Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-03-12
ECLI:NL:GHARL:2024:1757
Civiel recht
Hoger beroep
2,498 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.292.287/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 8326236)
arrest van 12 maart 2024
in de zaak van
[appellante] B.V.,
gevestigd in Zelhem,
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
bij de rechtbank: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. J.T. Schlepers, die kantoor houdt in Beilen,
tegen
[geïntimeerde] B.V.,
gevestigd in Leeuwarden,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
bij de rechtbank: eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. A.G.W. van Kessel, die kantoor houdt in Leeuwarden.
1Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
1.1
[geïntimeerde] heeft in deze procedure aangevoerd dat [appellante] nog € 12.000 voor de bedrijfsunit aan de Apolloweg 22E (inmiddels 22F) verschuldigd is. Volgens haar is een aanvullende, ‘zwarte’ koopprijs van € 20.000 afgesproken. Per saldo zou dan de oorspronkelijke vraagprijs als koopsom zijn overeengekomen van € 115.000 exclusief btw. Gevorderd wordt het onbetaald gelaten deel van € 20.000 (€ 12.000, na aftrek van € 5.000 en € 3.000 aan gedane contante betalingen).
1.2
Het hof heeft met zijn tussenarrest van 15 maart 2022 [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld deze afspraak te bewijzen. Daartoe zijn op 17 januari, 4 mei en 7 november 2023 getuigen gehoord. Ook is een beëdigde, notariële getuigenverklaring overgelegd (getuige [naam1] ). Partijen hebben zich vervolgens in memories over de bewijsvoering uitgelaten. Daarna heeft het hof beslist dat opnieuw uitspraak zal worden gedaan.
2. De verdere beoordeling
De aanvullende koopsom
2.1
Het hof komt tot de conclusie dat [geïntimeerde] het opgedragen bewijs heeft geleverd en licht dat hierna toe.
2.2
De door [appellante] voorgebrachte getuige [naam2] heeft verklaard uit eigen wetenschap geen kennis te hebben van de prijsafspraak die [appellante] en [geïntimeerde] over de unit hebben gemaakt. Deze verklaring weegt dus niet mee in het voordeel van [appellante] .
2.3
De notaris die de bewuste akte van levering van de bedrijfsunit heeft gepasseerd, heeft als getuige verklaard dat hij ook niet bekend is met afspraken van ‘geld onder tafel’. De koopsom was wat hem betreft zoals in de akte staat: € 114.950 inclusief btw. Hij kan er echter geen verklaring voor geven dat de tot de levering van de unit verschuldigde maandhuur is berekend over de vraagprijs van € 115.000 en niet over de op schrift gestelde koopsom van € 95.000. Dat gegeven geeft bij gebrek aan een deugdelijke toelichting enige steun aan de stelling die [geïntimeerde] moet bewijzen.
2.4
Belangrijker is echter dat de huidige vriendin van [geïntimeerde] , [naam3] , heeft verklaard dat zij eind 2014 getuige is geweest van de afspraak waar [geïntimeerde] zich op beroept: zij wist dat de loods te koop stond voor € 115.000. Volgens haar ging [geïntimeerde] niet akkoord met een lagere koopprijs toen daarover bij hem thuis in haar aanwezigheid met [appellante] werd onderhandeld: “Toen heeft [appellante] voorgesteld om een deel zwart te doen. Hij noemde een bedrag van € 20.000. De reactie van [geïntimeerde] weet ik niet meer precies, maar ik weet wel dat ze hierop zijn uitgekomen.”
2.5
Volgens [naam3] was een halfbroer van [appellante] , [naam4] , ook bij dit gesprek aanwezig. Deze [naam4] is eveneens als getuige gehoord, maar hij ontkent dat hij erbij was. Zijn verklaring kenmerkt zich echter door vaagheid en omtrekkende bewegingen bij de beantwoording op concrete vragen. In dat verband is met name van belang wat hij heeft te zeggen over de bij de notaris afgelegde verklaring van de overbuurman van [geïntimeerde] , [naam1] . Enerzijds verklaart [naam4] dat je niet kan zeggen dat hij met [naam1] op goede voet stond, anderzijds bevestigt hij wel dat hij wel eens een kopje koffie bij hem dronk. Dergelijke omzichtigheid is kenmerkend voor zijn gehele verklaring. Dat geldt ook voor wat hij verder over [naam1] en diens verklaring heeft gezegd.
2.6
Het belang van die constatering is erin gelegen dat [naam1] heeft verklaard dat [naam4] op een bepaald moment aan hem te kennen heeft gegeven dat zijn halfbroer, de heer [appellante] , [geïntimeerde] ‘te pakken had genomen’ wat betreft contante betalingen aan laatstgenoemde. Ook als daarnaar wordt gevraagd, draait [naam4] om het antwoord heen: “Hij kan wel meer zeggen. Wat heb ik daar mee?” [naam4] blijft eveneens vaag over een contante betaling van € 5.000 van [geïntimeerde] aan [appellante] , die via hem is verlopen. Geconfronteerd met een sms waarin wordt gesproken over de ‘volgende 5’ zegt hij alleen te weten dat [appellante] naar het ziekenhuis moest; “ [geïntimeerde] heeft mij toen gebeld voor vijf duizend euro. Hij zei door de telefoon: als ik ze niet krijg, dan kom ik wel even langs. Ik kon daar op dat moment niet met [appellante] over spreken en weet ook niet meer hoe dat verder is gegaan. Waar dat geld voor was, kan ik ook niet zeggen. Ik weet dit nog, omdat ik mij op dat moment door [geïntimeerde] bedreigd voelde. Hij bedreigt mensen wel vaker.”
Het hof acht het niet geloofwaardig dat [naam4] zich niet-gespecificeerde bedreigingen en een ziekenhuisbezoek wel herinnert, maar niet de achtergrond van deze, daarmee samenhangende, omvangrijke contante betaling.
2.7
Door de omtrekkende bewegingen van [naam4] hecht het hof evenzeer weinig waarde aan zijn verklaring dat hij bij de gemaakte afspraken niet aanwezig was. De verklaring van [naam3] daarover is bovendien niet in een getuigenverklaring door [appellante] zelf bestreden.
2.8
Wat daarnaast in hoge mate steun geeft aan de verklaring van [naam3] , is een brief van de voormalige raadsman van [geïntimeerde] , F. van der Hoef en de verklaring die deze daarover als getuige heeft afgelegd. Van der Hoef was indertijd als advocaat betrokken bij de afspraken waarop de bewijsopdracht ziet. In een brief van 31 maart 2015 refereerde hij daaraan. Hij sloot de brief af met het volgende: “Namens cliënte [ [geïntimeerde] , hof] spreek ik de verwachting uit dat u alsnog aan uw verplichtingen zult voldoen welke verplichtingen tevens omvatten het voldoen van de restantkoopsom, oorspronkelijk € 20.000, welke betalingsverplichting mondeling is afgesproken dit in aanvulling op de koopovereenkomst van 11 januari 2015”. Er kan geen misverstand over bestaan waarover hij hier spreekt: een mondelinge afspraak tot betaling van € 20.000, in aanvulling op de in de akte vastgelegde koopsom. Desgevraagd bestrijdt Van der Hoef echter met een dergelijke afspraak bekend te zijn. Het citaat legt hij als volgt uit: “De slotalinea heeft betrekking op een mondelinge afspraak ter zake van het afwerken van het casco (…). Het ging daarbij volgens mij om het aanbrengen van een cv, en misschien ook het aanbrengen van een verdiepingsvloer.” Die uitleg is alleen al gelet op de door hem gebruikte, heldere bewoordingen hoogst onaannemelijk. Zijn uitleg is ook onverenigbaar met het feit dat in de schriftelijke koopovereenkomst al de verplichting van de verkoper is opgenomen een cv-ketel te plaatsen en op de vloerverwarming aan te sluiten. Uit de verklaring van [naam4] blijkt bovendien dat de bedrijfsunit al was uitgevoerd met een betonnen verdiepingsvloer.
Dictum
11 november 2015 is geleverd, onder betaling van de restant koopsom. De rente is 30 dagen nadien – op 11 december 2015 - gaan lopen. In dit hoger beroep zal [appellante] zowel in het door hem ingestelde hoger beroep (het principaal appel) als in het door [geïntimeerde] ingestelde hoger beroep (het incidenteel appel) worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland in Groningen van 22 december 2020, behalve voor zover daarin in conventie de vorderingen van [geïntimeerde] onder X en XI (als bedoeld in rechtsoverweging 2.1 van het vonnis) zijn afgewezen;
vernietigt deze uitspraak in zoverre en veroordeelt [appellante] alsnog tot betaling aan [geïntimeerde] van € 12.000, vermeerderd met de wettelijke handelsrente daarover vanaf 11 december 2015;
veroordeelt [appellante] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerde] in dit hoger beroep (principaal en incidenteel appel tezamen):
€ 772 aan procedurele kosten
€ 5.358 aan salaris van de advocaat van [geïntimeerde] (2 procespunten x appeltarief I à € 858 en 3 procespunten x appeltarief II à € 1.214)
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.W. Zandbergen, W.F. Boele en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2024.
Ik durf deze strafrechtelijke benadering hier wel aan.
CNA 1, MvA 1 in het principaal appel. = € 1716
MvE incidenteel appel 0,5, enq 2, MvA na enq. 0,5. = € 3642 (idd geen halvering, want vloeit niet voort uit principaal HB)