Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-05-21
ECLI:NL:GHARL:2024:3602
Strafrecht
Hoger beroep
6,294 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005053-21
Uitspraak d.d.: 21 mei 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 17 november 2021 met parketnummer 16-157600-21 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van de feiten 1, 3 en 4 en veroordeling tot een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G.I. Roos, naar voren is gebracht.
Niet-ontvankelijkheid verdachte t.a.v. feit 2
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken. Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 heeft de politierechter verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis waarvan 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep – voor zover vatbaar voor hoger beroep – vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is voor zover in het hoger beroep van belang tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 11 december 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de betaling van een geldbedrag (ter hoogte van 1.350,00 euro)
- de (telefonische) gegevens van zijn, verdachtes, riolerings- en/of
ontstoppingsbedrijf, althans het bedrijf waarvoor hij, verdachte, werkzaam was,
online (op onder andere [website] ) zo weer te geven dat voornoemde [slachtoffer]
in de veronderstelling was met het bedrijf " [bedrijf] " te bellen, terwijl dat niet
zo was en/of
- in een telefonisch gesprek desgevraagd aan voornoemde [slachtoffer] te bevestigen
dat hij met het bedrijf " [bedrijf] " belde, terwijl dat niet zo was en/of
- naar de woning van voornoemde [slachtoffer] is gereden, teneinde een verstopping
te verhelpen en/of
- zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een bonafide ondernemer
en/of een ondernemer die de intentie had de werkzaamheden te verrichten en/of af
te ronden en/of
- voornoemde [slachtoffer] een voorlopige factuur heeft laten ondertekenen (voor
een bedrag van 400,00 euro) en/of
- ( vervolgens) in strijd met de waarheid heeft voorgedaan alsof het om een
gecompliceerde verstopping ging, die niet kon worden doorgespoten en/of
- ( vervolgens) een eindrekening van 1350,00 euro heeft opgesteld en/of
- terwijl de verrichte werkzaamheden de verstopping niet (blijvend) hebben
verholpen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.op 11 december 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik weet waar je woont" en "ik kom je opzoeken" en "ik sloop je’’.
4.op 11 december 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) te duwen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feiten 1 en 3
t.a.v. feit 1, poging tot oplichting
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.
Het hof is van oordeel dat op grond het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat de verdachte een of meer leugenachtige mededelingen aan de aangever heeft gedaan, die van voldoende gewicht is of zijn om tot misleiding van het beoogde slachtoffer te leiden. Uit hetgeen aangever en diens vrouw hebben verklaard is op te maken dat zij in de veronderstelling waren dat aangever een erkend rioolreinigingsbedrijf had gebeld. In werkelijkheid was echter een onderneming gebeld waar verdachte voor werkzaam was.
Beoordeling
T.a.v. feit 4 mishandeling
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat uit het dossier volgt dat aangever [slachtoffer] door een duw van verdachte is gevallen en dat daardoor bij aangever letsel is ontstaan. Deze mishandeling kan wettig en overtuigend bewezen worden op grond van de aangifte van [slachtoffer] , de verklaring van getuige [getuige] en de afbeelding in het dossier.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
4.op 11 december 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) te duwen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling. Met zijn agressieve optreden heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer die daardoor pijn en letsel heeft ondervonden. Daarnaast heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Dit rekent het hof verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 april 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Alles afwegende acht het hof een geldboete van € 750,00 passend. Gelet op de financiële situatie van verdachte – zoals ter terechtzitting aangevoerd – mag de geldboete worden voldaan in drie maandelijkse termijnen van € 250,00.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24a, 24c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover vatbaar voor hoger beroep en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 3 (drie) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro).
Aldus gewezen door
mr. A. Meester, voorzitter,
mr. A.J. Rietveld en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.M. Hendriks Vettehen, griffier,
en op 21 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005053-21
Uitspraak d.d.: 21 mei 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 17 november 2021 met parketnummer 16-157600-21 in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 7 mei 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van de feiten 1, 3 en 4 en veroordeling tot een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. G.I. Roos, naar voren is gebracht.
Niet-ontvankelijkheid verdachte t.a.v. feit 2
De verdachte is door politierechter in de rechtbank Midden-Nederland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Het vonnis waarvan beroep
De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken. Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4 heeft de politierechter verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 140 uren, subsidiair 70 dagen vervangende hechtenis waarvan 40 uur, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep – voor zover vatbaar voor hoger beroep – vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is voor zover in het hoger beroep van belang tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 11 december 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] ,
althans in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] te bewegen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de betaling van een geldbedrag (ter hoogte van 1.350,00 euro)
- de (telefonische) gegevens van zijn, verdachtes, riolerings- en/of
ontstoppingsbedrijf, althans het bedrijf waarvoor hij, verdachte, werkzaam was,
online (op onder andere [website] ) zo weer te geven dat voornoemde [slachtoffer]
in de veronderstelling was met het bedrijf " [bedrijf] " te bellen, terwijl dat niet
zo was en/of
- in een telefonisch gesprek desgevraagd aan voornoemde [slachtoffer] te bevestigen
dat hij met het bedrijf " [bedrijf] " belde, terwijl dat niet zo was en/of
- naar de woning van voornoemde [slachtoffer] is gereden, teneinde een verstopping
te verhelpen en/of
- zich in strijd met de waarheid heeft voorgedaan als een bonafide ondernemer
en/of een ondernemer die de intentie had de werkzaamheden te verrichten en/of af
te ronden en/of
- voornoemde [slachtoffer] een voorlopige factuur heeft laten ondertekenen (voor
een bedrag van 400,00 euro) en/of
- ( vervolgens) in strijd met de waarheid heeft voorgedaan alsof het om een
gecompliceerde verstopping ging, die niet kon worden doorgespoten en/of
- ( vervolgens) een eindrekening van 1350,00 euro heeft opgesteld en/of
- terwijl de verrichte werkzaamheden de verstopping niet (blijvend) hebben
verholpen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.op 11 december 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen "ik weet waar je woont" en "ik kom je opzoeken" en "ik sloop je’’.
4.op 11 december 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) te duwen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak feiten 1 en 3
t.a.v. feit 1, poging tot oplichting
Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebruikt, is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.
Het hof is van oordeel dat op grond het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet is komen vast te staan dat de verdachte een of meer leugenachtige mededelingen aan de aangever heeft gedaan, die van voldoende gewicht is of zijn om tot misleiding van het beoogde slachtoffer te leiden. Uit hetgeen aangever en diens vrouw hebben verklaard is op te maken dat zij in de veronderstelling waren dat aangever een erkend rioolreinigingsbedrijf had gebeld. In werkelijkheid was echter een onderneming gebeld waar verdachte voor werkzaam was.
Beoordeling
T.a.v. feit 4 mishandeling
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat uit het dossier volgt dat aangever [slachtoffer] door een duw van verdachte is gevallen en dat daardoor bij aangever letsel is ontstaan. Deze mishandeling kan wettig en overtuigend bewezen worden op grond van de aangifte van [slachtoffer] , de verklaring van getuige [getuige] en de afbeelding in het dossier.
Bewezenverklaring
Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
4.op 11 december 2020 te [plaats] , gemeente [gemeente] , [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] (met kracht) te duwen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
mishandeling.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
Oplegging van straf
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling. Met zijn agressieve optreden heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer die daardoor pijn en letsel heeft ondervonden. Daarnaast heeft verdachte geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Dit rekent het hof verdachte aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 april 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Alles afwegende acht het hof een geldboete van € 750,00 passend. Gelet op de financiële situatie van verdachte – zoals ter terechtzitting aangevoerd – mag de geldboete worden voldaan in drie maandelijkse termijnen van € 250,00.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24a, 24c, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
Dictum
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover vatbaar voor hoger beroep en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete mag worden voldaan in 3 (drie) termijnen van 1 maand, elke termijn groot € 250,00 (tweehonderdvijftig euro).
Aldus gewezen door
mr. A. Meester, voorzitter,
mr. A.J. Rietveld en mr. H.K. Elzinga, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.M. Hendriks Vettehen, griffier,
en op 21 mei 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.