheid is gelaten voor meerpersoonshuishoudens uit te gaan van minder dan drie vervuilingseenheden. Deze keuze is gemaakt mede met het oog op uniformiteit en transparantie. Daarbij heeft de wetgever ook gelet op de destijds geldende gemiddelde woningbezetting van 2,95.
Conclusie
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.
5Griffierecht en proceskosten
Nu het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, dient de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
De proceskosten van belanghebbende zijn in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht te berekenen op zijn reiskosten voor het beroep en het hoger beroep, begroot op € 63.
Dictum
Het Hof:
– vernietigt de uitspraken van de Rechtbank en de heffingsambtenaar,
– vermindert de aanslag tot € 59,39,
– veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 63 en
– gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 50 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 136 in verband met het hoger beroep bij het Hof.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. M.T.M. Hennevelt als griffier.
Dictum
De griffier, De raadsheer,
(M.T.M. Hennevelt) (R. den Ouden)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 30 mei 2024.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Vgl. HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:917.
Kamerstukken II 2005/06, 30 601, nr. 3, blz. 58.
Kamerstukken II 1998/99, 26 367, nr. 3, blz. 22.
Kamerstukken II 2005/06, 30 601, nr. 3, blz. 27 en Kamerstukken II 2006/07, 30 601, nr. 6, blz. 15-16.
Vgl. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963.
Kamerstukken II 2005/06, 30 601, nr. 3, blz. 27-28.