Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2024-02-28
ECLI:NL:GHARL:2024:1486
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht, Strafrecht; Strafprocesrecht
Hoger beroep
2,210 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.332.366/01
CJIB-nummer
: 247425887
Uitspraak d.d.
: 28 februari 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 6 juli 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Op 12 oktober 2023 is een aanvullend schrijven van de betrokkene ontvangen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De betrokkene heeft aangevoerd dat het verweerschrift van de advocaat-generaal, waarin gewezen wordt op artikel 14, eerste lid, van de Wahv, buiten beschouwing moet blijven, nu de advocaat-generaal vier weken de tijd heeft gekregen om het verweerschrift uit te brengen, terwijl zij maar twee weken de tijd heeft gekregen om daarop te reageren, terwijl de advocaat-generaal bovendien niet op de cruciale grieven van de betrokkene is ingegaan.
2. In het midden latend of de door de betrokkene gegeven argumentatie de door haar getrokken conclusie kan rechtvaardigen, overweegt het hof dat artikel 14, eerste lid, van de Wahv een bepaling van openbare orde betreft waaraan het hof ambtshalve dient te toetsen. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd, maakt derhalve niet dat deze toetsing hier achterwege moet blijven.
.3. Artikel 14 van de Wahv - zoals die bepaling luidt per 1 januari 2023 - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
4. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 100,- en de kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.
5. De omstandigheid dat er nog een sanctie aan de betrokkene is opgelegd voor een soortgelijke gedraging en dat cumulatie van de sanctiebedragen boven de € 110,- uitkomt, doet hieraan niet af (vgl. het arrest van het hof Leeuwarden van 1 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHLEE:2003:AM1934).
6. Het verzoek om beide zaken te voegen kan de betrokkene ook niet baten. Nog afgezien daarvan dat artikel 8:14 van de Awb, welke bepaling de betrokkene aan dit verzoek ten grondslag heeft gelegd, in procedures als deze, gelet op artikel 9, eerste lid, van de Wahv, niet van toepassing is, maakt voeging van beide zaken niet dat het bedrag van de sanctie € 110,- overstijgt.
7. Gelet hierop dient het hoger beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). Het hof zal reeds daarom dit verzoek afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.332.366/01
CJIB-nummer
: 247425887
Uitspraak d.d.
: 28 februari 2024
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 6 juli 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Op 12 oktober 2023 is een aanvullend schrijven van de betrokkene ontvangen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. De betrokkene heeft aangevoerd dat het verweerschrift van de advocaat-generaal, waarin gewezen wordt op artikel 14, eerste lid, van de Wahv, buiten beschouwing moet blijven, nu de advocaat-generaal vier weken de tijd heeft gekregen om het verweerschrift uit te brengen, terwijl zij maar twee weken de tijd heeft gekregen om daarop te reageren, terwijl de advocaat-generaal bovendien niet op de cruciale grieven van de betrokkene is ingegaan.
2. In het midden latend of de door de betrokkene gegeven argumentatie de door haar getrokken conclusie kan rechtvaardigen, overweegt het hof dat artikel 14, eerste lid, van de Wahv een bepaling van openbare orde betreft waaraan het hof ambtshalve dient te toetsen. Hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd, maakt derhalve niet dat deze toetsing hier achterwege moet blijven.
.3. Artikel 14 van de Wahv - zoals die bepaling luidt per 1 januari 2023 - bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 110,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld en de betrokkene de juistheid van die beslissing in hoger beroep betwist.
4. Van geen van deze situaties is hier sprake. De sanctie bedraagt € 100,- en de kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.
5. De omstandigheid dat er nog een sanctie aan de betrokkene is opgelegd voor een soortgelijke gedraging en dat cumulatie van de sanctiebedragen boven de € 110,- uitkomt, doet hieraan niet af (vgl. het arrest van het hof Leeuwarden van 1 oktober 2003, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHLEE:2003:AM1934).
6. Het verzoek om beide zaken te voegen kan de betrokkene ook niet baten. Nog afgezien daarvan dat artikel 8:14 van de Awb, welke bepaling de betrokkene aan dit verzoek ten grondslag heeft gelegd, in procedures als deze, gelet op artikel 9, eerste lid, van de Wahv, niet van toepassing is, maakt voeging van beide zaken niet dat het bedrag van de sanctie € 110,- overstijgt.
7. Gelet hierop dient het hoger beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk te worden verklaard.
8. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, bestaat geen aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786). Het hof zal reeds daarom dit verzoek afwijzen.
Dictum
Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.