Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-05-02
ECLI:NL:GHARL:2024:3113
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
8,422 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.169/01
CJIB-nummer
: 249840476
Uitspraak d.d.
: 2 mei 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2023, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
Het tussenarrest
De inhoud van het tussenarrest van 17 april 2024 wordt hier als ingelast beschouwd.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 mei 2022 om
17:46 uur op de Beukelsweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het voertuig ten tijde van de vaststelling van de gedraging was verhuurd en dat daarom een beroep wordt gedaan op artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv. Dit artikel spreekt van een ‘huurovereenkomst’ en dus is het civiele recht van toepassing. In het civiele recht wordt regelmatig een nadere invulling gegeven aan een overeenkomst door middel van algemene voorwaarden. Dit betekent dat de algemene voorwaarden van de betrokkene ook van belang zijn voor de vraag of er een beroep kan worden gedaan op artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv. Uit deze algemene voorwaarden volgt dat een huurovereenkomst alleen wordt beëindigd wanneer de huurder het gehuurde voertuig in overeenstemming met alle toepasselijke verkeersregels heeft geparkeerd. Zolang het voertuig verkeerd geparkeerd staat, loopt de huurovereenkomst dus door.
De huurovereenkomst wordt pas beëindigd op het moment dat het verkeerd geparkeerde voertuig weer voor het eerst wordt verplaatst door een opvolgende huurder en daarmee de strijd met de verkeersregels wordt opgeheven. Een huurder accepteert de algemene voorwaarden bij het aanmaken van een account en weet dus dat hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor het handelen in strijd met de verkeersregels. Er zijn bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de onderhavige gedraging het voertuig verhuurd was en de huurovereenkomst pas beëindigd werd toen het voertuig, ruim na het tijdstip waarop de ambtenaar de gedraging had geconstateerd, opnieuw werd verplaatst.
De omstandigheid dat het voertuig, nadat de huurder zich via de app had afgemeld, vergrendeld is en voor het gebruik van het voertuig geen tegenprestatie meer is vereist, maakt niet dat van een huurovereenkomst geen sprake meer is. Op grond van artikel 7:201 van het Burgerlijk Wetboek is er sprake van een huurovereenkomst wanneer het gebruik van een zaak, geheel of gedeeltelijk, wordt verstrekt in ruil voor een tegenprestatie. De huurovereenkomst kan na het parkeren en het vergrendelen van het voertuig nog doorlopen, omdat het voor het voortbestaan van een huurovereenkomst niet vereist is dat de huurder op elk moment daadwerkelijk feitelijk kan beschikken over het voertuig en ook niet dat het huurbedrag over de gehele periode kan worden toegerekend. Verder zijn de algemene voorwaarden van de betrokkene ook in overeenstemming met de huurvoorwaarden van de BOVAG. In artikel 14 van de BOVAG voorwaarden staat dat alle sancties en gevolgen van maatregelen die in verband met de huur van het voertuig van overheidswege worden opgelegd voor rekening van de huurder komen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt ook dat artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv in het leven is geroepen om problemen in de verhaalsfeer voor verhuurbedrijven te kunnen ondervangen en onevenredige risico’s voor hen weg te nemen. Het buiten toepassing laten van de algemene voorwaarden van de betrokkene is dan ook in strijd met de bedoeling van de wetgever.
3. De advocaat-generaal heeft betoogd dat de huurovereenkomst wordt beëindigd op het moment dat het voertuig wordt afgemeld in de app. Het niet langer verschuldigd zijn van een vergoeding voor het gebruik van het voertuig staat aan het aannemen van een huurovereenkomst in de weg. De advocaat-generaal heeft in dit verband gewezen op jurisprudentie van het hof, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHLEE:2010:BQ4369, ECLI:NL:GHLEE:2004:AQ7924 en ECLI:NL:GHARL:2018:335. Verder is op basis van de algemene voorwaarden van de betrokkene niet eenduidig en zonder nadere uitleg vast te stellen wanneer de huurovereenkomst tot een einde komt. Dit brengt mee dat aan de betrokkene geen beroep toekomt op artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv.
4. De sanctie is met toepassing van artikel 5 van de Wahv opgelegd aan de betrokkene, op wiens naam het motorrijtuig in het kentekenregister was ingeschreven. Het dossier bevat afschriften van de reserveringsgegevens, de namen van huurders, huurprijzen en uitdraaien van ritgegevens van de onderhavige scooter.
5. Artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van artikel 5 onderscheidenlijk artikel 5a, degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was.”
6. In het arrest van 22 december 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:11123) heeft het hof geoordeeld dat onder ''ten tijde van de gedraging'' in artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv moet worden verstaan ''ten tijde van de vaststelling van de gedraging''. Derhalve is van belang of de betrokkene een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst heeft overgelegd waaruit blijkt wie op 28 mei 2022, om 17.46 uur, de huurder van het in overweging 1 genoemde voertuig was.
7. Artikel 7:201, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidt: “Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.”
8. De door de advocaat-generaal aangehaalde jurisprudentie van het hof betreft niet de vraag wanneer van een huurovereenkomst niet langer meer sprake is, maar betreft de vraag of sprake is van een huurovereenkomst. Het hof kwam in de door de advocaat-generaal genoemde arresten tot het oordeel dat geen sprake was van huurovereenkomsten, omdat voor het gebruik van het voertuig geen tegenprestatie werd verlangd. Dat is hier anders. In de overeenkomst die de betrokkene met de gebruiker van het voertuig sluit verbindt de betrokkene zich om het voertuig te verstrekken en verbindt de gebruiker zich tot een tegenprestatie.
9. Over de duur van de huurovereenkomst die de betrokkene met de gebruiker van het voertuig sluit is in de algemene voorwaarden van de betrokkene het volgende geregeld: “2.3.1. Een individuele huurovereenkomst begint vanaf het moment dat u de E-scooter ontgrendelt in de app van [de betrokkene] om de rit te starten en eindigt zodra u de optie ‘rit beëindigen’ selecteert, gevolgd door een automatische bevestiging dat de rit is beëindigd, zoals aangegeven in de app van [de betrokkene] . De individuele huurovereenkomst wordt pas beëindigd beschouwd i) na ontvangst van de bevestiging dat de rit is beëindigd en ii) na het voldoen aan de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 2.6.3 zoals aangetoond op de wijze als omschreven in 2.6.4. Als u de E-scooter van [de betrokkene] achterlaat zonder de Bevestiging einde rit te hebben ontvangen, blijft de individuele huurovereenkomst van kracht en bent u verplicht om dienovereenkomstig te betalen voor het gebruik van onze diensten, behalve als het feit dat u geen Bevestiging einde rit hebt ontvangen het gevolg is van een situatie buiten uw redelijke controle, in welk geval u pro rata temporis wordt vergoed voor eventuele extra kosten die zijn betaald voor het gebruik van onze diensten.
2.6.3. De individuele huurovereenkomst kan alleen worden beëindigd als de E-scooter binnen het servicegebied is geparkeerd, in overeenstemming met de instructies van [de betrokkene] en in overeenstemming met alle toepasselijke parkeerwetgeving en -voorschriften in het land waar u onze diensten gebruikt, zoals beschreven in de app van [de betrokkene] of op onze website.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op
€ 100,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Beswerda en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om dit arrest te ondertekenen.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.169/01
CJIB-nummer
: 249840476
Uitspraak d.d.
: 2 mei 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 14 juni 2023, betreffende
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
Het tussenarrest
De inhoud van het tussenarrest van 17 april 2024 wordt hier als ingelast beschouwd.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 mei 2022 om
17:46 uur op de Beukelsweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het voertuig ten tijde van de vaststelling van de gedraging was verhuurd en dat daarom een beroep wordt gedaan op artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv. Dit artikel spreekt van een ‘huurovereenkomst’ en dus is het civiele recht van toepassing. In het civiele recht wordt regelmatig een nadere invulling gegeven aan een overeenkomst door middel van algemene voorwaarden. Dit betekent dat de algemene voorwaarden van de betrokkene ook van belang zijn voor de vraag of er een beroep kan worden gedaan op artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv. Uit deze algemene voorwaarden volgt dat een huurovereenkomst alleen wordt beëindigd wanneer de huurder het gehuurde voertuig in overeenstemming met alle toepasselijke verkeersregels heeft geparkeerd. Zolang het voertuig verkeerd geparkeerd staat, loopt de huurovereenkomst dus door.
De huurovereenkomst wordt pas beëindigd op het moment dat het verkeerd geparkeerde voertuig weer voor het eerst wordt verplaatst door een opvolgende huurder en daarmee de strijd met de verkeersregels wordt opgeheven. Een huurder accepteert de algemene voorwaarden bij het aanmaken van een account en weet dus dat hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor het handelen in strijd met de verkeersregels. Er zijn bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de onderhavige gedraging het voertuig verhuurd was en de huurovereenkomst pas beëindigd werd toen het voertuig, ruim na het tijdstip waarop de ambtenaar de gedraging had geconstateerd, opnieuw werd verplaatst.
De omstandigheid dat het voertuig, nadat de huurder zich via de app had afgemeld, vergrendeld is en voor het gebruik van het voertuig geen tegenprestatie meer is vereist, maakt niet dat van een huurovereenkomst geen sprake meer is. Op grond van artikel 7:201 van het Burgerlijk Wetboek is er sprake van een huurovereenkomst wanneer het gebruik van een zaak, geheel of gedeeltelijk, wordt verstrekt in ruil voor een tegenprestatie. De huurovereenkomst kan na het parkeren en het vergrendelen van het voertuig nog doorlopen, omdat het voor het voortbestaan van een huurovereenkomst niet vereist is dat de huurder op elk moment daadwerkelijk feitelijk kan beschikken over het voertuig en ook niet dat het huurbedrag over de gehele periode kan worden toegerekend. Verder zijn de algemene voorwaarden van de betrokkene ook in overeenstemming met de huurvoorwaarden van de BOVAG. In artikel 14 van de BOVAG voorwaarden staat dat alle sancties en gevolgen van maatregelen die in verband met de huur van het voertuig van overheidswege worden opgelegd voor rekening van de huurder komen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt ook dat artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv in het leven is geroepen om problemen in de verhaalsfeer voor verhuurbedrijven te kunnen ondervangen en onevenredige risico’s voor hen weg te nemen. Het buiten toepassing laten van de algemene voorwaarden van de betrokkene is dan ook in strijd met de bedoeling van de wetgever.
3. De advocaat-generaal heeft betoogd dat de huurovereenkomst wordt beëindigd op het moment dat het voertuig wordt afgemeld in de app. Het niet langer verschuldigd zijn van een vergoeding voor het gebruik van het voertuig staat aan het aannemen van een huurovereenkomst in de weg. De advocaat-generaal heeft in dit verband gewezen op jurisprudentie van het hof, gepubliceerd op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHLEE:2010:BQ4369, ECLI:NL:GHLEE:2004:AQ7924 en ECLI:NL:GHARL:2018:335. Verder is op basis van de algemene voorwaarden van de betrokkene niet eenduidig en zonder nadere uitleg vast te stellen wanneer de huurovereenkomst tot een einde komt. Dit brengt mee dat aan de betrokkene geen beroep toekomt op artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv.
4. De sanctie is met toepassing van artikel 5 van de Wahv opgelegd aan de betrokkene, op wiens naam het motorrijtuig in het kentekenregister was ingeschreven. Het dossier bevat afschriften van de reserveringsgegevens, de namen van huurders, huurprijzen en uitdraaien van ritgegevens van de onderhavige scooter.
5. Artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
“De officier van justitie vernietigt de beschikking indien, in het geval van artikel 5 onderscheidenlijk artikel 5a, degene op wiens naam het kenteken in het kentekenregister is ingeschreven een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst overlegt waaruit blijkt wie ten tijde van de gedraging de huurder van het motorrijtuig onderscheidenlijk de aanhangwagen was.”
6. In het arrest van 22 december 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:11123) heeft het hof geoordeeld dat onder ''ten tijde van de gedraging'' in artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv moet worden verstaan ''ten tijde van de vaststelling van de gedraging''. Derhalve is van belang of de betrokkene een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst heeft overgelegd waaruit blijkt wie op 28 mei 2022, om 17.46 uur, de huurder van het in overweging 1 genoemde voertuig was.
7. Artikel 7:201, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidt: “Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.”
8. De door de advocaat-generaal aangehaalde jurisprudentie van het hof betreft niet de vraag wanneer van een huurovereenkomst niet langer meer sprake is, maar betreft de vraag of sprake is van een huurovereenkomst. Het hof kwam in de door de advocaat-generaal genoemde arresten tot het oordeel dat geen sprake was van huurovereenkomsten, omdat voor het gebruik van het voertuig geen tegenprestatie werd verlangd. Dat is hier anders. In de overeenkomst die de betrokkene met de gebruiker van het voertuig sluit verbindt de betrokkene zich om het voertuig te verstrekken en verbindt de gebruiker zich tot een tegenprestatie.
9. Over de duur van de huurovereenkomst die de betrokkene met de gebruiker van het voertuig sluit is in de algemene voorwaarden van de betrokkene het volgende geregeld: “2.3.1. Een individuele huurovereenkomst begint vanaf het moment dat u de E-scooter ontgrendelt in de app van [de betrokkene] om de rit te starten en eindigt zodra u de optie ‘rit beëindigen’ selecteert, gevolgd door een automatische bevestiging dat de rit is beëindigd, zoals aangegeven in de app van [de betrokkene] . De individuele huurovereenkomst wordt pas beëindigd beschouwd i) na ontvangst van de bevestiging dat de rit is beëindigd en ii) na het voldoen aan de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 2.6.3 zoals aangetoond op de wijze als omschreven in 2.6.4. Als u de E-scooter van [de betrokkene] achterlaat zonder de Bevestiging einde rit te hebben ontvangen, blijft de individuele huurovereenkomst van kracht en bent u verplicht om dienovereenkomstig te betalen voor het gebruik van onze diensten, behalve als het feit dat u geen Bevestiging einde rit hebt ontvangen het gevolg is van een situatie buiten uw redelijke controle, in welk geval u pro rata temporis wordt vergoed voor eventuele extra kosten die zijn betaald voor het gebruik van onze diensten.
2.6.3. De individuele huurovereenkomst kan alleen worden beëindigd als de E-scooter binnen het servicegebied is geparkeerd, in overeenstemming met de instructies van [de betrokkene] en in overeenstemming met alle toepasselijke parkeerwetgeving en -voorschriften in het land waar u onze diensten gebruikt, zoals beschreven in de app van [de betrokkene] of op onze website.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op
€ 100,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Beswerda en De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat om dit arrest te ondertekenen.
Beoordeling
Binnen het servicegebied moet u de E-scooter van [de betrokkene] zo parkeren dat de ingangen van gebouwen niet worden geblokkeerd of dat het gebruik van openbare wegen of andere openbare ruimtes, straten en trottoirs (bv. door voetgangers of mensen in een rolstoel) niet wordt belemmerd. U moet ervoor zorgen dat de E-scooter zodanig wordt geparkeerd dat deze gemakkelijk toegankelijk is en beschikbaar is voor verder gebruik of toegang door ons of andere klanten die van plan zijn om onze diensten te gebruiken.
2.6.4. Om [de betrokkene] te laten controleren of u hebt voldaan aan de voorwaarden zoals beschreven in
artikel 2.6.3 hierboven zal [de betrokkene] u vragen om een foto aan het einde van de rit te maken waarin de E-scooter van [de betrokkene] duidelijk zichtbaar is en om deze foto te uploaden in de app van [de betrokkene] (‘foto einde rit’). Uw individuele huurovereenkomst wordt alleen beëindigd nadat u de foto einde rit in de app van [de betrokkene] hebt geüpload of nadat het klantenserviceteam enig ander bewijsmiddel heeft beoordeeld en de bevestiging einde rit is ontvangen. Als u er zeker van wilt zijn dat de rit en dus de individuele huurovereenkomst is beëindigd, kunt u controleren of de E-scooter is uitgeschakeld; dit is het geval als de lichten en het display uitgeschakeld zijn.”
10. De algemene voorwaarden van de huurovereenkomst van de betrokkene laten, zoals de gemachtigde ter zitting van het hof ook heeft erkend, de mogelijkheid open dat ten tijde van de vaststelling van de gedraging twee huurovereenkomsten gelden, namelijk de huurovereenkomst die van kracht is omdat het voertuig niet in overeenstemming met alle toepasselijke parkeerwetgeving is geparkeerd en een huurovereenkomst die een aanvang heeft genomen doordat het voertuig is gereserveerd terwijl het voertuig nog niet is verplaatst.
Verder kan een huurovereenkomst voor een langere termijn dan drie maanden gelden indien het voertuig niet in overeenstemming met alle toepasselijke parkeerwetgeving is geparkeerd en het voertuig niet is verplaatst.
11. De voor de toepassing van artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv noodzakelijke vaststelling wie ten tijde van de gedraging de huurder van het voertuig was en of sprake is van een huurovereenkomst die is aangegaan voor een termijn van ten hoogste drie maanden, kan aldus niet alleen plaatsvinden op basis van de overgelegde huurovereenkomst. Daarvoor zijn meer gegevens vereist, ook andere huurders betreffende, die geïnterpreteerd dienen te worden. Deze gegevens moeten worden verstrekt door de betrokkene. Ook voor de inhoud daarvan moet worden afgegaan op wat de betrokkene verstrekt.
12. Uit de tekst van de wet volgt dat uit de overgelegde huurovereenkomst moet blijken wie ten tijde van de gedraging de huurder van het voertuig was. Daaraan wordt niet voldaan. Het hof ziet op dit punt geen ruimte voor een -kennelijk door de betrokkene voorgestane- extensieve interpretatie van de tekst van de wet. Een dergelijke interpretatie komt namelijk in strijd met het uitgangspunt van de Wahv dat eenduidig en eenvoudig moet kunnen worden vastgesteld aan wie de sanctie moet worden opgelegd ingeval niet aanstonds kan worden vastgesteld wie de bestuurder is geweest van het motorvoertuig waarvoor een kenteken is opgegeven waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden. De door de gemachtigde aangehaalde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wahv doen hieraan niet af. Deze zijn meer algemeen geformuleerde uitgangspunten waarin wordt gewezen op de problemen in de verhaalsfeer voor verhuurbedrijven en de risico's die voor die bedrijven moeten worden weggenomen. De grond faalt.
13. Verder wordt namens de betrokkene de gedraging ontkend. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de scooter van de betrokkene op zichzelf geen hinder veroorzaakte, maar dat het hinder (kunnen) veroorzaken gelegen is in het feit dat er ter plaatse 30 scooters stonden. Nu niet is toegelicht waar het gevaar en/of hinder van het voertuig van de betrokkene precies uit bestond, kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
14. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de scooter de doorgang blokkeerde naar de oversteekplaats. Deze stond samen met 30 andere scooters.”
15. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dossier voldoende dat het voertuig van de betrokkene zodanig geparkeerd stond dat dit samen met andere scooters hinder opleverde en dat het voertuig van de betrokkene hierin ook een aandeel had. Op basis van de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Deze grond faalt ook.
16. De gemachtigde heeft er tenslotte op gewezen dat de ambtenaar niet het juiste sanctiebedrag heeft bepaald. Deze grond treft doel. Uit de gegevens blijkt dat het betreffende voertuig een bromfiets is. Het hof stelt vast dat de ambtenaar ten onrechte het sanctiebedrag van € 150,-, voor categorie weggebruiker 2 ‘bestuurders van motorvoertuigen op twee wielen’ heeft toegepast. De ambtenaar had het in de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde sanctiebedrag dat geldt voor categorie 3 ‘bromfietsers en snorfietsers’, te weten € 100,-, dienen toe te passen. Het hof zal het bedrag van de sanctie daarom vaststellen op € 100,-.
17. Het vorenstaande leidt tot de onderstaande beslissing.
18. Naar het oordeel van het hof is er sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding worden de onderhavige zaak en de zaken met de nummers Wahv 200.333.710 en Wahv 200.333.825 daarom beschouwd als één zaak. Nu voor het eerst in hoger beroep is aangevoerd dat het onjuiste sanctiebedrag is toegepast, terwijl niet is gebleken dat de gemachtigde deze grond niet eerder in de procedure heeft kunnen aanvoeren, ziet het hof aanleiding de vergoeding van proceskosten te beperken tot de procedure van het hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting van het hof dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,-.
Beoordeling
Binnen het servicegebied moet u de E-scooter van [de betrokkene] zo parkeren dat de ingangen van gebouwen niet worden geblokkeerd of dat het gebruik van openbare wegen of andere openbare ruimtes, straten en trottoirs (bv. door voetgangers of mensen in een rolstoel) niet wordt belemmerd. U moet ervoor zorgen dat de E-scooter zodanig wordt geparkeerd dat deze gemakkelijk toegankelijk is en beschikbaar is voor verder gebruik of toegang door ons of andere klanten die van plan zijn om onze diensten te gebruiken.
2.6.4. Om [de betrokkene] te laten controleren of u hebt voldaan aan de voorwaarden zoals beschreven in
artikel 2.6.3 hierboven zal [de betrokkene] u vragen om een foto aan het einde van de rit te maken waarin de E-scooter van [de betrokkene] duidelijk zichtbaar is en om deze foto te uploaden in de app van [de betrokkene] (‘foto einde rit’). Uw individuele huurovereenkomst wordt alleen beëindigd nadat u de foto einde rit in de app van [de betrokkene] hebt geüpload of nadat het klantenserviceteam enig ander bewijsmiddel heeft beoordeeld en de bevestiging einde rit is ontvangen. Als u er zeker van wilt zijn dat de rit en dus de individuele huurovereenkomst is beëindigd, kunt u controleren of de E-scooter is uitgeschakeld; dit is het geval als de lichten en het display uitgeschakeld zijn.”
10. De algemene voorwaarden van de huurovereenkomst van de betrokkene laten, zoals de gemachtigde ter zitting van het hof ook heeft erkend, de mogelijkheid open dat ten tijde van de vaststelling van de gedraging twee huurovereenkomsten gelden, namelijk de huurovereenkomst die van kracht is omdat het voertuig niet in overeenstemming met alle toepasselijke parkeerwetgeving is geparkeerd en een huurovereenkomst die een aanvang heeft genomen doordat het voertuig is gereserveerd terwijl het voertuig nog niet is verplaatst.
Verder kan een huurovereenkomst voor een langere termijn dan drie maanden gelden indien het voertuig niet in overeenstemming met alle toepasselijke parkeerwetgeving is geparkeerd en het voertuig niet is verplaatst.
11. De voor de toepassing van artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv noodzakelijke vaststelling wie ten tijde van de gedraging de huurder van het voertuig was en of sprake is van een huurovereenkomst die is aangegaan voor een termijn van ten hoogste drie maanden, kan aldus niet alleen plaatsvinden op basis van de overgelegde huurovereenkomst. Daarvoor zijn meer gegevens vereist, ook andere huurders betreffende, die geïnterpreteerd dienen te worden. Deze gegevens moeten worden verstrekt door de betrokkene. Ook voor de inhoud daarvan moet worden afgegaan op wat de betrokkene verstrekt.
12. Uit de tekst van de wet volgt dat uit de overgelegde huurovereenkomst moet blijken wie ten tijde van de gedraging de huurder van het voertuig was. Daaraan wordt niet voldaan. Het hof ziet op dit punt geen ruimte voor een -kennelijk door de betrokkene voorgestane- extensieve interpretatie van de tekst van de wet. Een dergelijke interpretatie komt namelijk in strijd met het uitgangspunt van de Wahv dat eenduidig en eenvoudig moet kunnen worden vastgesteld aan wie de sanctie moet worden opgelegd ingeval niet aanstonds kan worden vastgesteld wie de bestuurder is geweest van het motorvoertuig waarvoor een kenteken is opgegeven waarmee de gedraging heeft plaatsgevonden. De door de gemachtigde aangehaalde passages uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Wahv doen hieraan niet af. Deze zijn meer algemeen geformuleerde uitgangspunten waarin wordt gewezen op de problemen in de verhaalsfeer voor verhuurbedrijven en de risico's die voor die bedrijven moeten worden weggenomen. De grond faalt.
13. Verder wordt namens de betrokkene de gedraging ontkend. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de scooter van de betrokkene op zichzelf geen hinder veroorzaakte, maar dat het hinder (kunnen) veroorzaken gelegen is in het feit dat er ter plaatse 30 scooters stonden. Nu niet is toegelicht waar het gevaar en/of hinder van het voertuig van de betrokkene precies uit bestond, kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
14. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de scooter de doorgang blokkeerde naar de oversteekplaats. Deze stond samen met 30 andere scooters.”
15. Naar het oordeel van het hof blijkt uit het dossier voldoende dat het voertuig van de betrokkene zodanig geparkeerd stond dat dit samen met andere scooters hinder opleverde en dat het voertuig van de betrokkene hierin ook een aandeel had. Op basis van de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Deze grond faalt ook.
16. De gemachtigde heeft er tenslotte op gewezen dat de ambtenaar niet het juiste sanctiebedrag heeft bepaald. Deze grond treft doel. Uit de gegevens blijkt dat het betreffende voertuig een bromfiets is. Het hof stelt vast dat de ambtenaar ten onrechte het sanctiebedrag van € 150,-, voor categorie weggebruiker 2 ‘bestuurders van motorvoertuigen op twee wielen’ heeft toegepast. De ambtenaar had het in de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde sanctiebedrag dat geldt voor categorie 3 ‘bromfietsers en snorfietsers’, te weten € 100,-, dienen toe te passen. Het hof zal het bedrag van de sanctie daarom vaststellen op € 100,-.
17. Het vorenstaande leidt tot de onderstaande beslissing.
18. Naar het oordeel van het hof is er sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding worden de onderhavige zaak en de zaken met de nummers Wahv 200.333.710 en Wahv 200.333.825 daarom beschouwd als één zaak. Nu voor het eerst in hoger beroep is aangevoerd dat het onjuiste sanctiebedrag is toegepast, terwijl niet is gebleken dat de gemachtigde deze grond niet eerder in de procedure heeft kunnen aanvoeren, ziet het hof aanleiding de vergoeding van proceskosten te beperken tot de procedure van het hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting van het hof dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,-.