Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-05-08
ECLI:NL:GHARL:2024:3280
Strafrecht; Strafprocesrecht
Beschikking
1,338 tokens
Volledig
Pkn: 21-001457-24 – 04
Het gerechtshof heeft te beslissen op de vordering van de advocaat-generaal bij dit hof van
8 april 2024 strekkende tot verlenging van de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte,
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
verblijvende in P.I. [verblijfplaats] .
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door
mr. S.C. Sassen, advocaat te Utrecht, in raadkamer van heden. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mevrouw [naam reclasserings medewerkster] namens Reclassering Nederland.
De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij voormelde vordering.
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft op 11 februari 2021 de gevangenhouding van verdachte bevolen. Bij beslissing van 25 februari 2021 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst met ingang van 26 februari 2021 onder het stellen van algemene en bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden zijn gewijzigd bij beslissingen van 29 april 2021, 14 juni 2021, 21 juli 2022 en 20 december 2022. De rechtbank heeft op 19 maart 2024 vonnis gewezen, waarbij de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgeheven. Het bevel tot gevangenhouding is, ingevolge het bepaalde in artikel 66, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van kracht tot en met 18 mei 2024.
Het Openbaar Ministerie en verdachte hebben op respectievelijk 29 maart 2024 en 2 april 2024 hoger beroep ingesteld.
Het hof is van oordeel dat de grondslag van het bevel tot voorlopige hechtenis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, ook thans nog bestaat. Tevens grondt het hof het bevel tot verlenging van de voorlopige hechtenis op het veroordelend vonnis van die rechtbank.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in artikelen 66, 67, 67a, 75 en 78 van het Wetboek van Strafvordering.
B E S L I S S I N G:
Het hof beveelt de verlenging van de voorlopige hechtenis van verdachte voor een termijn van HONDERDTWINTIG DAGEN en bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in het huis van bewaring te [plaats] , locatie [locatie] of in een andere wettige plaats van detentie in Nederland.
Aldus gegeven op 8 mei 2024 door mr. M.H.D.M. van Leent, voorzitter,
mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. M. Nooijen, raadsheren, in tegenwoordigheid van
M. Özbas, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Volledig
Pkn: 21-001457-24 – 04
Het gerechtshof heeft te beslissen op de vordering van de advocaat-generaal bij dit hof van
8 april 2024 strekkende tot verlenging van de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding van de verdachte,
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
verblijvende in P.I. [verblijfplaats] .
Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door
mr. S.C. Sassen, advocaat te Utrecht, in raadkamer van heden. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van mevrouw [naam reclasserings medewerkster] namens Reclassering Nederland.
De advocaat-generaal heeft gepersisteerd bij voormelde vordering.
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, heeft op 11 februari 2021 de gevangenhouding van verdachte bevolen. Bij beslissing van 25 februari 2021 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst met ingang van 26 februari 2021 onder het stellen van algemene en bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden zijn gewijzigd bij beslissingen van 29 april 2021, 14 juni 2021, 21 juli 2022 en 20 december 2022. De rechtbank heeft op 19 maart 2024 vonnis gewezen, waarbij de schorsing van de voorlopige hechtenis is opgeheven. Het bevel tot gevangenhouding is, ingevolge het bepaalde in artikel 66, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering van kracht tot en met 18 mei 2024.
Het Openbaar Ministerie en verdachte hebben op respectievelijk 29 maart 2024 en 2 april 2024 hoger beroep ingesteld.
Het hof is van oordeel dat de grondslag van het bevel tot voorlopige hechtenis van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, ook thans nog bestaat. Tevens grondt het hof het bevel tot verlenging van de voorlopige hechtenis op het veroordelend vonnis van die rechtbank.
Het hof heeft gelet op het bepaalde in artikelen 66, 67, 67a, 75 en 78 van het Wetboek van Strafvordering.
B E S L I S S I N G:
Het hof beveelt de verlenging van de voorlopige hechtenis van verdachte voor een termijn van HONDERDTWINTIG DAGEN en bepaalt dat de voorlopige hechtenis zal worden ondergaan in het huis van bewaring te [plaats] , locatie [locatie] of in een andere wettige plaats van detentie in Nederland.
Aldus gegeven op 8 mei 2024 door mr. M.H.D.M. van Leent, voorzitter,
mr. A.B.A.P.M. Ficq en mr. M. Nooijen, raadsheren, in tegenwoordigheid van
M. Özbas, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.