Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-03-12
ECLI:NL:GHARL:2024:1785
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,228 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.332.899/01
CJIB-nummer
: 239202723
Uitspraak d.d.
: 12 maart 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 17 mei 2023, betreffende
[de betrokkene]
(hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft geen verweerschrift ingediend.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 30 januari 2021 om 16.42 uur op de Verbindingsweg ter hoogte van de oprit autosnelweg A20 rechts in Moordrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden en de kantonrechter heeft miskend dat die overschrijding had moeten leiden tot een matiging van het bedrag van de sanctie met 25 procent. De gemachtigde verzoekt het hof om het sanctiebedrag met 25 procent te matigen.
3. Het hof stelt het volgende vast. De inleidende beschikking is op 8 februari 2021 verzonden. In het beroepschrift bij de kantonrechter d.d. 17 juli 2021 brengt de gemachtigde naar voren dat namens de betrokkene een pro forma beroepschrift wordt ingediend en op een nader door de kantonrechter te bepalen datum de (nadere) gronden zullen worden ingediend. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief d.d. 10 maart 2022 tot uiterlijk 11 april 2022 in de gelegenheid gesteld om de gronden in te dienen dan wel aan te vullen. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief d.d. 7 oktober 2022 bericht dat tot op heden geen (aanvullende) gronden zijn ontvangen en de gemachtigde tot uiterlijk 21 oktober 2022 in de gelegenheid gesteld dat alsnog te doen. De gemachtigde heeft bij e-mailbericht d.d. 13 oktober 2022 een aanvullend beroepschrift bij de kantonrechter ingediend. De kantonrechter heeft op 17 mei 2023 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist.
4. De redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in eerste aanleg aangevangen toen de inleidende beschikking op 8 februari 2021 aan de betrokkene is verzonden. De termijn van berechting is in beginsel geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 17 mei 2023. De gemachtigde heeft, hoewel aan hem op verzoek een termijn die afliep op 11 april 2022 is geboden voor het indienen c.q. aanvullen van de gronden, pas op 13 oktober 2022 - na een verlenging van de termijn - een aanvullend beroepschrift bij de kantonrechter ingediend. Het voorgaande leidt ertoe dat de redelijke termijn van berechting is verlengd in verband met het aan de (gemachtigde van de) betrokkene toe te rekenen na de op verzoek geboden termijn aanvullen van de beroepsgronden. Het hof stelt deze verlenging van de redelijke termijn van berechting op zes maanden en twee dagen, nu de termijn voor het indienen c.q. aanvullen van de gronden met een periode van zes maanden en twee dagen is overschreden. Het hof stelt derhalve vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg niet is overschreden. De aangevoerde grond faalt.
5. Het hof zal, gelet op het voorgaande, de beslissing van de kantonrechter bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.