Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-05-08
ECLI:NL:GHARL:2024:3635
Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
3,100 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000174-24
Uitspraak d.d.: 8 mei 2024
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 12 januari 2024 met het parketnummer 18-025076-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 mei 2024.
Het vonnis waarvan beroep
De kinderrechter heeft verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is, ter zake van het tenlastegelegde feit veroordeel tot een voorwaardelijke jeugddetentie van één week met een proeftijd van twee jaren.
Beoordeling
Op de terechtzitting van de politierechter op 6 juli 2023 is vastgesteld dat verdachte niet op [geboortedag 2] 2003 geboren is, maar op [geboortedag 1] 2006 en dat hij dus ten tijde van het tenlastegelegde feit minderjarig was. Verder heeft verdachte op die terechtzitting aangegeven bijgestaan te willen worden door advocaat mr. N.B. Swart. De politierechter heeft vervolgens het onderzoek aangehouden en verwezen naar de kinderrechter en verzocht om mr. Swart toe te voegen als raadsvrouw van verdachte.
Verdachte is daarna gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van de kinderrechter van 12 januari 2024. Verdachte is toen niet verschenen en mr. Swart heeft op die terechtzitting opgemerkt dat zij niet uitdrukkelijk gemachtigd is om verdachte op de terechtzitting te verdedigen. De kinderrechter heeft vervolgens verstek verleend, omdat verdachte op de hoogte was van de zitting en de zaak al eerder was aangehouden.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof verzocht om de uitspraak van de kinderrechter te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, omdat – kortgezegd – de kinderrechter ten onrechte verstek heeft verleend, terwijl verdachte gelet op zijn minderjarigheid verplicht is te verschijnen en hij nadrukkelijk heeft aangegeven aanwezig te willen zijn.
Het hof heeft onmiddellijk na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van mr. Swart.
Het hof heeft daarbij het volgende overwogen:
Aangezien verdachte ten tijde van het in de tenlastelegging omschreven feit nog geen achttien jaar was, is de Tweede Afdeling van de Tweede Titel van Boek IV van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in deze zaak van toepassing.
Artikel 495a Sv houdt het volgende in:
1. De verdachte is verplicht in persoon te verschijnen. Bij de dagvaarding wordt hem kennis gegeven dat, indien hij niet aan deze verplichting voldoet, het gerecht zijn medebrenging kan gelasten.
2. Indien de van misdrijf verdachte in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, stelt het gerecht, tenzij aanstonds van nietigheid van de dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of onbevoegdheid van het gerecht blijkt, het onderzoek tot een bepaalde dag uit en beveelt het tevens de medebrenging van de verdachte. Het gerecht kan echter indien van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is of op grond van bijzondere omstandigheden het geven van een bevel tot medebrenging achterwege laten.
3. Tegen de verdachte die in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, wordt tenzij het gerecht de medebrenging tegen een nader tijdstip gelast, verstek verleend. Het onderzoek wordt daarna voortgezet.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien ten tijde van de terechtzitting de verdachte inmiddels de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.
Uitgangspunt van de wettelijke regeling van het jeugdstrafproces is dat de berechting door elke feitelijke instantie in aanwezigheid van de jeugdige verdachte plaatsvindt. Van een berechting bij verstek in een feitelijke instantie van een jeugdige verdachte kan derhalve pas sprake zijn als het onderzoek ten minste eenmaal is uitgesteld teneinde diens verschijning ter terechtzitting mogelijk te maken.
Vastgesteld wordt dat verdachte op de terechtzitting van het hof inmiddels meerderjarig is. Gelet op de wettelijke bepalingen is er dus ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep geen verplichting (meer) voor verdachte om ter zitting te verschijnen. Het bepaalde in artikel 495a, eerste en tweede lid, Sv was echter wel van kracht ten tijde van de procedure in eerste aanleg, omdat verdachte toen nog minderjarig was.
Uit het dossier volgt weliswaar dat het onderzoek in eerste aanleg eenmaal is aangehouden, maar dat dit gelegen was in het feit dat op de terechtzitting van de politierechter was gebleken dat verdachte minderjarig was en niet werd bijgestaan door een advocaat, en niet om de verschijning van verdachte mogelijk te maken.
Het voorgaande brengt naar oordeel van het hof mee dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en de zaak moet worden teruggewezen naar de kinderrechter ten einde op de uitgebrachte inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
wijst de zaak terug naar de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Aldus gewezen door
mr. O. Anjewierden, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. P.S. Bakker, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,
en op 8 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000174-24
Uitspraak d.d.: 8 mei 2024
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Groningen, van 12 januari 2024 met het parketnummer 18-025076-23 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2006,
thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 mei 2024.
Het vonnis waarvan beroep
De kinderrechter heeft verdachte bij voornoemd vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is, ter zake van het tenlastegelegde feit veroordeel tot een voorwaardelijke jeugddetentie van één week met een proeftijd van twee jaren.
Beoordeling
Op de terechtzitting van de politierechter op 6 juli 2023 is vastgesteld dat verdachte niet op [geboortedag 2] 2003 geboren is, maar op [geboortedag 1] 2006 en dat hij dus ten tijde van het tenlastegelegde feit minderjarig was. Verder heeft verdachte op die terechtzitting aangegeven bijgestaan te willen worden door advocaat mr. N.B. Swart. De politierechter heeft vervolgens het onderzoek aangehouden en verwezen naar de kinderrechter en verzocht om mr. Swart toe te voegen als raadsvrouw van verdachte.
Verdachte is daarna gedagvaard om te verschijnen op de terechtzitting van de kinderrechter van 12 januari 2024. Verdachte is toen niet verschenen en mr. Swart heeft op die terechtzitting opgemerkt dat zij niet uitdrukkelijk gemachtigd is om verdachte op de terechtzitting te verdedigen. De kinderrechter heeft vervolgens verstek verleend, omdat verdachte op de hoogte was van de zitting en de zaak al eerder was aangehouden.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting van het hof verzocht om de uitspraak van de kinderrechter te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar de rechtbank, omdat – kortgezegd – de kinderrechter ten onrechte verstek heeft verleend, terwijl verdachte gelet op zijn minderjarigheid verplicht is te verschijnen en hij nadrukkelijk heeft aangegeven aanwezig te willen zijn.
Het hof heeft onmiddellijk na het sluiten van het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van mr. Swart.
Het hof heeft daarbij het volgende overwogen:
Aangezien verdachte ten tijde van het in de tenlastelegging omschreven feit nog geen achttien jaar was, is de Tweede Afdeling van de Tweede Titel van Boek IV van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) in deze zaak van toepassing.
Artikel 495a Sv houdt het volgende in:
1. De verdachte is verplicht in persoon te verschijnen. Bij de dagvaarding wordt hem kennis gegeven dat, indien hij niet aan deze verplichting voldoet, het gerecht zijn medebrenging kan gelasten.
2. Indien de van misdrijf verdachte in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, stelt het gerecht, tenzij aanstonds van nietigheid van de dagvaarding, niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of onbevoegdheid van het gerecht blijkt, het onderzoek tot een bepaalde dag uit en beveelt het tevens de medebrenging van de verdachte. Het gerecht kan echter indien van de verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend is of op grond van bijzondere omstandigheden het geven van een bevel tot medebrenging achterwege laten.
3. Tegen de verdachte die in gebreke blijft op de terechtzitting te verschijnen, wordt tenzij het gerecht de medebrenging tegen een nader tijdstip gelast, verstek verleend. Het onderzoek wordt daarna voortgezet.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien ten tijde van de terechtzitting de verdachte inmiddels de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.
Uitgangspunt van de wettelijke regeling van het jeugdstrafproces is dat de berechting door elke feitelijke instantie in aanwezigheid van de jeugdige verdachte plaatsvindt. Van een berechting bij verstek in een feitelijke instantie van een jeugdige verdachte kan derhalve pas sprake zijn als het onderzoek ten minste eenmaal is uitgesteld teneinde diens verschijning ter terechtzitting mogelijk te maken.
Vastgesteld wordt dat verdachte op de terechtzitting van het hof inmiddels meerderjarig is. Gelet op de wettelijke bepalingen is er dus ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep geen verplichting (meer) voor verdachte om ter zitting te verschijnen. Het bepaalde in artikel 495a, eerste en tweede lid, Sv was echter wel van kracht ten tijde van de procedure in eerste aanleg, omdat verdachte toen nog minderjarig was.
Uit het dossier volgt weliswaar dat het onderzoek in eerste aanleg eenmaal is aangehouden, maar dat dit gelegen was in het feit dat op de terechtzitting van de politierechter was gebleken dat verdachte minderjarig was en niet werd bijgestaan door een advocaat, en niet om de verschijning van verdachte mogelijk te maken.
Het voorgaande brengt naar oordeel van het hof mee dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kan blijven en de zaak moet worden teruggewezen naar de kinderrechter ten einde op de uitgebrachte inleidende dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan.
Dictum
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
wijst de zaak terug naar de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland, teneinde met inachtneming van dit arrest recht te doen.
Aldus gewezen door
mr. O. Anjewierden, voorzitter,
mr. H.J. Deuring en mr. P.S. Bakker, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,
en op 8 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.