Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-03-05
ECLI:NL:GHARL:2024:1610
Civiel recht; Personen- en familierecht
Hoger beroep
2,548 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.324.962
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10152730)
beschikking van 5 maart 2024
in de zaak van
[verzoeker] ( [verzoeker] ),
verblijvende bij [naam1] ,verzoeker in hoger beroep,
advocaat: mr. H.K. Jap-A-Joe in Utrecht.
Belanghebbenden zijn:
[naam2]
,
gevestigd in [vestigingsplaats1] ,
en
[naam3] handelend onder de naam [naam4] ( [naam4] ),
gevestigd in [vestigingsplaats2] ,
en
[naam1] ( [naam1] ),
gevestigd te [vestigingsplaats3] .
1Onderwerp
Het gaat in deze zaak om het bewind over de goederen van [verzoeker] en het mentorschap over [verzoeker] .
2Belangrijke informatie
2.1
[verzoeker] is geboren [in] 1948.
2.2
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de kantonrechter op 18 oktober 2022, heeft [naam2] verzocht een bewind in te stellen over de goederen van [verzoeker] en een mentorschap in te stellen over [verzoeker] met benoeming van [naam4] tot bewindvoerder en mentor.
Dictum
De kantonrechter heeft op 28 december 2022:
- de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [verzoeker] onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand;
- een mentorschap ingesteld ten behoeve van [verzoeker] en
- [naam4] tot bewindvoerder en mentor benoemd.
4Het hoger beroep
[verzoeker] is het niet eens met de beslissing van de kantonrechter. Hij is in hoger beroep gegaan. [verzoeker] wil dat het verzoek tot onderbewindstelling alsnog wordt afgewezen en dat het hof [naam4] ontslaat als mentor en dat een familielid van hem tot mentor wordt benoemd.
5De rechtszaak bij het hof
5.1
Het hof heeft de volgende stukken in het dossier:
- het beroepschrift met bijlagen, ontvangen op 24 maart 2023;
- een formulier van mr. Jap-A-Joe van 22 mei 2023;
- een e-mail van [naam2] van 12 juni 2023;
- een e-mail van [naam2] van 6 juli 2023;
- een brief van [naam2] van 3 oktober 2023;
- een brief van [naam2] van 6 juli 2023;
- een brief van [naam2] van 3 oktober 2023;
- een e-mail van mr. Jap-A-Joe van 3 oktober 2023;
- een e-mail van [naam1] van 9 oktober 2023;
- de brief van mr. Jap-A-Joe van 10 november 2023
- een e-mail van de bewindvoerder van 16 januari 2024;
- een brief van mr. Jap-A-Joe van 9 februari 2024.
5.2
De (eerste) mondelinge behandeling bij het hof was op 12 oktober 2023. Aanwezig waren:
- [verzoeker] ,
- een vertegenwoordiger namens [naam4] ;
- [de broer] (de broer) en [de zus] (de zus).
De behandeling van de zaak is aangehouden omdat de advocaat van [verzoeker] daar niet op tijd bij aanwezig kon zijn.
5.3
De mondelinge behandeling bij het hof is voortgezet op 16 januari 2024. Aanwezig waren:
- [verzoeker] met zijn advocaat;
- de broer en de zus.
5.4
Na de mondelinge behandeling van 16 januari 2024 is op diezelfde datum ingekomen het in 5.1 genoemde mailbericht met bijlagen van de bewindvoerder en mentor van [verzoeker] . Mr. Jap-A-Joe heeft na daartoe door het hof in de gelegenheid te zijn gesteld op 9 februari 2024 een reactie op deze stukken ingediend.
6. De redenen voor de beslissing
bewind
de wet
6.1
In de wet staat dat de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van:
a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,
tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, een bewind kan instellen over een of meer van de goederen die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren (artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, verder: BW).
6.2
In de wet staat ook dat de bewindvoerder toestemming van de rechthebbende (dat is hier [verzoeker] ) of de kantonrechter nodig heeft, onder meer voor het sluiten van overeenkomsten, het doen van een gift en geld lenen (artikel 1:441 lid 2 BW).
standpunten
6.3
In hoger beroep heeft [verzoeker] in de eerste plaats aangevoerd dat de kantonrechter hem ten onrechte niet heeft gehoord, want hij is wel degelijk in staat zijn mening kenbaar te maken. Door een hersenbloeding is sprake van gedeeltelijke verlamming en is hij lichamelijk gehandicapt, maar dit maakt hem niet ongeschikt om zijn geldzaken zelf te regelen. Hij is geestelijk bij de tijd. Een bewindvoerder heeft hij niet nodig. Verder is het volgens [verzoeker] onjuist dat de kantonrechter heeft aangenomen dat hij niet in staat is een rekening en verantwoording te beoordelen en toestemming te geven voor de handelingen als bedoeld in artikel 1:441 lid 2 BW.
6.4
De bewindvoerder is het niet eens met [verzoeker] dat er geen noodzaak is voor het bewind. Volgens de bewindvoerder is die noodzaak heel groot, omdat [verzoeker] schulden heeft, [verzoeker] blijvende schade heeft opgelopen door een herseninfarct en ziektebesef en inzicht bij hem afwezig is.
oordeel hof
6.5
Het hof is van oordeel dat [verzoeker] als gevolg van zijn geestelijke toestand niet in staat is zelf zijn geldzaken behoorlijk waar te nemen. Het hof heeft daarvoor de volgende redenen.
6.6
[verzoeker] is na zijn herseninfarct op 22 december 2021 vanuit [het ziekenhuis]
in [plaats1] voor revalidatie overgebracht naar [naam2] in [vestigingsplaats1] . Volgens de maatschappelijk werker van [naam2] was er onduidelijkheid over het inkomen en de schulden van [verzoeker] en kon de familie daarin niet de steun bieden die nodig was. Volgens de bewindvoerder bedraagt de schuldenlast van [verzoeker]
€ 26.528,62. Deze schulden zijn onder meer ontstaan omdat [verzoeker] de huur van zijn woning niet heeft opgezegd en hij daarnaast een eigen bijdrage verschuldigd is voor zijn verpleging in het verzorgingshuis. Hoewel de bewindvoerder per abuis een schuldenoverzicht van een andere persoon heeft bijgevoegd, heeft het hof geen reden om aan de juistheid van de stelling van de bewindvoerder dat sprake is van schulden te twijfelen: niet voor niets is [verzoeker] op 21 december 2023 toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening. Ook heeft het hof op de mondelinge behandeling bevestigd gezien dat [verzoeker] zijn geldzaken niet meer zelf kan regelen. Zo vertelde [verzoeker] dat de bewindvoerder degene is die het eten klaarmaakt - en dat eten vindt hij niet lekker - en dat hij niet eens geld heeft om een scheermes te kunnen kopen. Dat laatste is naar oordeel van het hof niet aannemelijk, want hij zal net als ieder ander in deze situatie zak- en leefgeld ontvangen. In de berekening van de eigen bijdrage van het CAK is ook rekening gehouden met zak- en leefgeld. Gezien de geestelijke gezondheid van [verzoeker] kan het gemeentelijke schuldhulpverleningstraject bovendien naar oordeel van het hof niet slagen zonder de hulp en begeleiding vanuit bewindvoering. Het hof zal de onderbewindstelling dus in stand laten.
mentorschap
de wet
6.7
In geschil is de persoon van de mentor. In de wet staat dat de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene volgt, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten (artikel 1:452 lid 3 BW). Op grond van lid 4 van voornoemd artikel wordt, tenzij lid 3 is toegepast, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot mentor benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.
standpunten
6.8
[verzoeker] heeft tegen de instelling van het mentorschap geen bezwaar, maar wel heeft hij bezwaar tegen de benoemde mentor. Hij wil graag een mentor uit de familiekring.
6.9
Volgens de mentor gaat het beter met [verzoeker] sinds hij met een rechterlijke machtiging in Vinkeveen verblijft. De plaatsing van [verzoeker] in [plaats2] is niet gelukt vanwege zijn problematische gedrag.
Dictum
Het hof:
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland van
28 december 2022 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander , P.B. Kamminga en
I.G.M.T. Weijers-van der Marck, in samenwerking met mr. J.M. van Gastel-Goudswaard, griffier. De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2024.