Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-05-07
ECLI:NL:GHARL:2024:3164
Civiel recht
Hoger beroep
3,032 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.321.199
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 393728
arrest in het incident van 7 mei 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld en optreedt als verweerder in het incident
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie
hierna: de man
advocaat: mr. J.H. Six-van der Werf
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
die ook hoger beroep heeft ingesteld en optreedt als eiseres in het incident
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie
hierna: de vrouw
advocaat: mr. J.A.N. Lap
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 10 augustus 2022 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
het arrest van 14 februari 2023
het verslag (proces-verbaal) van de enkelvoudige mondelinge behandeling die op 4 april 2023 is gehouden
de memorie van grieven
de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en incidentele vordering ex artikel 843a Rv
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep
het arrest van 5 maart 2024
de conclusie van antwoord in incident ex artikel 843a Rv.
2De kern van de zaak
2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest onder huwelijkse voorwaarden. De hoofdzaak ziet op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de gezamenlijke woning.
2.2.
De rechtbank heeft op basis van het finale verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden overwogen dat een verrekening dient plaats te vinden alsof partijen in algehele gemeenschap van goederen getrouwd waren. Als peildatum voor de beschrijving van de vermogens van partijen heeft de rechtbank gehanteerd de datum van de indiening van het verzoek tot echtscheiding, namelijk 30 december 2019. De vrouw stelt dat de man op de peildatum een vordering had op de rechtspersoon [naam1] en dat die vordering in de verrekening moet worden meegenomen. Volgens de man was de vordering op [naam1] op de peildatum al afgelost. De rechtbank heeft de gestelde vordering op [naam1] niet betrokken in de verrekening. Naar het oordeel van de rechtbank had de vrouw onvoldoende onderbouwende stukken voor haar stellingen overgelegd.
2.3.
De vrouw heeft in hoger beroep een incident ingesteld op grond van artikel 843a Rv. Zij vordert om de man te veroordelen om binnen 14 dagen na de betekening van het in deze te wijzen arrest aan de vrouw op last van een dwangsom de volgende stukken af te geven:- bankafschriften waaruit de aflossing van de vordering op [naam1] blijkt;
- overige stukken waaruit het bestaan en de stand van zaken van de vordering op
[naam1] per 30 december 2019 blijkt.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal de incidentele vordering van de vrouw afwijzen. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot deze beslissing is gekomen.
3.2.
Artikel 843a Rv kent de mogelijkheid om van iemand anders inzage in documenten te vragen, of zelfs een kopie of uittreksel. Er kan echter niet willekeurig worden gevraagd naar gegevens die interessant zouden kunnen zijn (een zogenoemde fishing expedition). De wet stelt de volgende eisen:
- de verzoeker moet met de ander een juridische relatie hebben;
- hij moet een rechtmatig belang hebben bij die gegevens voor zijn bewijslevering in een conflict met die ander;
- het moet gaan om specifieke gegevens die de verzoeker niet heeft, maar de ander wel.
De verzoeker heeft geen recht op deze gegevens als op een andere manier net zo goed bewijs kan worden geleverd of als de ander een sterk argument heeft om te weigeren.
3.3.
De vrouw heeft geen rechtmatig belang bij de door haar gevorderde stukken. De vrouw heeft onvoldoende toegelicht dat de gevraagde stukken steun kunnen geven aan haar stelling dat op de peildatum nog een vordering bestond op [naam1] . De vrouw vermoedt slechts dat de vordering op de peildatum nog niet was afgelost, omdat er in 2018 nog een vordering openstond. Met de gevraagde stukken wil de vrouw bezien of daarin de informatie staat die zij veronderstelt, terwijl zij die veronderstelling niet voldoende heeft onderbouwd. In het licht van onder meer de door de man al bij de rechtbank overgelegde aangifte Inkomstenbelasting over 2020, waarop ten aanzien van de datum 1 januari 2020 geen vordering op [naam1] te zien is, had van de vrouw een duidelijkere toelichting verwacht mogen worden.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af;
4.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, K. Mans en A.J.J. van Rijen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2024.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.321.199
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 393728
arrest in het incident van 7 mei 2024
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld en optreedt als verweerder in het incident
en bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en verweerder in reconventie
hierna: de man
advocaat: mr. J.H. Six-van der Werf
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats2]
die ook hoger beroep heeft ingesteld en optreedt als eiseres in het incident
en bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie
hierna: de vrouw
advocaat: mr. J.A.N. Lap
1Het verloop van de procedure in hoger beroep
De man heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, op 10 augustus 2022 tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
de dagvaarding in hoger beroep
het arrest van 14 februari 2023
het verslag (proces-verbaal) van de enkelvoudige mondelinge behandeling die op 4 april 2023 is gehouden
de memorie van grieven
de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep en incidentele vordering ex artikel 843a Rv
de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep
het arrest van 5 maart 2024
de conclusie van antwoord in incident ex artikel 843a Rv.
2De kern van de zaak
2.1.
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest onder huwelijkse voorwaarden. De hoofdzaak ziet op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de gezamenlijke woning.
2.2.
De rechtbank heeft op basis van het finale verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden overwogen dat een verrekening dient plaats te vinden alsof partijen in algehele gemeenschap van goederen getrouwd waren. Als peildatum voor de beschrijving van de vermogens van partijen heeft de rechtbank gehanteerd de datum van de indiening van het verzoek tot echtscheiding, namelijk 30 december 2019. De vrouw stelt dat de man op de peildatum een vordering had op de rechtspersoon [naam1] en dat die vordering in de verrekening moet worden meegenomen. Volgens de man was de vordering op [naam1] op de peildatum al afgelost. De rechtbank heeft de gestelde vordering op [naam1] niet betrokken in de verrekening. Naar het oordeel van de rechtbank had de vrouw onvoldoende onderbouwende stukken voor haar stellingen overgelegd.
2.3.
De vrouw heeft in hoger beroep een incident ingesteld op grond van artikel 843a Rv. Zij vordert om de man te veroordelen om binnen 14 dagen na de betekening van het in deze te wijzen arrest aan de vrouw op last van een dwangsom de volgende stukken af te geven:- bankafschriften waaruit de aflossing van de vordering op [naam1] blijkt;
- overige stukken waaruit het bestaan en de stand van zaken van de vordering op
[naam1] per 30 december 2019 blijkt.
Beoordeling
3.1.
Het hof zal de incidentele vordering van de vrouw afwijzen. Hierna zal het hof uitleggen hoe het tot deze beslissing is gekomen.
3.2.
Artikel 843a Rv kent de mogelijkheid om van iemand anders inzage in documenten te vragen, of zelfs een kopie of uittreksel. Er kan echter niet willekeurig worden gevraagd naar gegevens die interessant zouden kunnen zijn (een zogenoemde fishing expedition). De wet stelt de volgende eisen:
- de verzoeker moet met de ander een juridische relatie hebben;
- hij moet een rechtmatig belang hebben bij die gegevens voor zijn bewijslevering in een conflict met die ander;
- het moet gaan om specifieke gegevens die de verzoeker niet heeft, maar de ander wel.
De verzoeker heeft geen recht op deze gegevens als op een andere manier net zo goed bewijs kan worden geleverd of als de ander een sterk argument heeft om te weigeren.
3.3.
De vrouw heeft geen rechtmatig belang bij de door haar gevorderde stukken. De vrouw heeft onvoldoende toegelicht dat de gevraagde stukken steun kunnen geven aan haar stelling dat op de peildatum nog een vordering bestond op [naam1] . De vrouw vermoedt slechts dat de vordering op de peildatum nog niet was afgelost, omdat er in 2018 nog een vordering openstond. Met de gevraagde stukken wil de vrouw bezien of daarin de informatie staat die zij veronderstelt, terwijl zij die veronderstelling niet voldoende heeft onderbouwd. In het licht van onder meer de door de man al bij de rechtbank overgelegde aangifte Inkomstenbelasting over 2020, waarop ten aanzien van de datum 1 januari 2020 geen vordering op [naam1] te zien is, had van de vrouw een duidelijkere toelichting verwacht mogen worden.
Dictum
Het hof:
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af;
4.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.3.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
4.4.
iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, K. Mans en A.J.J. van Rijen, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2024.