Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-04-10
ECLI:NL:GHARL:2024:2439
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
1,359 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.333.064/01
CJIB-nummer
: 242143442
Uitspraak d.d.
: 10 april 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland van 4 mei 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 150,- opgelegd voor: “voor een motorrijtuig met een toegestane maximummassa van 3500 kg of minder heeft het keuringsbewijs geldigheid verloren”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 24 juni 2021 zijn verricht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene is gediagnosticeerd met nekwervelstenose, waardoor hij allerlei uitvalsverschijnselen krijgt. Door vele ziekenhuisbezoeken op het moment dat hij te horen kreeg dat hij te maken had met deze aandoening is hij simpelweg te laat geweest met de APK. Om die reden verzoekt de betrokkene om matiging van de sanctie. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, omdat op het moment dat de betrokkene een brief van de RDW kreeg was aangekondigd dat hij in overtreding was. Het proces heeft langer geduurd dan nodig en dit heeft onnodig bijgedragen aan de stress en onzekerheid van de betrokkene, te meer bezien de aandoening die bij hem is vastgesteld. De betrokkene doet zijn best om de herinneringsbief terug te vinden, maar het is algemeen bekend dat een herinneringsbrief door de RDW standaard verzonden wordt op dezelfde dag als de registercontrole heeft plaatsgevonden. Dit betreft een brief van juni 2021.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde bij de kantonrechter ook heeft aangevoerd dat de betrokkene vanwege een medische aandoening het voertuig niet heeft kunnen laten keuren. De kantonrechter heeft overwogen dat dit niet een omstandigheid is die aanleiding geeft om het bedrag van de sanctie te matigen. In hoger beroep noemt de gemachtigde een andere diagnose met andere verschijnselen. Los van het feit dat het noemen van een andere diagnose in hoger beroep niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van het verweer, komt het in de kern op hetzelfde neer. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de kantonrechter.
4. Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof als volgt. De inleidende beschikking is verstuurd op 3 juli 2021. Over het algemeen wordt die datum bij een sanctie die is opgelegd aan een betrokkene als kentekenhouder als uitgangspunt genomen als moment waarop de betrokkene weet dat aan hem een sanctie is opgelegd, het beginmoment van de redelijke termijn. In deze zaak is geen aanleiding om af te wijken van dat uitgangspunt. Niet aannemelijk is gemaakt dat de betrokkene eerder dan met de inleidende beschikking bekend is geraakt met de sanctie en op welke datum dat dan is geweest. Daar merkt het hof bij op dat de gemachtigde namens de betrokkene tijdens de hoorzitting bij de officier van justitie heeft aangevoerd dat de betrokkene geen brief heeft ontvangen van de RDW, wat strijdig is met de grond dat de betrokkene sinds de ontvangst van de brief van de RDW wist dat hij in overtreding was. Bovendien, als zou worden uitgegaan van een brief van de RDW in juni 2021 zoals gesteld, dan heeft de kantonrechter met de uitspraak op 4 mei 2023 binnen een termijn van twee jaar beslist. Het bedrag van de sanctie wordt dan ook niet gematigd met 25 procent.
5. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.