Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-03-08
ECLI:NL:GHARL:2024:1708
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,293 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.332.489/01
CJIB-nummer
: 247268662
Uitspraak d.d.
: 8 maart 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 22 augustus 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is als bestuurder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 31 januari 2022 om 18.29 uur op de Vuurplaat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als bestuurder is opgelegd. De ambtenaar heeft namelijk niet vastgesteld dat de betrokkene het voertuig ter plaatse heeft geparkeerd en de ambtenaar heeft dit ook niet bij de betrokkene geverifieerd. De betrokkene heeft bij staandehouding geen verklaring afgelegd. Anders dan de kantonrechter overweegt, mag dat niet tegen de betrokkene worden gebruikt. Dit omdat de betrokkene niet verplicht is een verklaring af te leggen. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de gedraging niet kan worden vastgesteld en verwijst daarbij naar rechtspraak van het hof.
3. Artikel 5 van de Wahv bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd.
4. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van bevindingen van de ambtenaar. Hierin wordt onder meer het volgende verklaard:
“Ik verbalisant kan verklaren, dat ik bij het uitschrijven van een aankondiging van beschikking inzake een parkeerovertreding, dit in principe op kenteken doe van het betrokken voertuig. Wanneer een persoon ter plaatse komt of zich ter plaatse meldt, stel ik de vraag of het betrokken voertuig door hem of haar daar als bestuurder is geparkeerd. indien hierop bevestigend wordt geantwoord, vraag ik degene naar een legitimatiebewijs en geef ik betrokkene de cautie, dat hij of zij niet tot antwoorden verplicht is. Gezien het feit dat genoemd proces-verbaal bijna twee jaar geleden is opgemaakt en hierbij een persoon als betrokkene is opgenomen, kan ik stellen dat deze betrokkene zich als bestuurder, die het voertuig daar had geparkeerd, kenbaar heeft gemaakt. Ik heb niet gezien dat de betrokkene het voertuig daar heeft geparkeerd. Ik kan mij herinneren dat betrokkene wel met genoemd voertuig als bestuurder is weggereden.”
5. Op basis van bovenstaande verklaring van de ambtenaar kan worden vastgesteld dat de betrokkene ten tijde van de gedraging de bestuurder van het voertuig was. Dit brengt mee dat de sanctie terecht aan de betrokkene als bestuurder is opgelegd. De grond slaagt niet.
6. Het voorgaande brengt mee dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal bevestigen. Aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding is er daarom niet.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.