Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-05-14
ECLI:NL:GHARL:2024:3430
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
11,100 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.333.183/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 132540)
beschikking van 14 mei 2024
in de zaak van
[verzoeker]
(de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Blokzijl te [woonplaats1] ,
en
[verweerster]
(de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.C.W. Duiveman te Dalfsen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
regio Noord-Nederland, locatie Groningen.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 oktober 2020, 3 november 2021, 30 juni 2022 en 13 juli 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De laatstgenoemde beschikking wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 2 oktober 2023;
- een journaalbericht namens de vader van 20 oktober 2023 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 23 november 2023 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n).
2.2
Op 11 april 2024 is de hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige1] verschenen, die buiten aanwezigheid van de ouders door het hof is gehoord.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 11 april 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat,- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en - een vertegenwoordiger namens de raad.
Feiten
3.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad welke in 2017 is geëindigd. Partijen zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2006, hierna te noemen [de minderjarige1] ;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2010, hierna te noemen [de minderjarige2] , en
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2020.
De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de kinderen.
3.2
De vader heeft de kinderen erkend.
3.3
De kinderen verblijven bij de moeder.
3.4
Bij tussenbeschikking voorlopige voorziening van 21 oktober 2020
heeft de rechtbank het verzoek van de vader om een provisionele voorziening, inhoudende een wekelijkse omgangsregeling, afgewezen. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht in de bodemprocedure, ten aanzien van het gezag en de omgangsregeling een onderzoek te verrichten naar de vraag of een wijziging van het gezag in het belang van de minderjarigen wordt geacht en of het belang van de minderjarigen zich tegen een zorgregeling verzet en zo dit niet het geval is, met welke regeling de minderjarigen het beste af zijn. Indien door de raad begeleiding noodzakelijk wordt geacht, wordt verzocht te adviseren wie aan die begeleiding uitvoering zal kunnen geven, voor welke periode, met welke frequentie en op welke locatie.
3.5
Bij (tussen)beschikking van 3 november 2021 heeft de rechtbank de raad opgedragen om de door de vader ingediende klacht tegen het raadsrapport af te handelen en om met inachtneming van de wijze van afhandeling van de klacht een definitief rapport op te stellen. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag en de omgangsregeling in afwachting van het definitieve raadsrapport aangehouden.
3.6
Bij (tussen)beschikking van 30 juni 2022 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om gezamenlijk met het gezag over de kinderen te worden belast afgewezen. Verder heeft de rechtbank de raad opgedragen een onderzoek te doen naar de mogelijkheden van begeleide omgang tussen de vader en de kinderen, en, indien de raad een mogelijkheid hiertoe ziet, te onderzoeken welke professional/professionele instantie de begeleiding op zich zou moeten en kunnen nemen. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing over de omgangsregeling aangehouden in afwachting van het rapport van de raad hieromtrent.
4De omvang van het geschil
4.1
Tussen partijen is in geschil het recht op omgang van de vader met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de vader het recht op omgang met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ontzegd en het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op het oordeel om geen onderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) te gelasten en op het ontzeggen van het recht op omgang van de vader met de kinderen. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de kinderen inhoudende dat de kinderen één keer per maand onder begeleiding van een door het hof aan te wijzen instantie voor de duur van minimaal één uur omgang hebben met de vader, althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als het hof juist acht. De vader verzoekt daarnaast een NIFP-onderzoek te gelasten naar de mogelijkheden van contactherstel tussen de vader en de kinderen.
4.3
De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen.
Motivering
5.1
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, ofb. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, ofd. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
5.3
Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09). Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder – of zelfs geen – goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91).
5.4
Nu [de minderjarige1] op korte termijn de meerderjarige leeftijd bereikt en hij in hoger beroep nogmaals zeer expliciet heeft aangegeven geen contact met de vader te willen, heeft de vader de verzoeken ten aanzien van [de minderjarige1] tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Het hof zal de vader ten aanzien van deze verzoeken daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5.5
Het hof ziet anders dan de rechtbank aanleiding om het verzoek van de vader tot het gelasten van een NIFP-onderzoek naar de mogelijkheden van contact tussen de vader en (alleen) [de minderjarige3] toe te wijzen en oordeelt hiertoe als volgt.
De ouders hebben een zeer belaste voorgeschiedenis waarbij sprake is geweest van huiselijk geweld en persoonlijke (psychische) problematiek van de ouders. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn hierdoor geconfronteerd met (een gevoel van) onveiligheid en dit heeft een negatieve invloed (gehad) op hun ontwikkeling. Gebleken is dat het geven van erkenning door de vader aan [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van groot belang is voor eventueel contactherstel. De vader erkent wat er is gebeurd, maar het lukt hem niet om te erkennen dat zijn gedrag een zodanige impact heeft kunnen hebben op [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij de vader niet meer willen zien. De hele situatie heeft ertoe geleid dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een sterk afwijzende houding hebben ten aanzien van het contact(herstel) met de vader. Het hof acht het net als de rechtbank voorstelbaar dat de belemmeringen die [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ervaren niet alleen voortkomen uit hun (beleving van) met de vader opgedane ervaringen, maar dat die belemmeringen (bewust of onbewust) ook gevormd zijn of in stand gehouden worden door de moeder. [de minderjarige3] is nog zeer jong en heeft geen rechtstreekse positieve of negatieve ervaringen met zijn vader, maar hij groeit wel op in een gezin waarin de angst voor de vader sterk aanwezig is. Als er geen verandering komt in de huidige situatie, vreest het hof dat [de minderjarige3] de vader (op basis van de belevingen en ervaringen van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de moeder) eveneens gaat afwijzen. Daarbij speelt mee dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] meermaals hebben aangegeven dat zij [de minderjarige3] willen beschermen tegen eventueel contact met de vader. Indien kinderen niet in de gelegenheid worden gesteld om een eigen beeld te kunnen vormen van hun beide ouders, kan dit op termijn leiden tot ontwikkelingsproblemen. Het hof vindt het daarom belangrijk dat [de minderjarige3] de kans krijgt om zelf een beeld te vormen van de vader en dat dit beeld niet, althans niet voornamelijk wordt ingekleurd door [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de moeder. Daarbij is het eerst van belang dat de moeder de aankomende tijd met betrekking tot [de minderjarige3] (voortvarend) zal inzetten op statusvoorlichting. Het hof gaat ervan uit dat de moeder, zoals zij ter zitting heeft aangegeven, op korte termijn samen met de betrokken hulpverlening zal bekijken hoe zij dit in het belang van [de minderjarige3] het beste kan aanpakken. Verder dient bekeken te worden of er mogelijkheden zijn tot (enige vorm van) contact tussen de vader en [de minderjarige3] . Op grond van de huidige beschikbare informatie acht het hof zich echter onvoldoende in staat om hier een verantwoorde beslissing over te nemen en vindt het om die reden noodzakelijk om een NIFP-onderzoek te gelasten.
5.6
Het hof is van oordeel dat het verzoek tot het gelasten van NIFP-onderzoek ten aanzien van [de minderjarige2] moet worden afgewezen. Dit heeft ermee te maken dat [de minderjarige2] nu dertien jaar is en net als [de minderjarige1] een sterk afwijzende houding heeft ten aanzien van het contact(herstel) met de vader. [de minderjarige2] heeft al veel meegemaakt en is kwetsbaar, gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis en heeft angst- en trauma gerelateerde klachten. Hij heeft op dit moment rust nodig en daarom wil het hof [de minderjarige2] niet belasten met een onderzoek van het NIFP. Een eindbeslissing in de zaak met betrekking tot [de minderjarige2] zal het hof nemen tegelijkertijd met de eindbeslissing in de zaak met betrekking tot [de minderjarige3] .
5.7
Het hof zal de zaak voor zover deze betrekking heeft op [de minderjarige3] aanhouden en het NIFP verzoeken te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige, verbonden aan die organisatie, en verzoeken om onderzoek te (doen) verrichten. Het hof is van plan om de volgende vragen aan de door het hof te benoemen deskundige voor te leggen.
1. Hoe kunnen de persoonlijkheid en het functioneren van zowel de vader als de moeder worden beschreven? 2. Zijn er redenen om op grond daarvan contact en omgang tussen [de minderjarige3] en de vader af te wijzen?3. Wat is er nodig om eventuele belemmeringen in de contacten tussen de vader en [de minderjarige3] weg te nemen en welke hulpverlening zou hiervoor passend kunnen zijn?
4.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken ten aanzien van [de minderjarige1] ;
alvorens verder te beslissen:
verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Noord Oost Nederland, Postbus 870, 8000 AW Zwolle, bezoekadres: Schuurmanstraat 2, 8011 KP Zwolle, telefoon 088-0710600, om te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de hiervoor in rechtsoverweging 5.7 vermelde vragen;
bepaalt dat het NIFP en partijen zich voor vragen of opmerkingen over de voortgang van het te starten onderzoek zullen kunnen wenden tot het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. I.A. Vermeulen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. M.M. Lorist en mr. H. Mollema - de Jong, bijgestaan door mr. L. Kiemel als griffier, en is op 14 mei 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.333.183/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 132540)
beschikking van 14 mei 2024
in de zaak van
[verzoeker]
(de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Blokzijl te [woonplaats1] ,
en
[verweerster]
(de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.C.W. Duiveman te Dalfsen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
regio Noord-Nederland, locatie Groningen.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 oktober 2020, 3 november 2021, 30 juni 2022 en 13 juli 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De laatstgenoemde beschikking wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 2 oktober 2023;
- een journaalbericht namens de vader van 20 oktober 2023 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 23 november 2023 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n).
2.2
Op 11 april 2024 is de hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige1] verschenen, die buiten aanwezigheid van de ouders door het hof is gehoord.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 11 april 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat,- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en - een vertegenwoordiger namens de raad.
Feiten
3.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad welke in 2017 is geëindigd. Partijen zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2006, hierna te noemen [de minderjarige1] ;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2010, hierna te noemen [de minderjarige2] , en
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2020.
De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de kinderen.
3.2
De vader heeft de kinderen erkend.
3.3
De kinderen verblijven bij de moeder.
3.4
Bij tussenbeschikking voorlopige voorziening van 21 oktober 2020
heeft de rechtbank het verzoek van de vader om een provisionele voorziening, inhoudende een wekelijkse omgangsregeling, afgewezen. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht in de bodemprocedure, ten aanzien van het gezag en de omgangsregeling een onderzoek te verrichten naar de vraag of een wijziging van het gezag in het belang van de minderjarigen wordt geacht en of het belang van de minderjarigen zich tegen een zorgregeling verzet en zo dit niet het geval is, met welke regeling de minderjarigen het beste af zijn. Indien door de raad begeleiding noodzakelijk wordt geacht, wordt verzocht te adviseren wie aan die begeleiding uitvoering zal kunnen geven, voor welke periode, met welke frequentie en op welke locatie.
3.5
Bij (tussen)beschikking van 3 november 2021 heeft de rechtbank de raad opgedragen om de door de vader ingediende klacht tegen het raadsrapport af te handelen en om met inachtneming van de wijze van afhandeling van de klacht een definitief rapport op te stellen. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag en de omgangsregeling in afwachting van het definitieve raadsrapport aangehouden.
3.6
Bij (tussen)beschikking van 30 juni 2022 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om gezamenlijk met het gezag over de kinderen te worden belast afgewezen. Verder heeft de rechtbank de raad opgedragen een onderzoek te doen naar de mogelijkheden van begeleide omgang tussen de vader en de kinderen, en, indien de raad een mogelijkheid hiertoe ziet, te onderzoeken welke professional/professionele instantie de begeleiding op zich zou moeten en kunnen nemen. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing over de omgangsregeling aangehouden in afwachting van het rapport van de raad hieromtrent.
4De omvang van het geschil
4.1
Tussen partijen is in geschil het recht op omgang van de vader met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de vader het recht op omgang met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ontzegd en het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op het oordeel om geen onderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) te gelasten en op het ontzeggen van het recht op omgang van de vader met de kinderen. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de kinderen inhoudende dat de kinderen één keer per maand onder begeleiding van een door het hof aan te wijzen instantie voor de duur van minimaal één uur omgang hebben met de vader, althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als het hof juist acht. De vader verzoekt daarnaast een NIFP-onderzoek te gelasten naar de mogelijkheden van contactherstel tussen de vader en de kinderen.
4.3
De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen.
Motivering
5.1
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, ofb. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, ofd. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
5.3
Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09). Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder – of zelfs geen – goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91).
5.4
Nu [de minderjarige1] op korte termijn de meerderjarige leeftijd bereikt en hij in hoger beroep nogmaals zeer expliciet heeft aangegeven geen contact met de vader te willen, heeft de vader de verzoeken ten aanzien van [de minderjarige1] tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Het hof zal de vader ten aanzien van deze verzoeken daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5.5
Het hof ziet anders dan de rechtbank aanleiding om het verzoek van de vader tot het gelasten van een NIFP-onderzoek naar de mogelijkheden van contact tussen de vader en (alleen) [de minderjarige3] toe te wijzen en oordeelt hiertoe als volgt.
De ouders hebben een zeer belaste voorgeschiedenis waarbij sprake is geweest van huiselijk geweld en persoonlijke (psychische) problematiek van de ouders. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn hierdoor geconfronteerd met (een gevoel van) onveiligheid en dit heeft een negatieve invloed (gehad) op hun ontwikkeling. Gebleken is dat het geven van erkenning door de vader aan [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van groot belang is voor eventueel contactherstel. De vader erkent wat er is gebeurd, maar het lukt hem niet om te erkennen dat zijn gedrag een zodanige impact heeft kunnen hebben op [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij de vader niet meer willen zien. De hele situatie heeft ertoe geleid dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een sterk afwijzende houding hebben ten aanzien van het contact(herstel) met de vader. Het hof acht het net als de rechtbank voorstelbaar dat de belemmeringen die [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ervaren niet alleen voortkomen uit hun (beleving van) met de vader opgedane ervaringen, maar dat die belemmeringen (bewust of onbewust) ook gevormd zijn of in stand gehouden worden door de moeder. [de minderjarige3] is nog zeer jong en heeft geen rechtstreekse positieve of negatieve ervaringen met zijn vader, maar hij groeit wel op in een gezin waarin de angst voor de vader sterk aanwezig is. Als er geen verandering komt in de huidige situatie, vreest het hof dat [de minderjarige3] de vader (op basis van de belevingen en ervaringen van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de moeder) eveneens gaat afwijzen. Daarbij speelt mee dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] meermaals hebben aangegeven dat zij [de minderjarige3] willen beschermen tegen eventueel contact met de vader. Indien kinderen niet in de gelegenheid worden gesteld om een eigen beeld te kunnen vormen van hun beide ouders, kan dit op termijn leiden tot ontwikkelingsproblemen. Het hof vindt het daarom belangrijk dat [de minderjarige3] de kans krijgt om zelf een beeld te vormen van de vader en dat dit beeld niet, althans niet voornamelijk wordt ingekleurd door [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de moeder. Daarbij is het eerst van belang dat de moeder de aankomende tijd met betrekking tot [de minderjarige3] (voortvarend) zal inzetten op statusvoorlichting. Het hof gaat ervan uit dat de moeder, zoals zij ter zitting heeft aangegeven, op korte termijn samen met de betrokken hulpverlening zal bekijken hoe zij dit in het belang van [de minderjarige3] het beste kan aanpakken. Verder dient bekeken te worden of er mogelijkheden zijn tot (enige vorm van) contact tussen de vader en [de minderjarige3] . Op grond van de huidige beschikbare informatie acht het hof zich echter onvoldoende in staat om hier een verantwoorde beslissing over te nemen en vindt het om die reden noodzakelijk om een NIFP-onderzoek te gelasten.
5.6
Het hof is van oordeel dat het verzoek tot het gelasten van NIFP-onderzoek ten aanzien van [de minderjarige2] moet worden afgewezen. Dit heeft ermee te maken dat [de minderjarige2] nu dertien jaar is en net als [de minderjarige1] een sterk afwijzende houding heeft ten aanzien van het contact(herstel) met de vader. [de minderjarige2] heeft al veel meegemaakt en is kwetsbaar, gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis en heeft angst- en trauma gerelateerde klachten. Hij heeft op dit moment rust nodig en daarom wil het hof [de minderjarige2] niet belasten met een onderzoek van het NIFP. Een eindbeslissing in de zaak met betrekking tot [de minderjarige2] zal het hof nemen tegelijkertijd met de eindbeslissing in de zaak met betrekking tot [de minderjarige3] .
5.7
Het hof zal de zaak voor zover deze betrekking heeft op [de minderjarige3] aanhouden en het NIFP verzoeken te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige, verbonden aan die organisatie, en verzoeken om onderzoek te (doen) verrichten. Het hof is van plan om de volgende vragen aan de door het hof te benoemen deskundige voor te leggen.
1. Hoe kunnen de persoonlijkheid en het functioneren van zowel de vader als de moeder worden beschreven? 2. Zijn er redenen om op grond daarvan contact en omgang tussen [de minderjarige3] en de vader af te wijzen?3. Wat is er nodig om eventuele belemmeringen in de contacten tussen de vader en [de minderjarige3] weg te nemen en welke hulpverlening zou hiervoor passend kunnen zijn?
4.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken ten aanzien van [de minderjarige1] ;
alvorens verder te beslissen:
verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Noord Oost Nederland, Postbus 870, 8000 AW Zwolle, bezoekadres: Schuurmanstraat 2, 8011 KP Zwolle, telefoon 088-0710600, om te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de hiervoor in rechtsoverweging 5.7 vermelde vragen;
bepaalt dat het NIFP en partijen zich voor vragen of opmerkingen over de voortgang van het te starten onderzoek zullen kunnen wenden tot het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. I.A. Vermeulen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. M.M. Lorist en mr. H. Mollema - de Jong, bijgestaan door mr. L. Kiemel als griffier, en is op 14 mei 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.333.183/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 132540)
beschikking van 14 mei 2024
in de zaak van
[verzoeker]
(de vader),
die woont in [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. E. Blokzijl te [woonplaats1] ,
en
[verweerster]
(de moeder),
die woont in [woonplaats1] ,
verweerster in hoger beroep,
advocaat: mr. A.C.W. Duiveman te Dalfsen.
In zijn toetsende en/of adviserende taak is gekend:
de raad voor de kinderbescherming,
regio Noord-Nederland, locatie Groningen.
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de (tussen)beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 21 oktober 2020, 3 november 2021, 30 juni 2022 en 13 juli 2023, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De laatstgenoemde beschikking wordt hierna de bestreden beschikking genoemd.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 2 oktober 2023;
- een journaalbericht namens de vader van 20 oktober 2023 met bijlage(n);
- een journaalbericht namens de vader van 23 november 2023 met bijlage(n);
- het verweerschrift met bijlage(n).
2.2
Op 11 april 2024 is de hierna nader te noemen minderjarige [de minderjarige1] verschenen, die buiten aanwezigheid van de ouders door het hof is gehoord.
2.3
De mondelinge behandeling heeft op 11 april 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn: - de vader, bijgestaan door zijn advocaat,- de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en - een vertegenwoordiger namens de raad.
Feiten
3.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad welke in 2017 is geëindigd. Partijen zijn de ouders van:
- [de minderjarige1] , geboren [in] 2006, hierna te noemen [de minderjarige1] ;
- [de minderjarige2] , geboren [in] 2010, hierna te noemen [de minderjarige2] , en
- [de minderjarige3] , geboren [in] 2020.
De moeder oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de kinderen.
3.2
De vader heeft de kinderen erkend.
3.3
De kinderen verblijven bij de moeder.
3.4
Bij tussenbeschikking voorlopige voorziening van 21 oktober 2020
heeft de rechtbank het verzoek van de vader om een provisionele voorziening, inhoudende een wekelijkse omgangsregeling, afgewezen. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht in de bodemprocedure, ten aanzien van het gezag en de omgangsregeling een onderzoek te verrichten naar de vraag of een wijziging van het gezag in het belang van de minderjarigen wordt geacht en of het belang van de minderjarigen zich tegen een zorgregeling verzet en zo dit niet het geval is, met welke regeling de minderjarigen het beste af zijn. Indien door de raad begeleiding noodzakelijk wordt geacht, wordt verzocht te adviseren wie aan die begeleiding uitvoering zal kunnen geven, voor welke periode, met welke frequentie en op welke locatie.
3.5
Bij (tussen)beschikking van 3 november 2021 heeft de rechtbank de raad opgedragen om de door de vader ingediende klacht tegen het raadsrapport af te handelen en om met inachtneming van de wijze van afhandeling van de klacht een definitief rapport op te stellen. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing ten aanzien van het ouderlijk gezag en de omgangsregeling in afwachting van het definitieve raadsrapport aangehouden.
3.6
Bij (tussen)beschikking van 30 juni 2022 heeft de rechtbank het verzoek van de vader om gezamenlijk met het gezag over de kinderen te worden belast afgewezen. Verder heeft de rechtbank de raad opgedragen een onderzoek te doen naar de mogelijkheden van begeleide omgang tussen de vader en de kinderen, en, indien de raad een mogelijkheid hiertoe ziet, te onderzoeken welke professional/professionele instantie de begeleiding op zich zou moeten en kunnen nemen. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing over de omgangsregeling aangehouden in afwachting van het rapport van de raad hieromtrent.
4De omvang van het geschil
4.1
Tussen partijen is in geschil het recht op omgang van de vader met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] . Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de vader het recht op omgang met [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en [de minderjarige3] ontzegd en het meer of anders verzochte afgewezen.
4.2
De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven zien op het oordeel om geen onderzoek door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (NIFP) te gelasten en op het ontzeggen van het recht op omgang van de vader met de kinderen. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende een omgangsregeling vast te stellen tussen de vader en de kinderen inhoudende dat de kinderen één keer per maand onder begeleiding van een door het hof aan te wijzen instantie voor de duur van minimaal één uur omgang hebben met de vader, althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen als het hof juist acht. De vader verzoekt daarnaast een NIFP-onderzoek te gelasten naar de mogelijkheden van contactherstel tussen de vader en de kinderen.
4.3
De moeder voert verweer en zij verzoekt het hof de verzoeken van de vader af te wijzen.
Motivering
5.1
De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.Ingevolge 1:377a lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van
het kind, ofb. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, ofc. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang
met zijn ouder heeft doen blijken, ofd. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.2
Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. Op de ouder die met het gezag is belast, rust ingevolge artikel 1:247 lid 3 BW de verplichting om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:748).
5.3
Indien de rechter de gronden welke de met het gezag belaste ouder aanvoert om geen medewerking te verlenen aan de totstandkoming of de uitvoering van een omgangsregeling ongenoegzaam acht, dient hij op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen daaraan alsnog medewerking te verlenen. Deze gehoudenheid berust op de uit artikel 8 EVRM voortvloeiende verplichting van de nationale autoriteiten, onder wie de rechter, zich zoveel mogelijk in te spannen om het recht op ‘family life’ tussen ouders en hun kinderen mogelijk te maken (vgl. EHRM 17 april 2012, zaak 805/09). Van de rechter kan temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder – of zelfs geen – goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd (HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91).
5.4
Nu [de minderjarige1] op korte termijn de meerderjarige leeftijd bereikt en hij in hoger beroep nogmaals zeer expliciet heeft aangegeven geen contact met de vader te willen, heeft de vader de verzoeken ten aanzien van [de minderjarige1] tijdens de mondelinge behandeling ingetrokken. Het hof zal de vader ten aanzien van deze verzoeken daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5.5
Het hof ziet anders dan de rechtbank aanleiding om het verzoek van de vader tot het gelasten van een NIFP-onderzoek naar de mogelijkheden van contact tussen de vader en (alleen) [de minderjarige3] toe te wijzen en oordeelt hiertoe als volgt.
De ouders hebben een zeer belaste voorgeschiedenis waarbij sprake is geweest van huiselijk geweld en persoonlijke (psychische) problematiek van de ouders. [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn hierdoor geconfronteerd met (een gevoel van) onveiligheid en dit heeft een negatieve invloed (gehad) op hun ontwikkeling. Gebleken is dat het geven van erkenning door de vader aan [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van groot belang is voor eventueel contactherstel. De vader erkent wat er is gebeurd, maar het lukt hem niet om te erkennen dat zijn gedrag een zodanige impact heeft kunnen hebben op [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dat zij de vader niet meer willen zien. De hele situatie heeft ertoe geleid dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] een sterk afwijzende houding hebben ten aanzien van het contact(herstel) met de vader. Het hof acht het net als de rechtbank voorstelbaar dat de belemmeringen die [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ervaren niet alleen voortkomen uit hun (beleving van) met de vader opgedane ervaringen, maar dat die belemmeringen (bewust of onbewust) ook gevormd zijn of in stand gehouden worden door de moeder. [de minderjarige3] is nog zeer jong en heeft geen rechtstreekse positieve of negatieve ervaringen met zijn vader, maar hij groeit wel op in een gezin waarin de angst voor de vader sterk aanwezig is. Als er geen verandering komt in de huidige situatie, vreest het hof dat [de minderjarige3] de vader (op basis van de belevingen en ervaringen van [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de moeder) eveneens gaat afwijzen. Daarbij speelt mee dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] meermaals hebben aangegeven dat zij [de minderjarige3] willen beschermen tegen eventueel contact met de vader. Indien kinderen niet in de gelegenheid worden gesteld om een eigen beeld te kunnen vormen van hun beide ouders, kan dit op termijn leiden tot ontwikkelingsproblemen. Het hof vindt het daarom belangrijk dat [de minderjarige3] de kans krijgt om zelf een beeld te vormen van de vader en dat dit beeld niet, althans niet voornamelijk wordt ingekleurd door [de minderjarige1] , [de minderjarige2] en de moeder. Daarbij is het eerst van belang dat de moeder de aankomende tijd met betrekking tot [de minderjarige3] (voortvarend) zal inzetten op statusvoorlichting. Het hof gaat ervan uit dat de moeder, zoals zij ter zitting heeft aangegeven, op korte termijn samen met de betrokken hulpverlening zal bekijken hoe zij dit in het belang van [de minderjarige3] het beste kan aanpakken. Verder dient bekeken te worden of er mogelijkheden zijn tot (enige vorm van) contact tussen de vader en [de minderjarige3] . Op grond van de huidige beschikbare informatie acht het hof zich echter onvoldoende in staat om hier een verantwoorde beslissing over te nemen en vindt het om die reden noodzakelijk om een NIFP-onderzoek te gelasten.
5.6
Het hof is van oordeel dat het verzoek tot het gelasten van NIFP-onderzoek ten aanzien van [de minderjarige2] moet worden afgewezen. Dit heeft ermee te maken dat [de minderjarige2] nu dertien jaar is en net als [de minderjarige1] een sterk afwijzende houding heeft ten aanzien van het contact(herstel) met de vader. [de minderjarige2] heeft al veel meegemaakt en is kwetsbaar, gediagnosticeerd met een autismespectrumstoornis en heeft angst- en trauma gerelateerde klachten. Hij heeft op dit moment rust nodig en daarom wil het hof [de minderjarige2] niet belasten met een onderzoek van het NIFP. Een eindbeslissing in de zaak met betrekking tot [de minderjarige2] zal het hof nemen tegelijkertijd met de eindbeslissing in de zaak met betrekking tot [de minderjarige3] .
5.7
Het hof zal de zaak voor zover deze betrekking heeft op [de minderjarige3] aanhouden en het NIFP verzoeken te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige, verbonden aan die organisatie, en verzoeken om onderzoek te (doen) verrichten. Het hof is van plan om de volgende vragen aan de door het hof te benoemen deskundige voor te leggen.
1. Hoe kunnen de persoonlijkheid en het functioneren van zowel de vader als de moeder worden beschreven? 2. Zijn er redenen om op grond daarvan contact en omgang tussen [de minderjarige3] en de vader af te wijzen?3. Wat is er nodig om eventuele belemmeringen in de contacten tussen de vader en [de minderjarige3] weg te nemen en welke hulpverlening zou hiervoor passend kunnen zijn?
4.
Dictum
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken ten aanzien van [de minderjarige1] ;
alvorens verder te beslissen:
verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, Noord Oost Nederland, Postbus 870, 8000 AW Zwolle, bezoekadres: Schuurmanstraat 2, 8011 KP Zwolle, telefoon 088-0710600, om te bemiddelen bij de benoeming van een deskundige voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de hiervoor in rechtsoverweging 5.7 vermelde vragen;
bepaalt dat het NIFP en partijen zich voor vragen of opmerkingen over de voortgang van het te starten onderzoek zullen kunnen wenden tot het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. I.A. Vermeulen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. M.M. Lorist en mr. H. Mollema - de Jong, bijgestaan door mr. L. Kiemel als griffier, en is op 14 mei 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.