Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-03-08
ECLI:NL:GHARL:2024:1701
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
1,951 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.502/01
CJIB-nummer
: 240059869
Uitspraak d.d.
: 8 maart 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de appelgrens, zoals die per 1 januari 2023 luidt, de betrokkene niet mag worden tegengeworpen. Daartoe merkt hij op dat de procedure is aangevangen in de periode dat de appelgrens € 70,- bedroeg. Als de sinds 1 januari 2023 geldende appelgrens van toepassing is, wordt de betrokkene gedurende een lopende procedure het recht op beroep bij een tweede feitelijke instantie ontnomen. Hierdoor is de positie van de betrokkene, na het instellen van beroep, verslechterd en dat is in het licht van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zeer onwenselijk.
2. Het hof stelt vast dat aan de betrokkene bij inleidende beschikking een sanctie is opgelegd van € 250,- voor: “van rijstrook wisselen zonder het andere verkeer voor te laten gaan”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 maart 2021 om 17.58 uur op de Churchillweg in Schiedam met het voertuig met het kenteken [kenteken] . Nu het bedrag van de sanctie meer dan € 110,- bedraagt, kan de betrokkene worden ontvangen in het hoger beroep.
3. De gemachtigde ontkent dat de gedraging is verricht. Verder voert hij aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Nu de bestuurder van het voertuig de ambtenaar via het open raam heeft gesproken, bestond een reële mogelijkheid tot staandehouding. De gemachtigde wijst erop dat volgens de ‘Werkinstructie Staandehouding’ van 9 juli 2021 van het Parket CVOM de ambtenaar in een situatie als deze om een toelichting moet worden gevraagd. De officier van justitie heeft echter geen aanvullende stukken opgevraagd bij de ambtenaar. Daarnaast wijst de gemachtigde erop dat in een gerelateerde zaak van de betrokkene - waarin een sanctie is opgelegd voor een gedraging gepleegd op (nagenoeg) hetzelfde tijdstip - de kantonrechter de inleidende beschikking heeft vernietigd. De gemachtigde ziet geen reden waarom het oordeel in deze zaak anders luidt.
4. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag bestuurder van de overtreder het privé voertuig van verbalisant links inhaalde en vervolgens kort voor diens auto naar de rechter rijstrook reed. De verbalisant, in vrije tijd, moest om een aanrijding te voorkomen, direct afremmen. De bestuurder gaf de verbalisant dus geen voorrang.”
6. Het hof ziet in wat de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar dat de bestuurder van het voertuig van de betrokkene van rijstrook wisselde zonder het andere verkeer voor te laten gaat. De enkele ontkenning van de gedraging is daartoe onvoldoende. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht.
7. Uit artikel 5 van de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8. Met betrekking tot de staandehouding luidt de verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht als volgt:
“Verbalisant was in burger in vrije tijd. Verbalisant heeft zijn voertuig voor een rood verkeerslicht naast het voertuig van de overtreder geplaatst, zijn politie legitimatie getoond en aangegeven dat de bekeuringen thuis zou krijgen voor zijn rijgedrag waarmee hij andere weggebruikers in gevaar bracht. Overtreder gaf door zijn inmiddels geopende raam dat het best was en reed weg. Verbalisant heeft ervoor gekozen het overige verkeer niet in gevaar te brengen en noteerde het kenteken van het voertuig van de overtreder.”
9. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat hij de bestuurder van het voertuig heeft aangesproken en een boete heeft aangezegd. De bestuurder is vervolgens weggereden, waardoor de ambtenaar de identiteit van bestuurder niet aanstonds heeft kunnen vaststellen. Onder deze omstandigheden is de sanctie terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd. Dat de officier van justitie in deze zaak in strijd met de werkinstructie van het Parket CVOM geen toelichting van de ambtenaar heeft gevraagd, leidt niet tot een ander oordeel.
10. Met betrekking tot de verwijzing van de gemachtigde naar de beslissing van de kantonrechter in een gerelateerde zaak van de betrokkene, overweegt het hof als volgt. De omstandigheid dat de rechter in die zaak tot een ander oordeel is gekomen, brengt niet mee dat een andere rechter bij de beoordeling van deze zaak gebonden is aan die beslissing.
11. Tot slot voert de gemachtigde aan dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden en het bedrag van de sanctie daarom gematigd moet worden.
12. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg niet is overschreden. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de initiële beschikking waartegen administratief beroep is ingesteld is verzonden op 2 augustus 2021, terwijl de kantonrechter op 13 juli 2023 uitspraak heeft gedaan.
13. Gelet op het voorgaande zal de beslissing van de kantonrechter worden bevestigd en het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.
Dictum
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.