Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-03-28
ECLI:NL:GHARL:2024:2185
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
8,148 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.332.157
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 536398)
beschikking van 28 maart 2024
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.K. Kemper te Amersfoort.
1
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 december 2022 en 16 juni 2023, uitgesproken onder zaaknummer 536398. De beschikking van 16 juni 2023 is hersteld bij beschikking van 28 september 2023 en wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 september 2023;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie;
- een journaalbericht van mr. Kaouass van 23 februari 2024 met producties;
- een journaalbericht van mr. Kemper van 26 februari 2024 met producties;
- een journaalbericht van mr. Kemper van 29 februari 2024 met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 maart 2024 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Feiten
3.1
Het huwelijk van de partijen is [in] 2023 ontbonden door inschrijving van de bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [de gemeente] .
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is [in] 2020 in [woonplaats1] geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .
3.3
Bij beschikking van dit hof van 13 juli 2023 is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met [de minderjarige] naar [woonplaats2] te verhuizen en om [de minderjarige] in te schrijven op haar woonadres in [woonplaats2] . Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.4
Bij beschikking van 9 januari 2024 heeft de rechtbank de vrouw vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] met ingang van 17 januari 2024 in te schrijven bij [de school] in [woonplaats2] en als voorlopige zorgregeling vastgesteld:
- [de minderjarige] verblijft drie keer per vier weken bij de man van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- [de minderjarige] is op Moederdag bij de vrouw en op Vaderdag bij de man, waarbij geldt dat hij vanaf de avond ervoor om 17.00 uur tot maandagochtend naar school bij die ouder verblijft.
Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaar. De rechtbank heeft daarnaast iedere andere beslissing over de zorgregeling en vakantieregeling aangehouden tot 9 mei 2024 in afwachting van de uitkomst van het raadsonderoek en de raad verzocht om te onderzoeken:
- welke zorgregeling in het belang is van [de minderjarige] ;
- welke regeling van de vakanties en feestdagen het meest in het belang is van [de minderjarige] . De rechtbank heeft daarnaast de raad opdracht gegeven om te onderzoeken welke zorgregeling en verdeling van de vakanties en feestdagen in het belang is van [de minderjarige] .
4De omvang van het geschil
4.1
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen – gelet op de ontwikkelingen in deze zaak die dateren van na de bestreden beschikking, waaronder de beschikking van dit hof van 13 juli 2023 en het in de beschikking van de rechtbank van
9 januari 2024 gelaste onderzoek van de raad – hun verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] en de door de man verzochte vervangende toestemming voor inschrijving van [de minderjarige] op basisschool ‘ [naam1] ’ in [woonplaats1] om doelmatigheidsredenen ingetrokken, zodat de daarop betrekking hebbende grieven tegen de bestreden beschikking – niet meer door het hof hoeven te worden beoordeeld.
4.2
Aan het hof ligt voor de hoogte van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) en de hoogte van de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man met ingang van de datum van de bestreden beschikking, bij vooruitbetaling, een bedrag van € 73,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen en het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie afgewezen. De beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De man betaalt deze bijdrage.
4.3
De vrouw is in (incidenteel) hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de daarin bepaalde kinderalimentatie en de afwijzing van haar verzoek tot vaststelling van partneralimentatie. De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat de man met ingang van 16 juni 2023, bij vooruitbetaling, € 210,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw, te verhogen mocht de zorgregeling zodanig wijzigen dat dit leidt tot toepassing van een lagere zorgkorting, en te bepalen dat de man met ingang van 30 juni 2023, bij vooruitbetaling, € 252,- bruto per maand aan partneralimentatie moet betalen aan de vrouw, althans zodanige beslissingen te nemen die het hof juist acht. Daarnaast verzoekt de vrouw het hof de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.4
De man voert verweer en hij vraagt het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Motivering
alimentatie
5.1
Kinderen die jonger zijn dan eenentwintig jaren, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om volledig in het levensonderhoud van alle gerechtigden te voorzien. Daarom zal het hof eerst beoordelen of en welke bijdrage de man dient te leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van [de minderjarige] en daarna pas ingaan op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.
kinderalimentatie
5.2
De bij de bestreden beschikking vastgestelde ingangsdatum van 16 juni 2023, de behoefte van [de minderjarige] in 2023 van € 430,- per maand en de draagkracht van de man van € 606,- per maand zijn niet in geschil en staan daarmee vast.
draagkracht van de vrouw
5.3
Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van het kind dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot het kind staat in de beoordeling te worden betrokken.
5.4
De vrouw stelt dat de bijdrage van de man omhoog moet omdat haar draagkracht door de rechtbank is te hoog vastgesteld, zodat de verdeling van de kosten niet juist is. De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat de vrouw (fictief) 32 uur per week kan werken. Dit is echter niet haalbaar gebleken omdat de vrouw dat kan niet combineren met de voor haar benodigde hulpverlening en de zorg voor [de minderjarige] . Op dit moment heeft de vrouw een contract van 24 uur, is ze langdurig arbeidsongeschikt en ontvangt ze 70% van haar loon. Rekening houdend met de vakantietoeslag heeft de vrouw een bruto jaarinkomen van € 17.560,- en is haar draagkracht € 116,- per maand, aldus de vrouw. De vrouw onderbouwt dit standpunt door te verwijzen naar de overgelegde producties en berekeningen.
De man voert op zijn beurt aan dat door de vrouw is niet aangetoond dat haar hulpverlening en de zorg voor [de minderjarige] haar belemmeren om 32 uur per week te werken. De rechtbank is terecht uitgegaan van 32 uur omdat de vrouw in het verleden meer dan 32 uur per week heeft gewerkt en zij haar verdiencapaciteit tijdens het huwelijk niet heeft betwist. Daarnaast is het door de vrouw gestelde inkomen volgens de man niet juist. Uit de overlegde salarisspecificaties blijkt dat de vrouw feitelijk een hoger bruto salaris heeft, maar dat de werkgever in verband met de arbeidsongeschiktheid van de vrouw op dit moment slechts 70% uitkeert. Omdat de arbeidsongeschiktheid van tijdelijke aard is moet rekening worden gehouden met 100% van het salaris, aldus de man.
5.5
Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat de vrouw op dit moment niet in staat is om een 32-urige werkweek te combineren met de voor haar benodigde hulpverlening en de zorg voor [de minderjarige] . Zo volgt uit de in het geding gebrachte stukken genoegzaam dat ook een werkweek van 24 uur veel is gebleken en dat de vrouw inmiddels ziek is uitgevallen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw daarnaast onbetwist gesteld bezig te zijn met hulpverlening en binnenkort te beginnen met een nieuwe behandeling. Dat de vrouw is aangewezen op hulpverlening is door de man ook erkend. Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw dan ook aansluiten bij de door de vrouw gestelde verdiencapaciteit van 24 uur per week.
5.6
Bij het berekenen van alimentatie wordt aangesloten bij de huidige situatie en worden onzekere toekomstige omstandigheden buiten beschouwing gelaten. Op dit moment is de vrouw arbeidsongeschikt en krijgt zij 70% van haar loon uitbetaald. Wanneer de vrouw voldoende hersteld zal zijn om te werken en zij opnieuw 100% van haar salaris zal ontvangen is op dit moment niet duidelijk, zodat het hof daar in het kader van deze beschikking geen rekening mee kan houden.
5.7
Gelet op het voorgaande gaat het hof bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw, net als de vrouw, uit van een verdiencapaciteit van 24 uur per week, waarbij de vrouw 70% van haar salaris krijgt uitbetaald. Het hof sluit dan ook aan bij de door de vrouw in het geding gebrachte berekening van haar draagkracht. De man heeft de juistheid van die berekening voor het overige niet betwist. Uit die berekening volgt een NBI van € 1.457,- per maand en een draagkracht van € 116,- per maand. Het hof gaat daar ook van uit.
5.8
Omdat de zorgregeling bij beschikking van 9 januari 2024 door de rechtbank is gewijzigd, zal het hof bij onderstaande berekening van de kinderalimentatie uitgaan van twee periodes. De periode van 16 juni 2023 tot 1 februari 2024 en de periode vanaf 1 februari 2024. Het hof hanteert voor de eerste periode een zorgkorting van 35 procent en voor de tweede periode een zorgkorting van 25 procent. Dit alles voert het hof tot de volgende berekeningen.
kinderalimentatie van 16 juni 2023 tot 1 februari 2024
5.9
De totale draagkracht van de ouders bedraagt (606 + 116) € 722,- per maand. De behoefte van [de minderjarige] in 2023 is € 430,- per maand. De ouders hebben dan ook voldoende draagkracht om in de behoefte te voorzien.
Op grond van het voorgaande bedraagt:
- het aandeel van de man (606/722 x 430) € 361,- per maand;
- het aandeel van de vrouw (116/722 x 430) € 69,- per maand.
5.10
De omstandigheid dat de man een aandeel heeft in de zorg voor [de minderjarige] wordt in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Tussen partijen is niet in geschil dat tot 1 februari 2024 op het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] een zorgkorting van 35% (dus afgerond € 151,- per maand) in mindering moet worden gebracht.
5.11
Uit het voorgaande volgt dat de man na aftrek van de zorgkorting over de periode 16 juni 2023 tot 1 februari 2024 een bedrag van (361 – 151) € 210,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen. Nu het in 2024 om een periode van slechts een maand gaat ziet het hof aanleiding de indexering buiten beschouwing te laten.
kinderalimentatie vanaf 1 februari 2024
5.12
De totale draagkracht van de ouders bedraagt (606 + 116) € 722,- per maand. De behoefte van [de minderjarige] in 2024 (geïndexeerd) is € 457,- per maand. De ouders hebben dan ook voldoende om in de behoefte te voorzien.
Op grond van het voorgaande bedraagt:
- het aandeel van de man (606/722 x 457) € 384,- per maand;
- het aandeel van de vrouw (116/722 x 457) € 73,- per maand.
5.13
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw onbetwist gesteld dat de verdeling van de zorgtaken vanaf 1 februari 2024 in lijn met bij de beschikking van de rechtbank van 9 januari 2024 vastgestelde voorlopige zorgregeling worden uitgevoerd. Op basis van deze voorlopige zorgregeling blijft [de minderjarige] drie keer per vier weken van vrijdag uit school tot maandag naar school en op Vaderdag vanaf de avond ervoor om 17.00 uur tot maandagochtend naar school bij de man. Gemiddeld is dat twee dagen per week.
Bij een gedeelde zorg gedurende gemiddeld twee dagen per week past een zorgkorting van 25% van de behoefte, zodat in de periode vanaf 1 februari 2024 een zorgkorting van 25% (dus afgerond € 114,- per maand) op het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] in mindering moet worden gebracht.
5.14
Uit het voorgaande volgt dat de man na aftrek van de zorgkorting vanaf 1 februari 2024 een bedrag van (384 – 114) € 270,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen.
Dictum
Het hof, beschikkende in het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 juni 2023, hersteld bij beschikking van 28 september 2023, ten aanzien van de daarin bepaalde kinderalimentatie en de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 16 juni 2023 tot 1 februari 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 210,- per maand zal betalen;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 februari 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 270,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 30 juni 2023 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 252,- bruto per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, M.P. den Hollander en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 28 maart 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.332.157
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 536398)
beschikking van 28 maart 2024
inzake
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats1] ,verzoeker in het principaal hoger beroep,
verweerder in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam,
en
[verweerster]
,
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in het principaal hoger beroep,
verzoekster in het incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.K. Kemper te Amersfoort.
1
Procesverloop
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 21 december 2022 en 16 juni 2023, uitgesproken onder zaaknummer 536398. De beschikking van 16 juni 2023 is hersteld bij beschikking van 28 september 2023 en wordt verder ook genoemd: de bestreden beschikking.
Procesverloop
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift met producties, ingekomen op 13 september 2023;
- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties;
- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie;
- een journaalbericht van mr. Kaouass van 23 februari 2024 met producties;
- een journaalbericht van mr. Kemper van 26 februari 2024 met producties;
- een journaalbericht van mr. Kemper van 29 februari 2024 met productie.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 5 maart 2024 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad).
Feiten
3.1
Het huwelijk van de partijen is [in] 2023 ontbonden door inschrijving van de bestreden beschikking in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente [de gemeente] .
3.2
De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige] . [de minderjarige] is [in] 2020 in [woonplaats1] geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [de minderjarige] .
3.3
Bij beschikking van dit hof van 13 juli 2023 is aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met [de minderjarige] naar [woonplaats2] te verhuizen en om [de minderjarige] in te schrijven op haar woonadres in [woonplaats2] . Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.4
Bij beschikking van 9 januari 2024 heeft de rechtbank de vrouw vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] met ingang van 17 januari 2024 in te schrijven bij [de school] in [woonplaats2] en als voorlopige zorgregeling vastgesteld:
- [de minderjarige] verblijft drie keer per vier weken bij de man van vrijdag uit school tot maandag naar school;
- [de minderjarige] is op Moederdag bij de vrouw en op Vaderdag bij de man, waarbij geldt dat hij vanaf de avond ervoor om 17.00 uur tot maandagochtend naar school bij die ouder verblijft.
Deze beslissingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaar. De rechtbank heeft daarnaast iedere andere beslissing over de zorgregeling en vakantieregeling aangehouden tot 9 mei 2024 in afwachting van de uitkomst van het raadsonderoek en de raad verzocht om te onderzoeken:
- welke zorgregeling in het belang is van [de minderjarige] ;
- welke regeling van de vakanties en feestdagen het meest in het belang is van [de minderjarige] . De rechtbank heeft daarnaast de raad opdracht gegeven om te onderzoeken welke zorgregeling en verdeling van de vakanties en feestdagen in het belang is van [de minderjarige] .
4De omvang van het geschil
4.1
Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben partijen – gelet op de ontwikkelingen in deze zaak die dateren van na de bestreden beschikking, waaronder de beschikking van dit hof van 13 juli 2023 en het in de beschikking van de rechtbank van
9 januari 2024 gelaste onderzoek van de raad – hun verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] , de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] en de door de man verzochte vervangende toestemming voor inschrijving van [de minderjarige] op basisschool ‘ [naam1] ’ in [woonplaats1] om doelmatigheidsredenen ingetrokken, zodat de daarop betrekking hebbende grieven tegen de bestreden beschikking – niet meer door het hof hoeven te worden beoordeeld.
4.2
Aan het hof ligt voor de hoogte van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) en de hoogte van de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de man met ingang van de datum van de bestreden beschikking, bij vooruitbetaling, een bedrag van € 73,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen en het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie afgewezen. De beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De man betaalt deze bijdrage.
4.3
De vrouw is in (incidenteel) hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking en verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen ten aanzien van de daarin bepaalde kinderalimentatie en de afwijzing van haar verzoek tot vaststelling van partneralimentatie. De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat de man met ingang van 16 juni 2023, bij vooruitbetaling, € 210,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen aan de vrouw, te verhogen mocht de zorgregeling zodanig wijzigen dat dit leidt tot toepassing van een lagere zorgkorting, en te bepalen dat de man met ingang van 30 juni 2023, bij vooruitbetaling, € 252,- bruto per maand aan partneralimentatie moet betalen aan de vrouw, althans zodanige beslissingen te nemen die het hof juist acht. Daarnaast verzoekt de vrouw het hof de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.4
De man voert verweer en hij vraagt het hof de verzoeken van de vrouw af te wijzen en de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Motivering
alimentatie
5.1
Kinderen die jonger zijn dan eenentwintig jaren, hebben op grond van artikel 1:400 lid 1 BW voorrang boven alle andere onderhoudsgerechtigden, indien de draagkracht van de onderhoudsplichtige onvoldoende is om volledig in het levensonderhoud van alle gerechtigden te voorzien. Daarom zal het hof eerst beoordelen of en welke bijdrage de man dient te leveren in de kosten van opvoeding en verzorging van [de minderjarige] en daarna pas ingaan op het verzoek tot vaststelling van partneralimentatie.
kinderalimentatie
5.2
De bij de bestreden beschikking vastgestelde ingangsdatum van 16 juni 2023, de behoefte van [de minderjarige] in 2023 van € 430,- per maand en de draagkracht van de man van € 606,- per maand zijn niet in geschil en staan daarmee vast.
draagkracht van de vrouw
5.3
Bij het bepalen van het aandeel van de man in de behoefte van het kind dient de draagkracht van alle onderhoudsplichtigen en de verhouding waarin een ieder tot het kind staat in de beoordeling te worden betrokken.
5.4
De vrouw stelt dat de bijdrage van de man omhoog moet omdat haar draagkracht door de rechtbank is te hoog vastgesteld, zodat de verdeling van de kosten niet juist is. De rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat de vrouw (fictief) 32 uur per week kan werken. Dit is echter niet haalbaar gebleken omdat de vrouw dat kan niet combineren met de voor haar benodigde hulpverlening en de zorg voor [de minderjarige] . Op dit moment heeft de vrouw een contract van 24 uur, is ze langdurig arbeidsongeschikt en ontvangt ze 70% van haar loon. Rekening houdend met de vakantietoeslag heeft de vrouw een bruto jaarinkomen van € 17.560,- en is haar draagkracht € 116,- per maand, aldus de vrouw. De vrouw onderbouwt dit standpunt door te verwijzen naar de overgelegde producties en berekeningen.
De man voert op zijn beurt aan dat door de vrouw is niet aangetoond dat haar hulpverlening en de zorg voor [de minderjarige] haar belemmeren om 32 uur per week te werken. De rechtbank is terecht uitgegaan van 32 uur omdat de vrouw in het verleden meer dan 32 uur per week heeft gewerkt en zij haar verdiencapaciteit tijdens het huwelijk niet heeft betwist. Daarnaast is het door de vrouw gestelde inkomen volgens de man niet juist. Uit de overlegde salarisspecificaties blijkt dat de vrouw feitelijk een hoger bruto salaris heeft, maar dat de werkgever in verband met de arbeidsongeschiktheid van de vrouw op dit moment slechts 70% uitkeert. Omdat de arbeidsongeschiktheid van tijdelijke aard is moet rekening worden gehouden met 100% van het salaris, aldus de man.
5.5
Naar het oordeel van het hof is voldoende komen vast te staan dat de vrouw op dit moment niet in staat is om een 32-urige werkweek te combineren met de voor haar benodigde hulpverlening en de zorg voor [de minderjarige] . Zo volgt uit de in het geding gebrachte stukken genoegzaam dat ook een werkweek van 24 uur veel is gebleken en dat de vrouw inmiddels ziek is uitgevallen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw daarnaast onbetwist gesteld bezig te zijn met hulpverlening en binnenkort te beginnen met een nieuwe behandeling. Dat de vrouw is aangewezen op hulpverlening is door de man ook erkend. Het hof zal bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw dan ook aansluiten bij de door de vrouw gestelde verdiencapaciteit van 24 uur per week.
5.6
Bij het berekenen van alimentatie wordt aangesloten bij de huidige situatie en worden onzekere toekomstige omstandigheden buiten beschouwing gelaten. Op dit moment is de vrouw arbeidsongeschikt en krijgt zij 70% van haar loon uitbetaald. Wanneer de vrouw voldoende hersteld zal zijn om te werken en zij opnieuw 100% van haar salaris zal ontvangen is op dit moment niet duidelijk, zodat het hof daar in het kader van deze beschikking geen rekening mee kan houden.
5.7
Gelet op het voorgaande gaat het hof bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw, net als de vrouw, uit van een verdiencapaciteit van 24 uur per week, waarbij de vrouw 70% van haar salaris krijgt uitbetaald. Het hof sluit dan ook aan bij de door de vrouw in het geding gebrachte berekening van haar draagkracht. De man heeft de juistheid van die berekening voor het overige niet betwist. Uit die berekening volgt een NBI van € 1.457,- per maand en een draagkracht van € 116,- per maand. Het hof gaat daar ook van uit.
5.8
Omdat de zorgregeling bij beschikking van 9 januari 2024 door de rechtbank is gewijzigd, zal het hof bij onderstaande berekening van de kinderalimentatie uitgaan van twee periodes. De periode van 16 juni 2023 tot 1 februari 2024 en de periode vanaf 1 februari 2024. Het hof hanteert voor de eerste periode een zorgkorting van 35 procent en voor de tweede periode een zorgkorting van 25 procent. Dit alles voert het hof tot de volgende berekeningen.
kinderalimentatie van 16 juni 2023 tot 1 februari 2024
5.9
De totale draagkracht van de ouders bedraagt (606 + 116) € 722,- per maand. De behoefte van [de minderjarige] in 2023 is € 430,- per maand. De ouders hebben dan ook voldoende draagkracht om in de behoefte te voorzien.
Op grond van het voorgaande bedraagt:
- het aandeel van de man (606/722 x 430) € 361,- per maand;
- het aandeel van de vrouw (116/722 x 430) € 69,- per maand.
5.10
De omstandigheid dat de man een aandeel heeft in de zorg voor [de minderjarige] wordt in aanmerking genomen als een percentage van de behoefte, de zorgkorting. Tussen partijen is niet in geschil dat tot 1 februari 2024 op het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] een zorgkorting van 35% (dus afgerond € 151,- per maand) in mindering moet worden gebracht.
5.11
Uit het voorgaande volgt dat de man na aftrek van de zorgkorting over de periode 16 juni 2023 tot 1 februari 2024 een bedrag van (361 – 151) € 210,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen. Nu het in 2024 om een periode van slechts een maand gaat ziet het hof aanleiding de indexering buiten beschouwing te laten.
kinderalimentatie vanaf 1 februari 2024
5.12
De totale draagkracht van de ouders bedraagt (606 + 116) € 722,- per maand. De behoefte van [de minderjarige] in 2024 (geïndexeerd) is € 457,- per maand. De ouders hebben dan ook voldoende om in de behoefte te voorzien.
Op grond van het voorgaande bedraagt:
- het aandeel van de man (606/722 x 457) € 384,- per maand;
- het aandeel van de vrouw (116/722 x 457) € 73,- per maand.
5.13
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw onbetwist gesteld dat de verdeling van de zorgtaken vanaf 1 februari 2024 in lijn met bij de beschikking van de rechtbank van 9 januari 2024 vastgestelde voorlopige zorgregeling worden uitgevoerd. Op basis van deze voorlopige zorgregeling blijft [de minderjarige] drie keer per vier weken van vrijdag uit school tot maandag naar school en op Vaderdag vanaf de avond ervoor om 17.00 uur tot maandagochtend naar school bij de man. Gemiddeld is dat twee dagen per week.
Bij een gedeelde zorg gedurende gemiddeld twee dagen per week past een zorgkorting van 25% van de behoefte, zodat in de periode vanaf 1 februari 2024 een zorgkorting van 25% (dus afgerond € 114,- per maand) op het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige] in mindering moet worden gebracht.
5.14
Uit het voorgaande volgt dat de man na aftrek van de zorgkorting vanaf 1 februari 2024 een bedrag van (384 – 114) € 270,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw dient te betalen.
Dictum
Het hof, beschikkende in het incidenteel hoger beroep:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 16 juni 2023, hersteld bij beschikking van 28 september 2023, ten aanzien van de daarin bepaalde kinderalimentatie en de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 16 juni 2023 tot 1 februari 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 210,- per maand zal betalen;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 februari 2024 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] € 270,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 30 juni 2023 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 252,- bruto per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. P.B. Kamminga, M.P. den Hollander en D.J.I. Kroezen, bijgestaan door mr. M.A. Mertens als griffier, en is op 28 maart 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.